<<<<<<<<<<<<<< Home >>>>>>>>>>>>>>
Stukjes tekst, video's en foto's van bos, hei en waterkant; over grasduinen en struinen in natuur en veld, over zon en wind en buiten zijn
IntroHoofdpaginaInhoudsopgaveNatuurdagboekRecentVideoHoogzitten en jachthuttenMuziekGedichtenOver bolsterturf en Bolsterturf

Bolsterturfs natuur

B o l s t e r t u r f s  n a t u u r

Dagboek juni 2005

70
Weggemoffeld tussen roggehalmen

We stonden perplex. We waren verbaasd. We verwonderden ons om wat we zagen. Rogge. Rogge gezaaid tussen aanplant van jong bos. De rog verbergt de jonge boompjes. Je moet weten dat er boompjes staan. Weet je 't niet, dan zie je de boompjes ook niet.
'Zo zijn ze goed bezig.'
'Ze?'
'Ja, staatsbosbeheer en de gemeente. Dit is goed voor natuur en wild en vogels'
'Ja, heel wat beter dan die kale maïsvelden. Zouden ze het met de hand gezaaid hebben?'
'Nee, denk ik niet. Ze hebben van die trekkers op hoge wielen, maar 't is hard gegroeid, de rog.'
'Ja, ons vader had ook elk jaar rog, en hij zaaide het met de hand. Met de zaaibak die op zolder staat.'
...

Thuisgekomen ging ik naar de zolder. Zaaibak zoeken.
We hebben nu een krantenbak die zaaibak was.

Bolsterturf, woensdag 1 juni 2005

71
Zwarte kraaienjong

Het zit op 't recreatieveldje bij de Verboden Vennen-parkeerplaats. Zwarte dot op groen. Zwarter dan een kauw of roek. En net zo groot als een volwassen kauw, en het doet net zo dom als 't kauwtje dat vorige week midden op de zandweg zat. Fox stuift er op af. Kraaienjong spert de snavel wijd. En dan breekt de kraaienhel los. Pa en ma komen hun jong te hulp. Ze vliegen laag over, ze krassen en schreeuwen en dreigen en duiken.
Bang om Fox' oogjes ren ik naar jonge kraai en Fox. Ouders kraai druipen af, maar blijven wel schreeuwen en schelden. Ik schreeuw ook maar 'ns: 'Fox..! Affffffffffffff..'

Ik dirigeer kraaienjong 't veldje over naar de bosrand. Groot en fors is het, groot en fors voor een jonge kraai. En bang, maar ook brutaal. 't Gaat niet in rap tempo, welnee, kraaienjong loopt uitdagend langzaam, telkens bangbrutaal omkijkend. Ik help het een beetje om vooruit te komen met de neus van m'n schoen. Dan geeft het wat commentaar en fladdert een paar meter.

Een dikke vijftig meter het bos in hipt het op een lage tak. We kijken mekaar eens aan. 'Je hebt geluk, zwarte kraaienjong,' zeg ik. 'Was ik jager, draaide ik je kop van je romp.' Het knippert 'ns met boze oogjes, maar houdt de snavel dicht. 'Sjonge toch,' vraag ik, 'wat ben je eigenlijk? Hij of zij? En waarom loopt een kraai en hipt een ekster?' Dan draai ik me om en laat het, ik bedoel: hem of haar, gerust.

Bolsterturf, donderdag 2 juni 2005

72
Middagje dierentuin Overloon

Een mooie lentemiddag en een mooie dierentuin, maar 't is helemaal niet druk in Zoo Overloon. Het is vandaag dan ook maar een gewone doordeweekse dag en nog geen zomervakantie.
Wanneer jij kaartjes aan 't kopen bent, kijk ik al vast wat rond. Drie moeders met kind in wandelwagen. Een stelletje jong verliefden. En een asociaal gezinnetje van vijf: pa met bierbuik van jewelste achter de kinderwagen, waarin een alsmaar blèrend jong; ma met sigaret en spataders, en twee jongetjes die met steentjes naar mekaar aan 't gooien zijn.

We toeven dik drie uur in 't park. Als we min of meer de bordjesroute lopen, zie ik het meteen: hier hebben de dieren het naar de zin. Pa en ma kameel zijn blij met hun lief veulentje en een waterzwijn ligt voor gaas en schrikdraad heerlijk te genieten van het zonnetje. Het doet even de ogen open, kijkt en knipoogt naar me, en gaat dan weer verder dutten. 'Wat een leventje,' zucht ik, 'die hoeft nooit te werken.' Jij glimlacht en zegt: 'Wil je met 'm ruilen?'

Bij de pelikanen is het een dolle boel. Die zijn aan 't spelen, met vis en met mekaar. 'Kijk', wijs ik, 'ze hebben allemaal glunderoogjes en een smile rond de snavel'. 'Getver,' antwoord jij, 'die ene pakte net 'n dooie haring of zo. Nou zwemt i rond met die vis in z'n keelzak.' 'Ieder zijn meug,' lach ik. 'Geef mij maar een biefstuk pelikaan.' 'Zeur niet zo. Je lust niet eens kip.'

Als we helemaal aan de achterkant van 't park naar albino herten en een dito kangoeroe staan te kijken, zie ik een jonge vrouw in spijkerrok op een bankje zitten. Ze heeft blonde haren en gezonde bruine benen. 'Hee dokus! Verkijk je verstand niet! De herten staan dààrrr..! Kom, gaan we naar de apen. Dan heb je wat te kijken!'

De apen zaten allemaal op eilandjes. Ze waren niet erg druk. 't Zal daarvoor wel te warm geweest zijn. Sommigen lagen te slapen, anderen waren mekaar aan 't vlooien. En een paar moeders sjouwden met hun kleintjes. De overige apen zaten sloom achter mekaar aan te vangen. Alleen het grootste mannetjes was erg druk. Die deed niks anders dan op alle vrouwtjes klimmen. 'Wat heb jij toch? Verkijk je verstand nou niet..!'

Er zijn veel vogels die schuw zijn, waar je bijna niet bij kan komen om een foto van te maken. Eén van de pluspunten van een dierentuin is, dat die voor mensen zo bange vogels tussen mensen, apen, kamelen en giraffen wel durven poseren. Eksters, kraaien, duiven, merels, zwaluwen en mussen, vrij rondvliegende vogels, je vind ze volop in dierenparken. 'Kijk, boerenzwaluwtjes. Ze vliegen de geitenstal in. Maak 'ns een foto.'

Maar niet alleen de vrije vogels, ook de onvrije vogels doen het goed in dierentuin Overloon. De ooievaars stappen er rond alsof ze er parkeigenaar zijn. En de flamingo's dansen en dromen en slapen er. 'Kijk,' zeg ik, 'ze dansen op twee maar slapen op ene poot.' 'Nou, die ene staat duidelijk op twee te pitten.'

't Zijn niet alleen de dieren die het goed doen in zoopark Overloon. Ook de vlinders en de vlindertuin, de kruiden in de kruidentuin, de cactussen in de - hoe raad je het! -cactussenkas en de bomen in het park en in de bomencirkel doen het er goed.
Twee tuinmannen staan te schoffelen. Ze houden er mee op, ze gaan staan leunen op hun schoffels en kijken naar jou, en ze luisteren mee als ik de bomen in de bomencirkel bestudeer en jij me wetenswaardigheden over die bomen, tekst getypt op posters in een vitrine, voorleest.

Op weg naar de uitgang komen we langs een struik met pruimen. Ik pluk er eentje en bijt er in. 'Bah, niet te vreten.' 'Het zijn geen pruimen, sufferd. Voor pruimen is het nog veel te vroeg.'

Even later haal ik voor jou en mij koffie met gebak. 'Alsjeblieft, en als ik straks thuis alsnog stofzuig, ben je dan niet meer boos op me?' 'Nee,' lach jij, 'ik vond het fijn vanmiddag want je kan zien dat ze hier in Overloon niet alleen aan geld, maar ook aan dieren denken.'

