|
Bolsterturfs natuur B o l s t e r t u r f s n a t u u r De jongen met de gele herder Nog nooit had de jongen met de gele herder een meisje gekust. Sonja en ik ontmoetten hem op de boot van Lauwersoog naar Schiermonnikoog. I n het restaurant, waar twee heren ons hun zitplaatsen hadden afgestaan, stonden en zaten de passagiers als kippen in een legbatterij. Al gauw verveelde ons het gekakel, gedrang en gevreet en gingen wij op zoek naar een rustig plekje. Dat vonden we op het bovendek, waar het niet naar zweet en sigarettenrook stonk.We voerden de meeuwen brood, toen ik voelde dat iemand mij in de gaten hield. Vliegensvlug draaide ik me om en zag de blauwe glazen van een verrekijker op me gericht. "Hee Sonja, zie je daar die jongen met die gele hond? Die keek naar ons." "Waar?" "Daar. Beneden. Op dat dek. Die lange, blonde jongen met die gele herdershond die met zijn kijker de zee afzoekt. Net keek i door dat ding naar ons." "Oh... Ja?... Ken jij die jongen?" "Nee, nooit gezien... Zullen we gaan vragen, of wij ook eens door die kijker mogen kijken?" "Dat lijkt me leuk... Kom mee!" Halverhoogte de smalle scheepstrap zat een goor mannetje, dat met zijn tong over zijn lippen ging en naar onze benen gluurde. Het floot toen we hem passeerden. Benedendeks werden we verwelkomd door een vrolijke Duitser met een bierbuik en in iedere hand een blikje Heineken. "Bitte sehr, meine Damen. Hier ist noch Platz für zwei. Bitte sehr, bitte sehr." Dit joviale aanbod sloegen wij af, want wij zochten plaats naast de blonde jongen. Ook hoefden wij geen bier. Gelukkig had de man geen moeite met zulk weigerachtig gedrag. Hij dronk in snel tempo de blikjes zelf leeg. Tussen een ruzie makend gezin, een stuk of wat Duitsers en een stel punkers door, glipten we naar plaatsen aan de reling, dicht bij de blonde, lange jongen. Na een beetje dringen stonden we naast hem. Zijn hond lag op zijn schoenen. Het dier gaf ons een knipoog. "Een mooie Mechelaar," merkte Sonja op, "hoe heet ze?" De jongen reageerde niet. Hij observeerde de krijsende meeuwen boven het door de schroef in heftige beroering gebrachte water achter de boot dat schuimde en schitterde in de zon. Er zaten ook sterns tussen de meeuwen. Af en toe dook er een vogel steil omlaag. Toen we voorbij een zandbank voeren waarop eidereenden dutten, vroeg Sonja: "Zijn dat bergeenden?" De hond kwispelde, maar haar baas keek niet op of om. "Eiders," mompelde hij, "eiders... Kom Sonja." En toen liep hij zomaar van ons weg. Bij de trap nam hij zijn Sonja in de armen en droeg haar naar beneden. Ondanks zijn vreemde gedrag, mocht ik die jongen. Ik dacht: hij schaamt zich, of hij is verlegen. Maar ik zei: "Die eidereenden zijn dus eiders en die hond heeft i naar jou genoemd. Ze heet ook Sonja." En ik moest, hoewel ik het zonde vond dat zo'n knappe knul zomaar was weggelopen, heel hard lachen om het beteuterde gezicht van mijn vriendin. Ze werd boos. "Wat een zak!" schold ze. "Meinen Sie mich?" vroeg de dikke Duitser. De volgende morgen bleek de jongen met de herder zijn intrek te hebben genomen in het zomerhuisje links van dat van ons. Toen wij tegen tienen naar het enige dorp op het eiland liepen om te gaan winkelen, zat hij in de tuin in een luie stoel te lezen. Wij zwaaiden en riepen HALLO! maar hij las gewoon door. Bolsterturf 1989
|