<<<<<<<<<<<<<< Home >>>>>>>>>>>>>>
Stukjes tekst, video's en foto's van bos, hei en waterkant; over grasduinen en struinen in natuur en veld, over zon en wind en buiten zijn
IntroHoofdpaginaInhoudsopgaveNatuurdagboekRecentVideoHoogzitten en jachthuttenMuziekGedichtenOver bolsterturf en Bolsterturf

Bolsterturfs natuur

B o l s t e r t u r f s  n a t u u r

Dagboek juli 2005

100
Geveld door storm en door braam en kamperfoelie overwoekerd

Oktober 2002
Storm over het moeras. De machtige eik vocht. Hij was sterk en hoog en dik en wilde niet dood. Hij wilde blijven leven, de wilde wind overwinnen en in de lente weer eikels gaan maken. Hij versterkte zijn greep in zandkop rond riet en elzen- en wilgenwildernis. Hij greep zich vast in de harde, gele bodem en hij - grote Goliath - bleef overeind.  

De storm verzamelde ook al zijn krachten en ging gemeen doen. Hij liet zijn stormwind draaien om de eigen as. Hij - dronken, woeste duivel - greep de eik bij zijn geweldige nek en kruin, kreeg er vat op, maar toch weigerde de machtige boom om de nek te breken. Nee, deze eik wilde niet zomaar omwaaien of breken. Maar in plotse vlaag van wildste woestenij haalde de storm dieper adem, verzamelde meer en meer wind en draaide met woeste ruk de eikenstam kapot. Hardhout kraakte en splinterde en toen, alsof reus met gebroken been, viel de grote Goliath.

Juli 2005
Mensen maakten af wat storm niet voor mekaar kon krijgen. Boswerkers kwamen met cirkelzaag op gifgroene wagen en zaagden de stam af, op de plaats waar hij brak. Sindsdien wijst wat over bleef van de eik, van de eikenstam, met verwrongen, gespleten, kapot gedraaide stamtentakels naar de hemel. De dikke stam werd intvisarmen.  

Braam en kamperfoelie groeien hoog tegen wat over is van gevallen, maar nog levende, keiharde eik. Zal de eik nu spoedig sterven? En wie van beiden zal winnen, wie als eerste de hoogste tentakeltop bereiken? Braam of kamperfoelie?

Bolsterturf, vrijdag 1 juli 2005

101
Als 't vliegt is 't blauw, als 't zit is 't wit

't Is drukkend en benauwd in 't zomerbos, en 't begint te regenen. Wij wandelen van verboden ven naar verboden ven. Erpie rakt door 't onderhout. Jij loopt voor me uit, over 't smalle pad. Je bent in 't zwart vandaag: korte zwarte broek en dunne zwarte blouse, want reeën hebben schrik van geel en wit. Ik kijk naar je zwarte rug en je bruine benen, en ook naar de regendazen die zwermzoemen rond je ronde koppie en rond je zwarte plu. Telkens als zo'n daas, zo'n blinde steekvlieg je prikken wil van achter, mep ik 'm met mijn plu.
Bij 't betreden van de hei is het opeens weer droog, zijn alle dazen weg.

We zwemmen even in het diepst verboden ven en daarna, bijna bij de zonnewijzer, die het vandaag niet doet, wijs je: 'Kijk, een boomblauwtje!'
We kijken naar het vlindertje dat - vrolijk vlotjes - fladdert boven 't bospad.
'Ja, het is 'n boomblauwtje.'
'Ja, als 't vliegt is 't blauw, maar als 't gaat zitten en de vleugeltjes samen vouwt wordt 't wit.'
Ik probeer het blauwtje te vangen in de macrolens. Dat lukt me aardig als 't even zit, maar telkens wanneer 't fladdert voor m'n voeten, zie 'k na de klik geen vlindertje maar
chalcedoon - kwarts, blauwe steen - in quick view.
'Wil je er eentje hebben?'
'Wat? Zo'n vlindertje?'
'Nee, een chalcedoon.'
 

Bolsterturf, zaterdag 2 juli 2005

102
Van koeien, bloemen, bijen, vlinders en sprinkhanen

'Zie je die éne korenbloem? Hij springt er echt uit!.. Hij valt op tussen al dit boerenbloemenpaars.'
'Ja, prachtig helblauw is i. Zal ik 'm voor je plukken?'
'Nee, je plukt niks.'
'Ow? Maar ik wil 'm drogen in m'n droogbloemenbijbel?'
'Dan pluk je straks of morgen maar een ander. Deze is te mooi!'

'Wrefff wrefff wrefff...'
'Potverdorie Ep! Teruggg..! Hierrrr..? Hou nou 'ns op met achter koeien aan te zitten!'
'Doe niet zo lelijk tegen Eppie! Sjonge zeg, wat een magere jongbeesten!'
'Ja, vet zijn ze niet. Schoon en zuiver wel.'
'Zuiver? Moet je n's naar die oren kijken.'
'Ja, gemerkt en getatoeëerd. Die ene heeft een ring in de neus. Zeker de stier.'
'Nee, die ring voorkomt dat ze zuigt bij de anderen.'
'Ow? Wist ik niet.'
'Je kan niet alles weten. Kom gaan we verder. Ik word hier niet vrolijk van.'