Bolsterturf, vrijdag 3 juni 2005

73
Zaterdagmiddagheideonweerregenwandeling

Toen we van huis gingen regende het. Toen we uit de auto stapten rommelde het tussen grijze en zwarte wolken. Toch gaan we wandelen. Groene regenjassen aan en groene paraplu's mee.
Grote plassen staan er op de paden, maar we hebben onze groene laarzen aan.
'Wat gek, ik hoor helemaal geen vogeltjes.'
'Vogeltjes worden niet graag nat.'
Fox blijft alsmaar bij ons hangen, terwijl hij toch helemaal niet bang voor water is.
'Kom op, Erpel, stel je niet aan. Je zal niet smelten van een beetje regenwater.'
De hond kijkt me 'ns aan. Hij blijft volgen, maar gaat nu rechts lopen, naast jouw benen.'
'Schijtluis ben je. Kom op! Ga rakken!'
'Laat hem toch! Jij gaat nu toch ook niet rennen door het natte gras?! Zullen we maar terug gaan, want kijk die lucht eens?'
'Vind je 't dan niet mooi? Moet je kijken, die grote paardenogen op de plassen.'
'Dat betekent, dat er nog veel meer regen komt. Kijk de lucht toch eens!'
Ik kijk omhoog. De zon is wit, de lucht paars en purperviolet.
En dan begint het te waaien door de hoge dennen. Hun naalden vliegen in het rond, en het kraakt in het hout. Over ons dondert het en bliksem knettert naar 't oosten toe. En groffe hagelstenen vallen op het pad en in de plassen. Ze tikken fel op onze plu's.
We worden bang. We staan op het pad, midden op het pad. De plu's boven onze hoofden en Fox tussen onze benen, z'n staartje tegen z'n kont geplakt, hij wil niet gaan zitten.
We zeggen niks, we kijken naar de hagel, naar de lucht en naar mekaar.
Als ons zwijgen pijn gaat doet, zeg ik een gedichtje op. Het schiet me zomaar te binnen:
    Eichen soll man weichen
    Fichten soll man fürchten
    Buchen soll man suchen
'Er zijn hier geen beuken.'
'We staan hier ver genoeg van de dennen af. Geef me een kus?'

De bui gaat zoals hij kwam. Opeens schijnt weer de zon.
'Weet je,' zeg je, 'jij bent knettergek!'

Bolsterturf, zaterdag 4 juni 2005

74
Kokmeeuwen boven verboden vennen

Guur weer, helemaal niet lekker lentewarm. Waar anders op zondagmiddag de Verboden Vennen-parkeerplaats flink bezet is, staan er nu maar tien auto's.
Achter het oud leegstaand keuterboerderijtje, midden in het bos staat het, bloeien alle kleuren vingerhoedskruid. Ook staan er bijenkorven daar. Ik kijk een poosje naar de bijen en luister naar hun vrolijk zoemen.

Boven de Verboden Vennen roepen kokmeeuwen. Als ik uit het bos stap en zon en vennen voor me zie, zit er een groepje op de oever. Ze zijn schuw, de meeuwen. Als ik een foto van ze wil maken, gaan ze allemaal meteen op de wieken. Ze verkassen naar een ven wat verderop. Ach, ze schijten veel, en da's heel slecht voor de zuiverheid van 't verboden zwemwater, maar ze zullen wel weer gauw vertrekken. Voor hen is er geen broedgelegenheid hier. De vennen zijn te diep en te kaal. Ze kunnen hier niet veilig en ongestoord nestelen.

Voor zwemmen vind ik het vandaag te koud.

Bolsterturf, zondag 5 juni 2005

75
Kinderen, haasje, reebok en kanarieachtig vogeltje

Het jubelt in het lentebos. Blije stemmen van vrolijke kinderen. Drie juffen en zo'n dertig leerlingetjes spelen bij het Grootst Verboden Ven. Ze geven met hun rode en blauwe en gele truien en broeken en jassen, en ook met hun lachen en hun blij zijn, fleur aan de te koude lentedag.
De kinderen halen Fox aan. Ze doen een spelletje met hem. Ze gooien 'n tennisballetje naar mekaar. Over en weer. Fox mag dat balletje gaan vangen. Hij springt en rent, van 't ene kind naar 't andere. Dan krijgt hij het door, rent hij op 't meisje dat zal gooien af, springt tegen haar op en heeft het balletje.
De jongens en meisjes kunnen Fox niet vangen, ook niet als de juffen komen helpen. Hij rent de oever langs, hij rent het bos in, hij rent heuvel op en heuvel af, en dan zomaar in 't wilde weg met dat balletje het water in. 'Die zijn jullie kwijt,' zeg ik, maar dan roep ik Fox bij me. Hij komt meteen het ven uit en geeft zijn buit braaf af. Ik geef het balletje aan een jongen met guitig krullenkoppie en net als de kinderen allemaal tegelijk Fox willen gaan aaien, schudt hij zich uit. Ik lach, de juffen lachen en de kinderen lachen 't hardst.

Dan gaan we verder, want ik kwam voor de rode reebok. We lopen richting bosrand. Plots duikt Fox van 't pad, staat hij voor, één pootje parmantig hoog, z'n koppie gefixeerd op een kindervuist klein, bruin mini turfje met lange plat in het nekje liggende oortjes. 'n Jong haasje. Even denk ik aan een foto, maar dan lijn ik m'n hondje vlug aan en loop verder. 'Fox volg..!' Hij kijkt keer op keer om en wil eigenlijk niet mee, maar als ik even met 'm ga spelen is hij 't haasje zo vergeten. 'Je bent braaffff. Grote jongen ben je. Je stond prima voor. Je pakte het haasje niet op. Vanavond mag je weer ff mee naar de buurkonijnen. Als je je nou ook niet meer druk maakt om vreemde katten, ben je geslaagd.'

Voorbij een groepje berkenbomen en aan de rand van adelaarsvarens zie ik twee groengele vogeltjes een grove den invliegen. 't Is bijna altijd 't zelfde met die vogeltjes: ze blijven nooit eens stilzitten. Toch lukt het me om er eentje van te knippen, zelfs driemaal te knippen. Het andere vogeltje, een geler, het mannetje? zat half achter een tak en tuurlijk stelde die klote camera scherp op de tak. (Hoe fijn toch dat een camera niet kan praten!)

Gelukkig laten de adelaarsvarens, waar Fox inmiddels al helemaal in verdwijnt, zich makkelijker fotograferen. En 't zelfde geldt voor bloemen, bomen en struiken.
Adelaarsvarens. Rare hoogopgaande varens zijn het. Ze staan net als bomen, net als beuken en eiken en berken, de lieflijke berken, m'n lievelingsbomen van het Drentse veen, op maar ene voet.

Wat verderop heeft Fox  weer wat gevonden. Opnieuw staat hij voor. Een jonge kauw zit voor z'n pootjes, hipt weg en krast van angst. Dat horen zijn ouders. Die gaan fladderen door de hoge eiken en dennen en ze maken luid kabaal, alsof Fox en ik hun spruit gaan vermoorden.
Fox mag weer af. Ik geef hem een schouderklopje en een koekje als hij ligt. De jonge vogel blieft niks. 'Jij kan wel wat hebben, torenkraai,' praat ik tegen de kauw, en dan klikt het twee keer.

Fox aangelijnd lopen we langs het miniweitje, niet ver van de parkeerplaats. En dan zie ik hem. Hij staat naar ons te kijken. Ik sis: 'Fox afffff...' Als de hond plat gaat, gaat de kop van de bok hoog. Ik sta als de dood zo stil. Hij ook. Wij kijken mekaar aan, de bruine bok (het is pas lente, misschien wordt hij roder in de zomer) en ik. Klik... en klik... en klik... en klik.... En dan komen over 't smalle pad de kinderen aangejoeld, ook op weg naar de parkeerplaats. De reebok blaft 'bö bö'. Tweemaal een diepe blaf. Als je zijn stem niet kent, denk je dat je een hond hoort. De bok springt af. Fox vliegt overeind en wil er achteraan. Niks daarvan! Man en hond rennen naar de auto, want 't is weer veel te laat geworden.

