|
Bolsterturfs natuur B o l s t e r t u r f s n a t u u r Het verhaal van lampe " Nòg is het goed wonen in de Ruwe Putten. Men went aan geraas van auto's. Maar in het najaar slaap ik een kwartiertje verderop. Vaak lig ik dan achter een hondensportterrein onder een kalende, forse heipol te prakkiseren en (heel zachtjes) ook wel eens te vloeken: Patsamme, wat heb ik de mens gedaan dat deze mij zo wreed vervolgt? Ik, die zelfs aan de door zìjn schuld doodgaande bomen geen scha meer kan doen!Aan de Mikboomweg wordt door mensen niet meer gejaagd. Ook niet door andere grote rovers als haviken en vossen. Die zijn door de mensen verdreven. Wel komen er dikwijls *hondenmannen, hondemannen en hondevrouwen. Dat zijn lawaaiige mensen en honden, maar beslist geen jagers of rovers. Ze hadden nog nooit belangstelling voor mij. Hetgeen me een hoop zorg om m'n pels bespaart, want voor klein gespuis ben ik niet erg bang. Alleen de stiekeme bunzings en hermelijnen houd ik goed in de kijkers. Toch ben ik de laatste maanden van het jaar altijd behoorlijk ongerust. Ik maak me dan zorgen om Tine, dat dikke, lekkere, rolronde wijf, die minder snel uit de voeten kan en deze zomer enkele van mijn jongste kinderen heeft gezoogd. (Men zegt dat ik eenzelvig ben en een slechte vader, maar moet ik, die niet zogen kan, door mijn aanwezigheid mijn kroost verraden aan alles wat hen eten wil?) Ze weigert koppig met me mee te gaan naar het hondenterrein, omdat ze niet tegen blaffen kan. Potsamme nog aan toe. Ze wil liever in de Ruwe Putten blìjven. In de Ruwe Putten waar het vandaag al vijf keer knalde. Niet dat ik 's nachts tot het uiterste bij Tine aandring. Ik ben in herfst en winter nu eenmaal graag alleen. Maar, patsamme, ik moet alsmaar aan de toekomst denken, aan een nieuwe lente, een nieuwe rammeltijd. Het leven is wreed. Het leven is moeilijk. De mensen zijn een plaag. Wie is gevaarlijker dan een man met een geweer? Wie maakt meer lawaai dan een hondenman? Altijd blaffen op het hondenveld de mensen het hardst. Africhters bassen tegen brave herders en bouviers: 'Stellen! Vast! Kommm hierrr! Zoek! Apport! Zit! Afff!!!...' Een herrie als een keteljacht. Potsamme nog aan toe. Ik kan er niet van slapen. Ik vouw soms mijn oren dubbel. Ik steek af en toe een Bolsterturf-vol-koppijn in het zand. Iets wat ik anders zeer ongaarne doe. Al slaap ik met gesloten ogen, mijn neus en oren houd ik toch het liefst maar open, want ik vertrouw, zoals ik al zei, die kleine marters voor geen halve kool. Waar geen mensen zijn vergaderen de dieren. Bij donkeravond als de blaffers en de keffers zijn vertrokken is het bos vol ander, stiller leven. Op en rond het hondenveld spelen en buurten konijnen. Muizen piepen overal. Behendig glijden reeën door de struiken. Ik hoor de zieke bomen kreunen. Ik ben waakzaam en ik wacht, wacht tot het onvermijdelijke gaat gebeuren, tot, plots en fel en angstaanjagend, de doodsschreeuw van een kleine knager even de stille vrede aan repen scheurt: Waar de prooi is loeren de marterachtigen. Zegt u nu niet: Waar het aas is vergaderen de gieren. Van gieren heb ik mijn buik vol, of beter: had ik mijn huid vol. Toen Luella - moge Diana ook haar dit najaar sparen - en ik op een mooie, maartse dag uitbliezen van een flinke stoeipartij op Croy, kwam een landman met trekker en kar mijn plannen voor die dag verpesten. (Een bunzing is een bunzing en een konijn een konijn, maar het is gewoon te gek hoeveel soorten mensen je in het veld tegenkomt.) We lagen, lekker naast elkaar, in de zon, aan de rand van akkerland en dichtbij een sparrenbos. Luella zwamde wat over Spanje. Ze had het voor de zoveelste keer over bergen, schapen en gieren. Stomvervelend gezwets. Gelaten hoorde ik het aan: Als ik iets op haar aan te merken heb dreigt ze altijd meteen van me weg te lopen. Dat zal me in herfst en winter een zorg zijn, doch in het voorjaar ligt dat wel even anders. Hé, ik dwaal af! Waar had ik het eigenlijk over? Ik had het over die stiekeme bunzings en hermelijnen; ik had het over dat moordend gajes van schemering en duisternis, dat er soms niet voor terugschrikt een volwassen haas de halsslagader door te bijten. Heel graag zou ik in het najaar meer in de mij zo vertrouwde Ruwe Putten willen zijn. De bewoners van de woonwagens daar laten mij wel met rust. Die komen niet op akkers en weilanden. Maar altijd weer moet ik zodra de bruin-geel-rode bladeren vallen overdag voor jagers en jachthonden op mijn hoede zijn. Altijd weer moet ik vluchten voor de wrede, laffe mensen die *onweidelijk jagen. Door hagel en donder wijs geworden verhuis ik de laatste jaren al voordat de jager, die gaatjes in mijn oren knalde, mij nog eens te pakken kan nemen, want zegt het spreekwoord niet: - Beter een slimme held dan een dooie haas - ? Liever kom ik tien bunzings tegen dan één jager met een schietgeweer. U vraagt: een slimme held? Ik zal u niet verhalen van mijn nachtelijke najaarstochten. Ik heb al teveel van uw tijd in beslag genomen. Bovendien zou het toch maar een somber verhaal worden. Een verhaal van mensenvuil en van gif. Van een groeistad die akelig dicht de bossen nadert en het eerst zo mooie, open landschap in beton en steen verandert. Als de groeistadmensen zo hun best blijven doen, kunnen ze straks wellicht ook aan de Leemkuilenweg gaan wonen, in een nieuw, stenen huis boven op hun eigen, oude vuil. En ook een verhaal van bloed en pijn en tranen. Tranen om dieren die vermist worden. Tranen om kapot geschoten wild. Ik zou u brengen bij zwaar verminkte dieren. Bij hazen en bij ander wild. Bij dieren die langzaam moeten sterven, omdat de mens het schieten niet kan laten en op Papenvoort al vos en havik heeft uitgeroeid. Moge de grote God der mensen ook de hazen genadig zijn. Geve Hij, dat de wrede jacht met gloeiende hagel voor altijd wordt gesloten en dat de groeistad niet meer richting bossen groeit, opdat mijn kinderen zullen zeggen: Hier eindigt het verhaal van Lampe. Ik schreef het op zoals ik het las in zand en ruigte, zoals het tot mij kwam in bos en veld en zoals het zich verder spon in mijn gedachten. *Diana: Godin van de jacht Bolsterturf 1989
|