' Kijk! Een sprinkhaan!'
'Waar?'
'Hier natuurlijk. Hij zit in 't lange gras.'
'Niet bewegen! Probeer ik 'n foto van 'm te maken.'
'Ja, doe maar.'
'Ik zie 'm niet. Waar zit i dan?'
'Dààr! Schuin achter die koolzaadstengel en net links van de kamille.'
'Welke kamille? Ah, ik zie 'm! Even de camera op macro zetten... Waar is i nou gebleven?'
'Auw, d'r staan hier ook brandnetels tussen 't gras.'
'Moet je maar een lange broek aan doen als we 't veld ingaan.'
'Nou zeg!.. Ik ga terug naar 't pad! Zoek 'm zelf maar, die sprinkhaan!'

'Heb je 'm?'
'Wie?'
'Die sprinkhaan natuurlijk.'
'Ja, ik heb er drie. Dankzij jou. Kusss..'
'Die brandnetels zijn erger dan mieren. Ooh, kijk 'ns! Wat veel vlinders!'
'Ja, ga maar even je benen afkoelen in 't vennetje verderop. Neem Eppie maar mee. Hij jaagt alle vlinders op.'
'Als je maar zorgt dat we op tijd terug zijn, want je dochters komen vanavond op bezoek. En dan ben je beneden! Je zet alles morgen pas on line!'
'Ow...'

Bolsterturf, zondag 3 juli 2005

103
Slak eet paddenstoel op dode beuk - in juli!

Zomer in de bossen achter kasteel Heeze. Wij fietsen over een bosweggetje en zien ze al van ver: gele paddenstoelen met witte rafelbuiken op horizontale dode beukenstam. Mooi zijn ze, en groot. Maar hun hoeden zijn toch zo verschillend van vorm: de ene heeft een kleine komvormige hoed, de ander een plat en rond, weer een ander een ovaal. Eentje pronkt er zelfs met hartvormig hoofddeksel. 'Vrouw, ik wil er jouw naam op schrijven, maar 'k heb geen stiften bij me.'

Wij stappen af, lopen naar dode beukenstam en paddenstoelen. En dan wijs jij me een grote, vette, zwarte slak die tegen de dode beuk opkruipt. Na een minuut of tien heeft de slak een paddo bereikt en begint er van te eten.

Bolsterturf, maandag 4 juli 2005

104
Onlandberenklauwen en onlandonkruid

Reuzenberenklauwen. Ze groeien in het onland. Daar staan ze op grens van natuur en cultuur. Ze groeien snel. En ze gaan hoog, wel tot vier meter hoog, recht de blauwe zomerhemel in.
Een onweersbui legde een paar berenklauwen om. De donderwind zwiepte ze heen en weer, tot er vielen in het hoge gras. Sommigen smakten op hun eigen bloemen, maar berenklauwen zijn sterk en taai. Ze waren dan wel gevallen, gekneusd, hun lange stengels min of meer gebroken, dood waren ze zeker niet.
Toen in de dagen na het onweer de zon weer schijnen ging, draaiden de berenklauwen hun stelen, zodat hun bloemen naar de zon konden glimlachen. De kwart tot half gebroken en verdraaide stengels gingen gewoon verder met het halen van mineralen en water uit onlandbodem, en de bladeren ademden door en stopten niet met zuurstof maken uit zonnelicht en co².

Ze hingen droef aan hun gekneusde en verdraaide, zich weer oprichtende stelen, die gevallen, sneeuwwitte, reine onlandberenklauwenbloemen  Z e waaiden pas gisteren om, vielen met meeldraadjes en stampertjes in 't onlandgras en op 't onlandpad, maar ze vochten dapper en kwamen weer overeind. Ze gingen weer geuren, sterk maar lief, en lokten bijen.
Toen ik bij ze stond was 't donkerdag maar met 't wègwaaien van een donkere wolk ging opeens de zon weer schijnen, viel beukentakschaduw op de zich weer oprichtende bloem met de langste steel. Die bloem bleef donker en droef. De andere bloemen leken lichter en blijer in 't witte zonnelicht.

Onlandberenklauwenbloemen en geelbloemig onlandonkruid aan rand van maïsakker. Achter de maïs bosrand en boven 't bos dreigende zwartviolette donderwolken. Ik wilde van die wolken 'n plaatje schieten met wazig gele voorgrond, maar m'n Olympus stelde scherp op 't geel.

Bolsterturf, dinsdag 5 juli 2005

105
Jeugdkamp in nat zomerbos

Ik ging met Erpel naar de bossen achter de benzinepomp. Ik wilde reewild zien. Het regende toen Ep en ik van huis gingen. Akkers, wei en bos lagen er troosteloos en zeiknat bij, maar met de wetenschap dat na regenbui zonneschijn komt en dat reeën houden van zonnen op bosweitjes, parkeerde ik de pinda op de parallelweg langs de E-zoveel.