Bolsterturf, maandag 6 juni 2005

76
Kraaien belagen buizerds

Matig geïnteresseerd ruikt erpel aan de voetafdruk. Een vos! Die is hier langs gekomen, heeft door dit hoge gras gelopen. Vanmiddag pas misschien, zo te zien op muizenjacht. Ik speurde daarnet ook al vossenvoetjes in het geel zand van  't bospad en zette m'n hond op 't spoor. Erpel is niet groot, zestien kilo weegt hij. Toch zijn zijn voetafdrukken veel groter dan van een vos, die hooguit de tien kilo haalt.
Het spoor is te oud voor Erpel. Hij is nog lang niet voldoende getraind. Hij verliest meteen de aandacht voor de vossenprenten als ik een konijn opstoot. 'Wrefff... wrefff...' jakkert hij achter het langoortje aan. Ik laat hem maar even doen. 't Konijn schiet een hol in. Fanatiek graaft Erpel in de pijp. Dan zeg ik 'Mooi geweest,' prijs hem en lijn hem aan.

Het rammelt achter me. Ik kijk om. Ik zie een man op een fiets. Een niet lange, magere man. Een zo op 't oog wat ongewone man op een heel gewone fiets, helemaal geen mountainbike of zo. Keihard trapt hij me voorbij, met kromme rug en flinke vaart door het rulle zand, 't moeras tegemoet. In het voorbijgaan kijkt hij me strak aan, maar groeten doet hij niet. Even zie ik zijn smal, diepbruin getint gezicht, zie ik in zijn gele tanden, zijn lichtblauwe ogen. Dan is hij al voorbij. Hij heeft een blauwe broek aan en een versleten donkerbeige regenjas, maar het regende de hele dag nog niet. De lucht ziet blauw met zon en alleen maar witte wolken.
Ik waar de man na. Zijn linkerbeen beweegt wat vreemd. Dat flapt in de cadans van zijn onbesuisde trappen telkens naar buiten en naar binnen. Toch gaat hij hard, flink hard. Hij moet erg sterk zijn, want 't bos is groot en de bospaden lang. Wie en wat is hij?

Buizerds. Op hun grote en brede vleugels zweven ze op de thermiek. Ze glijden, naar 't schijnt langzaam, over bos en akkers, en heen en terug over de jakkeraar op zijn ouwe fiets, en over de jakkerbulderbaan naar oost en west.
Ik hoorde ze, zag ze nog niet. Hun klagend mauwen maakte dat ik mijn ogen open deed, want ik lag languit in 't hoge gras onder grove dennen wat te soezelen. Waakhond Erpel, alias Fox, is in 't veld altijd alerter dan ik ben. Die zat al omhoog te kijken. (Hij heet Erpel, omdat hij op een boerderij in Erp geboren is. Zijn vader woont twee boerderijen verderop. Hij heeft hem nooit gekend.)
Ik lig languit op mijn rug en kijk naar de grote vogels. Dit paartje buizerds. Man en vrouw. Eén van hen heeft een kapotte vleugel, maar 't gracieuze zweven en 't glijdend stijgen en dalen is er niet minder om.
De buizerd glijden lager, zakken naar de bossen toe. Dan zijn er opeens vier vogels. Vier donkere vogels, vier zwarte silhouetten tegen blauw. Twee zwarte kraaien duiken op een grote buizerd. Ze plagen de buizerd. Ze belagen hem, ze duiken er bovenop. Ze jagen hem naar hogere en wijdere luchten. Een luchtgevecht: twee jagers, twee kraaien, twee jachtvliegtuigen belagen een vliegend fort.

Bolsterturf, dinsdag 7 juni 2005

77
Lezen en esdoorn schuin achter achtertuin

 Zowat de hele dag en avond gelezen. Ook wat geschreven.
Wijntje erbij en ook de merels en de duiven en de kauwen en de kleuren van de esdoorn schuin achter de achtertuin.

Bolsterturf, woensdag 8 juni 2005

78
Hoogzit bij horizontale eik

Een hoogzit in 't moeras. Daar neergepoot door een jager die ik wel 'ns ontmoette. Heel aardige man. Hij plaatste de hoge zit om met (kogel)buks en al op te klimmen en daarna met die buks een reebok te gaan schieten.
Ik klom vandaag ook omhoog, de gladde tredes op, voorbij de voetensteun. Viel niet mee, want ik was op sandalen en had de camera op m'n rug. Als de lassen het maar houden, dacht ik. Even zat ik op de hoge zit. De muggen joegen me er af.

Jacht en natuurbeheer. Ik zou willen, dat men wild en natuur eens wat meer liet toedoen hier in Nederland, maar zo veel mensen, zo veel meningen.
Mijn mening? Wordt de reeënjacht verboden, hebben straks stropers helemaal vrij spel. En je hebt stropers en stropers. Er zijn stropers, die 's nachts bij volle maan en winterkou een haas van Japs hei schieten en er zijn er, die hartje lente drachtige rikkes vanuit auto's schieten, om er de kalveren uit te snijden.

Even voorbij de hoogzit viel tijdens oktoberstorm 2002 een eik dwars over het moeraspad. Al drie jaar ligt hij gestrekt, geveld, deze oude eik. Toen hij werd omvergeblazen, namen zijn wortels een grote, platte kluit grond mee omhoog. Die kluit staat nog altijd overeind, twee meter hoog en drie meter breed, nee hoger, breder, als een met moerasgrond gevulde staande hoepel vol voedsel. Ook heeft de eik nog een paar wortels die de aarde ingaan, maar de hoepelkluit kalft af. De wortels in de hoepel komen steeds meer bloot te liggen. De zon krijgt er vat op. Maar doodgaan wil de boom nog niet. Hij vecht voor zijn leven. Elk jaar opnieuw botte hij toch weer uit en vormde hij blad.

Achter de omgewaaide eik is een voor mensen zowat ontoegankelijk vogel- en reewildparadijs. Niemand kan daar zomaar komen, het is daar een wildernis van moer en water en ruige walletjes met elzen, wilgen, bramen en berken. Niemand wil daar komen, niemand behalve Erpel en zijn baas en misschien een jager. Vandaag kan ik er onmogelijk heen, want het water staat hoog en ik heb geen kaplaarzen bij me en de sloten zijn te breed en de zompige putten te diep en de muggen zijn me te kwaad om even uit de kleren te gaan en er naar toe te waden.

Bolsterturf, donderdag 9 juni 2005

79
Kogelgaten in Japs domein

We waagden ons in het hol van de leeuw. We gingen wandelen in Japs domein, zomaar lopen over de grote, stille heide en over de zandverstuiving, de Galgenberg van staatsbosbeheerboswachter Jap. Jap heeft de goede gewoonte om overdag actief te zijn. Heel regelmatig rijdt hij in z'n groene autootje de grote stille heide op. En dan parkeert hij dat autootje op een mooi strategisch plekje, fijn in de schaduw van groene berken en sparren. Zo kan hij met z'n verrekijker heel de hei afkijken en hoeft hij alleen maar geduld te hebben, braaf te wachten op elke onverlaat die de euvele moed heeft om de gebaande paden te verlaten of om de hond niet aan de lijn te hebben. Wil je gaan liggen vrijen in de hei, of loopt je hondje los, speelt het beestje blij om je heen, rent en springt het vrolijk door de hei en over de bentepollen, dan ziet Jap dat door zijn verrekijker en dan ben je de klos. Dan houdt hij je even later staande, desnoods aan, immers het bewijs zit tussen de glazen van z'n verrekijker.
Ach, wij nemen dit Jap niet kwalijk, want hij kan er ook niks aan doen. Hij moet dat van zijn bazen. En reken maar dat die honderd procent achter hem staan..! Nee, niet op de hei, maar op het politieburo. Pas maar op dus, want ben je op de hei en krijg je mot met Jap, dan ben je mooi de sigaar. Dan pakt hij zijn legitimatie en zijn boekje er bij en vraagt hij naar jouw identiteit.
Jap heeft àltijd gelijk. Hij kan verzinnen wat hij wil. Zijn bazen geloven hem. Zelfs als hij beweert, dat jij hem bij de keel greep in een wanhopige poging om hem buiten gevecht te stellen, - je deed dat natuurlijk om een bekeuring te ontlopen - nou, dan geloven zijn bazen van staatsbosbeheer hem nog. En ook zijn superieuren bij de politie geloven hem op Japwoord. Je kan als hulpofficier van justitie moeilijk je ondergeschikte uitslover in het bijzijn van verdachten voor lul zetten, toch?

