|
Bolsterturfs natuur B o l s t e r t u r f s n a t u u r Van reigers, vissen en een echtpaar bezitterige vijvergekken Eind november . Buiten is het koud; 't vriest net niet. Ik zit bij het kamerraam en kijk naar onze waterbewoners. Kleurkarpers (Cyprinus carpio) en goudvissen (Carassius auratus) liggen bijeen op de gitzwarte modderbodem van de vijver. Traag glijdt het schooltje windes (Leuciscus idus) door tien kuub regenwater. Nog maar een maand geleden was dat water troebel van algengroei en wroeten in modder. Pas de laatste weken zijn, heel langzaamaan, alle rondzwevende deeltjes naar beneden gedwarreld. Bij gebrek aan zonlicht gingen de algen dood.De meeste vissen bewegen niet. Met het dalen van de watertemperatuur daalt ook hun lichaamstemperatuur. Daardoor worden de levensverrichtingen verlangzaamd. Onder tien graden Celsius is de stofwisseling van poikilothermen ('koud'bloedigen) minimaal. Veel karperachtigen liggen dan op of in de modder en wachten geduldig op warmere, betere tijden. Ook voor onze vissen is weer een kort seizoen voorbij. Een seizoen als alle andere. 'n Paar maanden van vechten om toegeworpen regenwormen. Van slurpen aan geweekt, bruin brood. Van rommelen in modder en rotzooien tussen kroos. Van eitjes leggen. Van bevruchten. De beide baarzen (Perca fluviatilis) zijn vet geworden van 't opslokken van duizenden stuks jong grut. Blauwe reigers (Ardea cinerea) en vissen. Ik zie ze dagelijks en ik zie ze graag. Maar van de vijver houd ik reigers weg. Wij zijn zuinig op onze vissen. De meeste hebben we al zeven jaar. Sommige zijn in die tijd gegroeid van spriet van minder dan spreeuwensnavellengte tot de grootte van een flinke rotgansromp. Vanmorgen dreef een kleine, vieze, blauwwitte olievlek op het vijverwater. Een bewijs dat Ardea cinerea ook 's nachts actief is. Op lange, vette stelten en met dito scherpe dolksnavel heeft hij in het donker achter onze vissen aangezeten. Ik telde alle vissen. Ik telde nog eens en wist het toen zeker. We waren een gele wijfjeskarper kwijt. Een reiger die verzuimt bij aanhoudende vorst naar het warme zuiden te vliegen, is beslist geen slimmerik. Toch weet zo'n domkop ook in hartje winter vis te vinden. Hij komt, bij voorbeeld, bij ons. Onbeholpen hokt hij op de schoorsteen - "Kijk pap, een ooievaar!" - of in de dakgoot. Soms uren aan een stuk. Misschien denkt hij aan het voorjaar, of aan de kolonie waarin hij werd geboren. Wij weten dat niet. Door de ijslaag heen lokken onder hem met felle kleuren de vette vijvervissen. Hij kan ze niet bereiken: boven het ijs zijn touwen gespannen en het wak is met planken toegedekt. 'Survival of the fittest'. Een harde werkelijkheid. Mògen wij, nu voor kampioen reigervangen slechtvalk (Falco peregrinus) honderdduizend gulden wordt betaald, een reiger laten verhongeren? Of mòeten wij hem helpen? Waar in deze tekst Ardea cinerea met hij en hem wordt aangeduid kan met evenveel recht zij en haar worden gelezen; desgewenst leze men daarbij voor reiger vrouwtjesreiger, reigervrouw, reigerin, reigeres of reigster Bolsterturf 1991
|