We staan bij een hoofdingang naar de grote heide.
'Heb je je verrekijker goed ingesteld?'
'Ja, tuurlijk. Jij toch ook?'
'Zekers. Kijk jij links, kijk ik rechts.'
'Links geen groene auto en geen Jap'
'En rechts geen Jap en ook geen groene auto. We moeten wel zorgen dat we zo veel mogelijk in de bosjes blijven.'
'Hihihi...Hahaha... hahahahaaaaaah...'
'Waarom lach je nu?'
'Doe niet zo idioot. Laat die Jap maar komen als hij daar zin in heeft. Betalen we gewoon en eten we met kerst haas van de hei.'
'Ow..!? Hmmm... En braad jij die dan?'
'Welnee, dat doen Arie en Sjan
(namen veranderd) toch altijd voor ons. Waarom sta je nou toch nog door dat ding te loeren? D'r zit hier toch zeker niks, zo vlak bij de parkeerplaats!'

'Jawel, een geoorde fuut... En er zitten kogelgaten in de borden.'
'Kogelgaten in de borden???'
'Ja, grote kogelgaten in de verkeersborden.'
'O ja? Welke gek schiet er nou op borden?'
'De mannen voor wie Jap Smits bang is. Kom, gaan we kogelgaten tellen.'

'Sjonge zeg, ze gingen er dwars doorheen.'
'Ja, ze gebruikten zwaar geschut.'
'Ja, maar zoiets kan toch niet..!?'
'Nee, het zou niet moeten kunnen, maar de Vliegende Brigade, met mannen als Tops en Kattenvilder, is niet meer.'
'Ja, maar we hebben nu toch Jap?'
We kijken mekaar aan en schaterlachen.

Bolsterturf, vrijdag 10 juni 2005

80
Campingeekhoorn en -konijnen

Druk druk druk druk druk. Tussentijdse weekendvergadering van het werk, met koffie, etentje en borreltje. Vrouw wil nieuwe lamellen en nieuwe vloerbedekking. De aansluiting van de campinggasfles lekt en de oude dakbedekking van de caravan moet nog opgeruimd.

Druk doende met het opruimen van de dakzooi, rent er opeens een eekhoorntje heel 't gazon over, een roodbruin met op de flanken grote grijze vlekken. Erpel ziet het beestje niet. Die ligt te pitten. Heel de middag zat hij achter konijnen aan.
Die konijnen, ze vreten de bloemen uit de bloembakken en ze graven in 't gazon. Van mij mogen ze dat, van Erpel niet. En nu is Erpel boos op me, omdat een konijn wel en hij niet van me mag graven in de campingtuin.

Bolsterturf, zaterdag 11 juni 2005

81
Er stond vroeger een herenhuis of boerderij

Een laag bakstenen muurtje en wat bakstenen traptreden. Herinnering aan een bordes. Zomaar midden in de bossen. Dit is het enige wat zichtbaar over is van een oude boerderij, of misschien was het een duur herenhuis. Doorheen de alles overwoekerende bosvegetatie zie je hier en daar nog de, nu ouderwetse, blauwe en bruine tegels. Die zijn vastgemetseld op oud geworden, maar nog knoerhard beton. En achter de vloeren van het hoofdgebouw is de rechthoek van een schuur of paardenstal.
Taai bosgras overwoekerde grijs beton en tegelvloeren. Vingerhoedskruid en vlier groeien nu tussen kieren en in hoeken. Tegen een stukje zijmuur krabde een ree zich een rustplaats en zowat in 't midden van schuur of paardenstal stoot Erpel een zich drukkend konijntje op.

Even verderop staan daar grote rododendronstruiken. Die doen het goed. Die doen het keigoed in het stille bos, in dit zalig stukje bos waar zelden mensen komen.
Ze bloeien laag en hoog en ze bloeien groot en breed, oude, hoge, gezonde, diepgroene rododendronstruiken met warme weelde van roze bloemenpracht.

Ze vielen me op toen ik bij het ondiep Eilandven stond. Twee berkenbomen. De één propvol blad en de ander kaler. Eerst dacht ik aan eik plus berk, maar dichtbij gekomen bleken het toch echt twee berken te zijn.
Stil staan ze daar aan 't ondiep water, het duo Berk, elke dag opnieuw. Ze hoeven nooit te werken en hebben geen weet van motorzaag en kapbijl.

'Zou ik berk willen zijn?' vraag ik aan mezelf als ik even later wandel tussen bos en rog, maar ik vergeet de vraag al gauw. Een paar pieperachtige vogeltje vliegen uit de rog, de randdennen in. Klein en grijs zijn ze, met overlangse zwarte streepjes en een beetje kuif. Erg schuw zijn ze niet, maar wel voorzichtig. En ze willen maar niet op de foto. Ze vliegen telkens heen en weer, van boom naar boom. Het lukt me niet om er dicht bij te komen.

Dan, op mijn weg naar de pinda, boven ven en bos opeens, heel even maar, een rappe rover met lange staart achter een duif. 'Domme valk, die is toch veel te groot voor jou!' denk ik. Als de duif de bossen in duikt, geeft de boomvalk de achtervolging op. Hij zwenkt en zwiert wat over 't ven en gaat dan, hoger in 't blauwwit, jagen op muggen en libellen.

Bolsterturf, zondag 12 juni 2005

82
Gemeente Someren liegt eigen bosbeheer

De bomen met de rode strepen. Ze waren allemaal al gemerkt, ten dode aangetekend. In de laatste winter, in februari, of eerder nog, toen er wat sneeuw in Brabant lag en het vroor, is de ambtenaar met het grote rode potlood langs geweest. De hazen en reeën rontelom het Keelven, in 't bosgebied tussen provinciale weg en Sterksel, hadden toen nog geen jongen en de vogels geen eieren en kaal grut.

Laatste herfst en winter stonden de gemerkte bomen nog allemaal overeind, stil geduldig, wachtend op de lente, de lente die komt na elke winter, de lente die warmte brengt en milde regen, de lente die komt met nieuw jong leven.
Ze botten uit, de berken en de beuken, de eiken en de dennen. Ze stonden allemaal mooi en hoog en groen te wezen in dit bos vol wild en bomen en vogels en borden.

Vogels nestelden in dit natuurontwikkelingsproject Keelven e.o. Ze legden eitjes en voerden hun kwabben. En haasjes en reekalfjes werden er door hun moeders gezoogd en, vanwege zaag- en kapgeweld, in de steek gelaten.
En de dagjesmensen kwamen en komen naar de bossen en de vennen, de bossen waarin ze niet mogen lopen en de vennen waarin ze niet mogen zwemmen, en ze lazen en lezen misleidende tekst op de gemeentelijke borden.

Toen het - weekje terug ongeveer - volop lente geworden was, bijna zomer al, werden mannen naar het bos gestuurd. Die mannen deden en doen wat hun door Bosgroep Zuid Nederland of de gemeente Someren werd opgedragen. Die mannen denderden en denderen met zware machines en kettingzagen de bossen in. Ze zaagden en zagen alle met rood gemerkte bomen om. Sommige bomen, een paar maar, die met blauwe stip, moesten beslist blijven staan. Maar veel bomen die niet moesten omgezaagd werden en worden vernield. Kapot gemaakt. De bosarbeiders jakkerden en jakkeren met zware wagens en bomentanks dennetjes en berken plat. Gewoon er overheen walsten en walsen ze. Nu liggen die boompjes groen en plat. Zo eren zij het Somerens bosbeleid.

Een eikenboom op een mini eilandje. Hij staat relatief veilig. Hem kunnen motorzagen niet bereiken. Maar ach, hij zal toch doodgaan. Het hem door de geleerde ambtenaren ten dorpshuize Someren toegemeten grondgebiedje is te klein. Dit eilandje kalft af. Het kabbelend venwater heeft er z'n grip op. De wortels van de eik proeven al dat water. Hij zal verdrinken, of door schimmels worden geveld.

Als ik bijna bij m'n pinda ben, is daar een groep spreeuwen. Op de wei bij de parkeerplaats. De spreeuwen doen me ergernis en politiek en ambtenarenonbenul vergeten. Zij maken zich niet druk om bomen. Ze reppen zich over de wei, rap door 't groen. Eentje komt op me toe. Hij is de enige die op de foto wil.

Dames en heren politici en ambtenaren van de gemeente Someren, U bent goed in bos- en bomenborden, maar U geeft blijk geen inzicht te hebben in dier- en boomvriendelijk beleid. En U hebt geen gevoel en eerbied voor de natuur, want met grof geweld bosbomen kappen hartje lente, dat is 'NOT DONE'.

Bolsterturf, maandag 13 juni 2005

83
Eén dik wit schaap en vier magere zwarte

Eén dik wit schaap en vier magere zwarte schapen. Paar dagen terug stonden ze te blaten in de late avond, aan de rand van 't moeras, in een weitje in het onland. Ik liep naar ze toe en zij kwamen op mij toe en schapen en ik schaarden ons rond een oude, donkerblauwe ton waar water in zou moeten zitten. Die blauwe ton, zo oud en zo leeg, een stokoude blauwe ton meer groen en bruin dan blauw. Het is een grauwbruin en geelgroen geworden blauwe ton, bruin en geel en groen van verdroogde, dode mossen en wieren, want de junizon is sterk en heet.
Een ook blauwe, nieuwblauwe emmer, stond even verderop op z'n kop in de wei, een meter of drie van de sloot. Die emmer was dus ook leeg. De schapen keken me met hun grote schapenogen allemaal aan en blaatten, vragend, klagend.

Op het ruige, onverharde pad naar 't onland kwam ik - maar vijf mins voordat ik de schapen hoorde blaten - een zwarte bmw tegen. Daar zaten twee mannen in. De eigenaar van het stukje onland was één van hen. De andere man ken ik niet. Waren die twee de auto niet uit geweest? Vergaten zij om naar de schapen te kijken? Hadden ze zelf erge dorst en zin in bier? Waarom vulden zij ton en emmer niet?

Ik vulde emmer en ton.

Vandaag, terug in 't onland, was de ton daar nog, flink minder gevuld, maar emmer en schapen waren weg.

De schapen. Verkocht? Geslacht?

Bolsterturf, dinsdag 14 juni 2005

84
De wilde kamperfoelie bloeit

Wilde kamperfoelie. Deze klimplant bloeit nu volop. Zijn grote, gele trompetbloemen zijn een lust voor 't oog. Ze vallen me op als ik - speurend naar reeën - over een halfverhard pad het moeras in loop. Hoe mooi opvallend zijn ze toch! Al dat kamperfoeliegeel tegen achtergrond van groen en van witte bramen- en vlierbloesem! Goudgele weelde! En ze ruiken zo sterk, die kamperfoelietrompetjes, wel zo sterk en krachtig als lelietjes-der-dalen, maar 't is toch een heel andere geur. Minder moeilijke geur, minder geprononceerde geur, vind ik. Aahhh, wat is het toch ontiegelijk moeilijk om geuren te duiden.

Ik las, dat kamperfoelie 's nachts het sterkst geurt en dat de grote pijlstaartvlinder gek op kamperfoelie is, maar de vlinders schijnen het vandaag te nat of te koud te vinden om nectar te gaan zuigen. Ik zie er niet eentje.

Wel vind ik reeënprenten op het pad. Erpel snuffelt er 'ns aan. Die heeft een reukzin zeker duizend keer zo goed als de mijne, maar voor bloemen interesseert hij zich nul komma nul. Wel voor reeën, maar voor deze hoefafdrukjes heeft hij weinig belangstelling. Ze zijn te oud. Dan duikt hij een braamstruik in en gaat achter een konijntje aan. Ik roep hem terug en geef hem een van thuis meegenomen spierbot. Trots houdt hij het tussen de kaken. Tot we twintig mins later thuis zijn.

Bolsterturf, woensdag 15 juni 2005

85
Hooibeestjes in bloemenweeldewei

Hooibeestjes in en boven bloemenweeldewei. Op maar tien minuten fietsen van huis. De roestbruine vlindertjes spelen en dartelen over grassen en bloemen, maar ze houden me goed in de smiezen. Het lijkt wel of ze kunnen kijken met hun grote vleugeloog! Telkens als ik de camera richt, fladderen ze al weer naar een andere boter-, zuring of weegbreebloem. Als Erpel even een sprintje trekt, gewoon van louter dolligheid, wolken er tientallen uit kleur- en pollenrijke bloemen- en grassenovervloed. Rode zuring en gele boterbloemen lokken met bonte, felle kleur, maar de hooibeestjes trekken 't meest op de meer bescheiden, smalle weegbreebloemen.

Ik kijk op m'n horloge, half zes al. Ik pluk één koekoeksbloem en doe die in de fietstas. Dan lijn ik Ep aan en fiets naar huis. Ook hij heeft haast, want honger.

Bolsterturf, donderdag 16 juni 2005

86
Reebok en reegeit niet op de foto

 'n Donkere en sombere, maar zachte lentemorgen. Tussen zeven en acht met Erpel op stap. Uit egaalgrauwe lucht valt soms wat motregen. Op de hoge zandrug, waarachter het moeras begint, spelen wat konijntjes. Erpel ziet ze en rakt ze hun holletjes in. Een roodborst zingt, hard en schel, en in de rietkragen doen de rietzangers goed hun best, maar wat zijn de muggen kwaad! Ze steken in mijn hoofd, handen, armen en benen.

Ik kijk uit over 't hoge gras van een drassig weitje en vind wat ik zoek op ongeveer zeventig meter voor me: een ree. Het is een bok. Ik zie zijn oren en geweitje als hij even z'n koppie heft om te zekeren. Hij zekert vaak. En hij speelt verstoppertje. Zo zie ik hem helemaal niet en zo zie ik zijn (aan boombast bruin geschuurde) kroon tussen de lange, beweeglijke oren. Door de kijker zijn de stangetjes iets hoger dan de oren. Hij is een gaffelbok, een reebok met aan elke stang twee enden.

'Het is wat ver voor een foto. En de grashalmen staan in de weg. Kom op, Erpel! Vrij..! Zoekkkk..!' Ep rakt het lange gras in. Hij verdwijnt er in, maar hij springt hoog en hoog. Hij danst op z'n achterpootjes om over het gras heen te kunnen kijken. Dan wordt hij gezien. De gaffelaar schiet de dekking in. Ik zie hem in de zoeker van de camera, maar de dekking is vlakbij. Twee, drie grote sprongen en weg is bokmans.

Ik was te langzaam, of hield onvoldoende voor. In het quick view venstertje van de camera  staan alleen maar grassen en wilgen. Dan hoor ik hem. 'Bö bö bö'. Ep wil op hem af, achter hem aan. 'Hier..!!!  ... Sorry Ep, hij is zo wel genoeg geschrokken. Misschien redde jij hem. Is hij nog voorzichtiger geworden. Krijgt hij deze zomer niet de kogel.'
Als Ep en ik even daarna verder gaan, scheldt de roodbruine gaffelaar nog altijd, vanuit de voor hem veilige riet- en elzen- en wilgenwildernis: 'Bö bö bö... Bö bö bö... Bö böö... Böö '. Ik lach, maar Ep kijkt sjaggie.

Een kwartier later. Op het weitje waar vorige week één wit schaap en de drie zwarte schapen dorst stonden te hebben, staat nu een rode reeigeit. Zij laveit rustig en zekert minder vaak dan de bok van daarnet. Ik besluit haar te besluipen en gebied Erpel 'Afffff..!'.
Mijn sluipen mislukt. Muggen en blinde vliegen steken me en er staan brandnetels in de weg. Als ik een blinde vlieg doodklets hoort de geit dat en springt af.

Ik wou te vlug, ik was te onvoorzichtig. Ik was niet mug- en niet vlieg- en niet brandnetelbestendig. En ik was weer te langzaam. Op de foto staan alleen maar twee ranke, rode achterbenen.

Bolsterturf, vrijdag 17 juni 2005

87
De dood van een heidehagedisje

Een zomerse lentedag. Tussen drie en vijf met vrouw en Erpel over de hei gewandeld. Er liep daar verder geen mens. Op de fiets- en voetpaden was het drukker.

We zaten op een houten bankje aan een doorgaande zandweg en zagen mensen voorbij komen, de meesten stug kijkend en bejaard. Kinderen waren er niet bij. Maar een enkeling groette. En ook zagen we twee karren volgeladen met schreeuwerige campinggasten. Voor de karren sjokten kleine, stille, bruine paarden. Blijer werden we er niet van.

We lagen in de hei, in hoge hei bij een ondiep ven. Reigers waren daar aan het kikkervangen. Telkens wanneer Erpel het water in rende, gingen de reigers op brede wieken hoog, om wat verderop weer kikkers te gaan vangen.
'Hier zit geen vis.'
'Nee, het water is te zuur.'
'Erg veel kikkers zijn er ook niet.'
'Nee, die langnekken vreten ze op.'
'Ik lust graag bief, maar kikkerbillen hoef ik niet.'
'Wil je dan reiger?'
'Getver! Nee, maar wel rosé en toastjes en kaasjes en zalm.'
'Lekkerbek ben je. Kom, gaan we naar huis.'

We liepen over de hei naar de parkeerplaats. Fel en heet brandde de zon. Erpel had er geen last van. Hij rakte links en rechts door hei en bunt, en ook door greppel, sloot en ven.
'Wa's het toch heet!'
'Ja, 't is net of het op de hei altijd warmer is dan in de bossen.'
'Da's ook zo, want daar is schaduw. Was je liever naar de bossen gegaan?'
'Nee, tuurlijk niet. Hee, kijk! Een hagedisje.'
'Waar?'
'Daar! Het kroop onder die pol hei.'
Toen ik bukte en met een stok in 't polletje peuterde, zag ik ook het hagedisje. Snel schoot het weg, naar buurpol hei.
'Ja, een hagedisje. Lang geleden dat ik er eentje zag.'
'Ja, maar toen stond je er met je grote voeten op.'
'Ik weet het, maar kon er niks aan doen.'
'Nee, je kon er niks aan doen.'
'Nee.'
'Je deed goed het helemaal dood te maken, want 't kon niet meer lopen.'
'Ja.'

Bolsterturf, zaterdag 18 juni 2005

88
Gierzwaluwtjes kijken in de achtertuin

Gierzwaluwtjes. Zwarte silhouetjes tegen 't avondblauw. Elke avond kijk ik even naar ze, maar niet 't hele jaar door. Ze zijn bij ons van half mei tot eind juni, een dikke maand maar, om eitjes te leggen in slordige nestjes, met speeksel tegen de gevels van wat oude dorpshuizen vastgeplakt. Overwinteren doen ze in Afrika.

Ze zijn er al, de jonge gierzwaluwen. Je kan ze herkennen aan hun mattere teint en aan hun langzamer vliegen. En als je dan 's avonds naar ze kijkt, ze ziet zwieren en kringen en wentelen en glijden en muggenhappen, dan kan het gebeuren dat er ook een uil, vleermuis, buizerd, boomvalk of sperwer langs komt. Of een groot, laag vliegend vliegtuig, of een luchtballon, zo'n groot, felkleurig, nijdig sissend rond geval met een mandje mensen bungelend eronder.

Erpel haat luchtballonnen. Hij verschoot er als puppy van, toen hij zat te dromen in de tuin. En als dan zo'n ballon over glijdt en als Erpie dan gaat blaffen, dan blaft sjaggie buurman rechts tegen Erpie, en dan zeg ik proost en drink een glaasje ongezoet op de tolerantie.

 Bolsterturf, zondag 19 juni 2005

89
Vrouw, kater en vlier

'Ik was even naar de camping. 't Is me allemaal te kaal.'
'Te kaal? Wat te kaal?'
'De campingtuin. 'k Was er vanmorgen. 't Groeit allemaal voor geen centimeter. Alles hebben ze te diep gezet. De klojo's!'
'Maar we hebben pas nog bessen- en vlinderstruikjes gekocht. En in de hortensia's zaten al knoppen.'
'Toch staat alles te diep, maar 'k kan nu niks verzetten.'
'Maak je 'ns niet zo druk. Ga straks maar fijn met Erpie naar de bossen, boompjes zoeken. Verzetten we die van 't najaar.'
'Goed idee. Welke bomen wil je allemaal? Beuken, eiken en essen worden te groot.'
'O? Maar er zijn toch ook berkjes, lijsterbesjes, sparretjes, lariksjes en vliertjes?'
'Vliertjes? Vlieren stinken!'
'Welnee joh, doe niet zo mal. Vlieren hebben gewoon een lekkere, ietwat doordringende geur. En ze houden muggen en vliegen weg. Ik zet je zo wel even af bij de Verboden Vennen.'
'Haal je me dan ook weer op?'
'Als je tot vanavond vijf uur daar wil blijven wel.'
'Ben je mal! Ik loop wel over de hei terug.'
...
...

'Joehoeee, ik ben thuisss...'
'Fijn! Hoi! Hoe was het op je werk?'
'Gewoon, maar weet je, Tiny zei, dat...  Snif.. snif... Aaahhhh, vieze piskater! Naar buiten met jou! Vort! Ophoepelen!'
'Wat doe je nou?'
'Man, de hele kamer stinkt naar katerpis.'
'Katerpis? Ik ruik niks.'
'Getver..! Hij heeft ook op de trap gezeten! Snif... snif...'
...
...

'Turf! Hier komen!'
'Heeft hij in bed gezeikt?'
'Gooi onmiddellijk die vieze stinkvlieren weg!'
'Vieze vlieren? Maar je zei dat ze lekker ruiken... En dat ze vliegen en muggen weg houden.'
'Gooi weggg..! Weggg! Weggg!'
'Ja maar, ik wilde ze worteltjes laten krijgen. Hoef ik ze van 't herfst op de camping zomaar in de grond te duwen.'
'Gooi weggggg...'
...
...

'Poes? Poes, poeoes, poeoeoes? Brammetje? Brammetje? Brammetjeeeee? Kom maar lieve Brammetje, krijg je leverworstjes van het vrouwtje.'

Bolsterturf, maandag 20 juni 2005

90
half tien in de avond van de langste dag

half tien in de avond van de langste dag. We waren naar de camping. Jij gaf struiken, bomen en bloemetjes water. Erpel groef naar konijnen. En hij snoepte van hun keuteltjes, maar hield daar mee op toen hij een knauwbot kreeg.
Ik meende te gaan lezen in De boeken der kleine zielen.
'Wat ga je doen?'
'Lezen. Louis Couperus.'
'Je zou het stoepje opnieuw gaan leggen!'
'Ow?'
'Ga er maar aan beginnen. Beloofd is beloofd.'
Ik tegelde twee uren. Daarna sproeide ik ons gazonnetje, terwijl jij belde naar L. en M. en pizza's bestelde.

Nu zijn we weer thuis, zitten we buiten, in de achtertuin. Jij met een witbiertje en ik met mix van rivella en bavaria pils. Gierzwaluwtjes zwieren hoog boven ons. Lager in de lucht, en meer naar 't westen toe, roeien roeken en kauwen, de ondergaande zon voorbij, noordwaarts. Een brutale mussenman strijkt neer op de schutting. Hij gluurt over m'n schouder mee: 'Nu, plotseling, ging hij tot haar kamer, waar zij na den eten een ogenblik was, vóor het thee-uur, waar hij haar dikwijls vond om met haar te zijn, een moment alleen, en hij vond haar: zij zat lusteloos in een stoel, en de kamer was donker, ...'
Ik kijk naar waar de zon verdween achter 't overbuurhuis, en ik beweeg het boek richting mus.
'Waarom jaag je dat musje weg?'
'Hij las mee.'
'Nou zeg! En waarom..? Luister..! Een merel!'
Een merel zingt op de gemeentelijke lantaarnpaal achter onze achtertuin, de lichtbron die ik haat, omdat ik houden kan van schemer en van donkerte.
'Ik hoop, dat de jong hem kapot gooien.'
'Wie? Die merel?'
'Nee, die k.tlamp.'
'Let een beetje op je woorden! De buren zitten ook buiten. Al dat lezen is niet goed voor je. Zie je die duiven?'
'Ja, blauwen en veldvluchters.'
'Veldvluchters?'
'Ja, dat zijn tamme duiven, die buiten in 't vrije veld hun kostje moeten zoeken.'
En toen ging voor in 't huis de pizzabel.

Bolsterturf, dinsdag 21 juni 2005

91
Zonnewendezomerborstenzwempartij

Zonnewendezomerweer. Lome middaghitte zindert over de akkertjes en weitjes tussen huis en hei, maar gras en maïs hebben geen grote dorst. De boeren hebben hun beregeningsinstallaties, grote, lompe, hoge bouwsels. Die pompen grondwater op en waaieren het tientallen meters in de rondte.

Op de hei staan de kleinste kikkerpoeltjes al weer droog. Als Erpel en ik het borstenven naderen, staan daar reigers te wachten op magere kikkers. Overal waar een week geleden nog zompjes waren, is nu de bodem groen en rood, rood van duizenden zonnedauwtjes die ook aan 't wachten zijn, op mugjes en vliegjes. Maar naar 't borstenven toe bloeit tussen bunt en berkjes de dophei rozepaars.

Erpel en ik staan in de boezem van het borstenven. Ep rakt de borsten rond en vlijt zich dan, een paar meter uit de oever, in het donkere, koele water. Ik kijk naar hem en naar twee zwarte kraaien. De kraaien zetten zich in de kale takken van een grote, dooie berk.

'Zolang die twee daar zitten, hebben wij de hei voor  ons alleen', zeg ik tegen Ep. 'Kom op, gaan we samen zwemmen.' Ik schop m'n sandalen uit, hang hemd en broek en broekje over een grote rus en waad het water in. De eerste tien meter zijn ondiep. Opeens wordt het dieper, staat het water tot aan mijn nek. En dan zwem ik twee rondjes borst. Vier Erpelpootjes roeien met me mee. Wat kokmeeuwen krijsen boven me. Da's niet erg, want de kraaien blijven rustig zitten.

In 't midden van de rechterborst kan ik weer staan. Tussen m'n tenen voel ik wier. Ik kijk naar benee en zie voorbij een wurmpje twee blote voeten. Heel onduidelijke voeten, heel wazige, alsof ze van een ander zijn. Dan duik ik en zwem een eindje door het wier. Boven me reppen Erpies pootjes. Hij is me kwijt, maar weet dat ik altijd weer boven kwam, ook in dieper water. En als ik dan boven kom en hij op mijn schouders klimt, me likt over hoofd en ogen, voel ik me heel even een kleine god, Neptunes zonder vork.

Bolsterturf, woensdag 22 juni 2005

92
In memoriam Freya

'Hoeveel jaar is ze nou bij ons geweest?
'Twaalf. Toen ze bij ons kwam was ze minstens drie.'
'Ze kan ook ouder zijn geweest?'
'Ja, want M. had d'r ook al een dik jaar. Die haalde ze uit 't asiel.'
'Is 't zo diep genoeg? Wel opletten of er iemes langskomt.'
'Maak nog maar wat dieper.'
'Ja, maar die klote wortels.'
'Ja, je wordt ook al wat ouder, hè? Moet ik ff graven?'
'Nee! En ik voel me 23!'
'Weet je nog van die keer dat ze op de kast zat?'
'Huh?'
'Ze zat op de kast en aaide over je pas gemillimeterde kop. Hihihi.'
'Aaide? 't Bloedde flink en ik liep een week voor lul. Als ik ze toen te pakken had gekregen had ik dit gat eerder moeten graven.'
'Praat toch niet altijd zo grof. Je lijkt zo wel een puber'.
'Ow? Zo diep genoeg?'
'Ja, maar je moet de bodem wel goed vlak maken.'
'Doe ik.'
'Fijn.'
'Zo goed?'
'Ja, diep en vlak.'
'Geef ze maar.'
'Nee.'
'Nee?'
'Nee, ik leg haar er zelf in.'
'Ze was net zo goed mijn kat.'
'Ja, maar ìk leg haar er in.'
'Vrouwen!'
'Doe niet zo onverschillig. Snif snif snif.'
'Toe maar, huil maar ff. Dat lucht op. Gooi ik vlug 't gat weer dicht.'
'Wat kan je toch grof doen. Snif snif. Hoeveel liggen er hier nu? Snif.'
'Vijf hond en twee katten. Boris en Nouska, Feiko en Glitter en daar, iets naar rechts, Ukkie'.
'Ja, en links Brammetje. M. en jij vonden die bij 't woonwagenkamp.'
'Ja, Freya is nummer zeven.'
'Een poes is geen nummer. Snif snif.'
'Nee, een hond ook niet. Kom op, bladeren en naalden zoeken. We moeten 't graf camoufleren.'
'Ja, snif snif snif'.
'Weet je nog van die keer toen Boris thuiskwam met een groot bot van achter 't katholieke kerkhof. Ik vraag me nog altijd af van wie dat bot was.'
'Hou op! Ik wil het daar nooit meer over hebben!'
'Sorry. Ze ligt hier prachtig. Ons stoppen ze weg op volle kerkhoven om na een jaar of wat weer te worden opgegraven,  of ze stoken je op.'
'Hou op!!! Snif snif, dag Freya, snif snif'.
'Freya, je was een goede kat, rust in vrede. Zullen we gaan?'
'Nee, je hebt nog geen kruisje gemaakt in de eik.'
'Oei! 'k Ben m'n mes vergeten.'
'Dom van je.'
'Dom? Kan morgen toch ook?'
'Nee, snif snif, ga maar halen thuis, ik blijf hier intussen wel wachten met Erpie.'

Bolsterturf, donderdag 23 juni 2005

93
Lentekoninkjes in kamperfoelie

'Tserrr tserrr tserrrrrr...' Een drukte van belang in de kamperfoelie langs het puinweggetje naar 't moeras. Pa en ma winterkoning geven net hun kroost vliegles als Erpel en ik langs komen.
De ouders zijn bang voor mens en hond. Ze maken zich druk. Ze gaan te keer. Ze raken in paniek. Ze flitsen heen en weer, over 't pad en door de ruigte aan weerszijden.
Ook de jonkies - lentekoninkjes pas - vliegen al. Wat onbeholpen snorren ze van boom en struik naar and're boom en struik. Telkens een meter of tien, twintig ver. Goed sturen kunnen ze nog niet, want ze hebben nauwelijks staartje.
Dan zie ik er eentje zitten in kamperfoelie. Knip knip knip en 'Kom op, Ep, wegwezen hier!'

Bolsterturf, vrijdag 24 juni 2005

94
Parende phegeavlinders

Phegeavlinders. Midden in de mooie zomerdag fladderen ze rond de Verboden Vennen. Het lijkt wel of ze dronken zijn, zo onbeholpen, zo stuurloos verplaatsen ze zich. Veel lijken er halfdood te zijn. Sommigen zijn zeker dood, die liggen kikdood op de bosbodem.

De vlinders, ze hangen aan elkaar en aan de bosgrassprieten. Ze zijn aan 't paren, hun lange achterlijven raken mekaar. Ze paren schaamteloos en overal, zomaar langs de paden. Suf van lust laten ze zich op de foto zetten.

Bolsterturf, zaterdag 25 juni 2005

95
Uw witte rok trok ik omlaag

Steekvlammen, o gezellin,
lekten naar Uw lief gezicht.
't Vuur brandde fel en licht,
maar U was moe en sliep in.

'k Speelde Willem Zwijger,
streelde stom Uw dij en wang.
U hoorde nooit de reiger-
schreeuw en was niet bang.

Nachtuil wekte U. Traag
doofde 't vuur, nièt in mij.
Ik zoop Uw wijn heel graag.
Uw witte rok trok ik omlaag,
en, lachend zat, genoot ik blij
Uw rosé en billen bei.

Bolsterturf, zondag 26 juni 2005

96
Bezopen tekenverzamelaars

Het is mooi, zonnig weer. We lopen van de parkeerplaats naar de Verboden Vennen en komen voorbij een bankje in de bosrand.

'Er ligt een man onder dat bankje.'
'Ja, ik zie hem. En ik zie ook iemand onder die boom liggen.'
'Zouden ze slapen?'
'Ik denk het. Kijk, op 't bankje staat een fles wodka.'
'Ja, en een glas... Zou daar ook wodka in zitten?'
'Ik denk het. Kijk maar, 't glas is voor een kwart vol.'
'Sjonge zeg!'
' 't Zijn twee Polen, denk ik. Die zuipen altijd wodka.'
'Nou lekker zeg. Getver.'
'Goede wodka is een zuivere drank. Je ruikt het niet als iemand er een fles van op heeft.'
'Ja, wist ik. Maar lekker hoor, met al die mieren en teken.'
'Ja, het stikt hier van de teken. Ep heeft er niet voor niks zo veel last van. Zelfs dat tick it helpt niet helemaal om die krengen weg te houden.'
'Let een beetje op je taal! Maar dit kan toch niet?'
'Je ziet dat het kan. Ze voelen de teken nog niet. Die wandelen nu in hun hemd en broek.'
'Getver! Wat akelig! Die beestjes kruipen overal in.'
'Ja, ze kruipen in elke spleet en in elk gaatje.'
'Hou er nou maar over op.'
'Weet je nog dat ik er eentje bij m'n navel had. Jij groef die er toen uit.'
'Ja, maar nu ander onderwerp. Kijk! Een groene specht.'
'Ja, die lust teken. Misschien hebben die mannen morgen allebei wel honderd teken. Hebben ze wat te graven.'
'Getver. Hou op! Je kan er de ziekte van Lyme van krijgen.'
'Weet ik, maar die kreeg ik niet.'
'Gelukkig niet.'
'Nee, want jij bent goed in graven.'
'STOPPEN! NU!'

Op de vennen zaten wat eenden. Verder was er niks te zien dan een paar witte kwikjes en gewone vinkjes, plus wat gaaien en kraaien. Toen we op weg naar de auto weer langs het bankje kwamen, lagen de mannen allebei in de bosjes. Eentje snurkte.

'Hij lijkt wel een varken.'
'Ach, ik snurk ook wel eens.'
'Als je het lef hebt, krijg je een por en een tik.'
'Ow?! Ook een tik?'
'Ja!'
'Ik denk dat die kerels inmiddels allebei al wel vijftig teken hebben.'
'STOPPEN! NU!'

Bolsterturf, maandag 27 juni 2005

97
Muggenprooi

In de late avond even met Ep naar het schapenweitje in 't moeras gegaan. Op een haas, een kraai en vliegen en muggen na, was 't groen stukkie onland leeg.
Te voet terug naar de pinda kwamen ons een man en jonge vrouw tegemoet. Hij in degelijke broek en hemd met lange mouwen; zij in korte gele rok en dito mouwloos bloesje. Heel even wenste ik mug te zijn.

Bolsterturf, dinsdag 28 juni 2005

98
Roodstaart en zomerregen

Zacht getik op 't plat dak. Welkome zomerregen. Verder is de nanacht stil. Opeens, heel onverwacht, is daar het knarsend ietwat sissend tetetetet-kssjkssj-tetet van de zwarte roodstaart. Ik kijk omhoog, ik zie beton en steen, maar nergens vogel. Dan gaat de telefoon. Ik moet weer aan het werk.

Bolsterturf, woensdag 29 juni 2005

99
Met kersen naar de fietsenmaker

Een drukke dag. Schuur opgeruimd. Zolder opgeruimd. Tuin gedaan. Grof vuil aan de weg gezet: veertig euro lichter.

Ik loop met Ep en fiets met lekke band naar de fietsenmaker. (Ik fiets niet.) Het is stil in 't dorp. Paar auto's maar bij de weg. Ik kom voorbij kastanjebomen en linden. De kastanjes zijn uitgebloeid en vormen vrucht. De linden geuren zacht en zoet.
Ik zie een vrouw op een ladder staan. Ze is kersen aan het plukken. Ik spreek haar aan, want ken haar van het IVN. Ze geeft me een grote zak met zwarte kersen.

Bolsterturf, donderdag 30 juni 2005

index juni 2005
0070 01-06-05 Weggemoffeld tussen roggehalmen
0071 02-06-05 Zwarte kraaienjong
0072 03-06-05 Middagje dierentuin Overloon
0073 04-06-05 Zaterdagmiddagheideonweerregenwandeling
0074 05-06-05 Kokmeeuwen boven verboden vennen
0075 06-06-05 Kinderen, haasje, reebok en kanarieachtig vogeltje
0076 07-06-05 Kraaien belagen buizerds
0077 08-06-05 Lezen en esdoorn schuin achter achtertuin
0078 09-06-05 Hoogzit bij horizontale eik
0079 10-06-05 Kogelgaten in Japs domein
0080 11-06-05 Campingeekhoorn en -konijnen
0081 12-06-05 Er stond vroeger een herenhuis of boerderij
0082 13-06-05 Gemeente Someren liegt eigen bosbeheer
0083 14-06-05 Eén dik wit schaap en vier magere zwarte
0084 15-06-05 De wilde kamperfoelie bloeit
0085 16-06-05 Hooibeestjes in bloemenweeldewei
0086 17-06-05 Reebok en reegeit niet op de foto
0087 18-06-05 De dood van een heidehagedisje
0088 19-06-05 Gierzwaluwtjes kijken in de achtertuin
0089 20-06-05 Vrouw, kater en vlier
0090 21-06-05 half tien in de avond van de langste dag
0091 22-06-05 Zonnewendezomerborstenzwempartij
0092 23-06-05 In memoriam Freya
0093 24-06-05 Lentekoninkjes in kamperfoelie
0094 25-06-05 Parende phegeavlinders
0095 26-06-05 Uw witte rok trok ik omlaag
0096 27-06-05 Bezopen tekenverzamelaars
0097 28-06-05 Muggenprooi
0098 29-06-05 Roodstaart en zomerregen
0099 30-06-05 Met kersen naar de fietsenmaker


Bolsterturf © bolsterturf.nl

IntroHoofdpaginaInhoudsopgaveNatuurdagboekRecentVideoHoogzitten en jachthuttenMuziekGedichtenOver bolsterturf en Bolsterturf
Stukjes tekst, video's en foto's van bos, hei en waterkant; over grasduinen en struinen in natuur en veld, over zon en wind en buiten zijn
<<<<<<<<<<<<<< Home >>>>>>>>>>>>>>