We liepen een bosweg in. Ep snuffelde links en rechts en ik speurde naar reewildhoefjes. Ep leek niet bijster enthousiast en er stond niks geschreven in 't geel padzand: geen krabspoortjes van konijnen, geen hazenvoetjes, geen vossenpootjes en geen reeënprentjes.

Na een kruising met een groter pad opeens heel veel voeten in het bospadzand: 'n paar grote mensenvoeten en heel veel kindervoeten. En toen zag ik de tenten, de fietsen, de pioniersplee en de waslijntjes met zeiknatte, want nat geregende, was.
'Da's pech hebben, Erpel.'
'Wrefff'
'Niet zeuren, want die jongens en meisjes hebben groter pech met dit klote weer.'
'Pfffttt, wrefff.'
'Ach, geeft niet, gaan we gewoon 'n paar kilometer verderop. Je weet wel, waar vorig jaar dat uitgegraven vossenhol was.'
'Wef.'
(Ja, ik ben gek, want praat met Erpel.)

Bij 't verwoeste vossenhol aangekomen was het droog geworden. Ik zette me, uit de wind en in de zon, op een omgehakte grove den. Ep rakte om me heen, vond niets en kwam al gauw vragen om verder te gaan.
'Nee, we gaan niet verder, we lopen terug, kijken of er nu wel leven in dat jeugdkamp is.'
'Wef'.
'Ga maar fijn rakken, maar blijf in zicht.'
En weg was Ep, de natte ruigte in.

Toen we weer voorbij de tenten kwamen scheen de zon volop. Het lange, gele bosgras begon al droog te worden. En de was zag er nu anders uit, kleuriger, fleuriger. Ja, het was echt een stuk aangenamer geworden in het bos. Rond de tenten blije kinderstemmen. Gaaien schreeuwden er overheen en 't zangvogelvolk deed weer haar best. Twee jongens zwaaiden naar me. Ik zwaaide terug. En toen dacht ik weer aan vakantie, aan school, aan vroeger toen ik jonge jongen was.

Bolsterturf, woensdag 6 juli 2005

106
Venvogeltjes, vorkstaartvogeltjes, blauwe gentianen en een lariks

Zon en wolken over bos en hei en water. En na regen en onweer de vennen ietsepietsie breder. Van het ondiepst ven staat het laagste vlonder onder water. Erpel rakt door rose dophei en over rode zonnedauw. Jij loopt langs de oever van het ven, ik over 't pad tussen lariksbos en drasland.
'Kijk! Hier staat dat blauwe bloemetje.'
'Blauw bloempje? Is het een gentiaan?'
'Ja, de blauwe gentiaan. Ik kon niet zo gauw op de naam komen.'
'Ja, dat heb ik soms ook. Is balen dan, als je je een naam of begrip niet herinneren kan.'
'Ja, maar als je geen moeite doet, weet je 't even later zomaar weer. Wat is ze toch mooi!'
'Ik zie d'r. FF foto maken.'
'Hier staan er nog meer... Maar allemaal nog in knop.. Of minder groot en mooi.'

Jij geeft de grootste gentiaan een kusje. Daarna struinen we verder. Je plukt hei en takjes. (Een gentiaan pluk je niet.)
'Ik ga door de ruigte. Pluk jij maar verder langs het pad. Zien we mekaar straks bij de driestamberk.'
'Is goed. Haal geen natte voeten.'
'Nee. Kom mee, Erpel!'
Het is klote lopen door dat stukje wildernis met sloten, wilgen, elzen, berken, bramen, vliegdennen, bunt en hei en stekelbosjes. Vaak moet je daar van pol op pol stappen. Stap je mis, haal je op z'n minst een natte poot. Erpel heeft het er minder moeilijk mee, die hupt als een veertje over sloten en pollen en kan overal overheen of onderdoor. In tien mins tijd rent hij vier maal heen en weer van vrouwtje naar baasje.
'Pink  pink  pink'
'Pink  pink  pink pink  pink'
Twee kleine vogeltjes slaan alarm, ergens voor me in de struiken. Het duurt even eer ik ze zie. Rietzangertjes? Kleine karekietjes?

We roepen over en weer.
'Waar ben je???'
'Hier, bij de berk.'
'Ik moet omlopen, kan niet over de brede sloot.'
'Is goed. Wat waren dat voor pinkgeluidjes?'
'Kleine vogeltjes, maar 'k weet niet welke soort.'
'Venvogeltjes dus.'
'Ja, venvogeltjes.'
'Waar is Erpeltje?'
'Hier, bij mij. Ep, zoekkkkkkkkkkkk vrouwtje.'
...

'Wat zijn er toch weer veel lariksen omgewaaid.'
'Ja, ze laten zich nogal vlug omver blazen.'
'Deze is pas omgewaaid.'
'Nee, denk ik niet. Kijk maar, de top is al helemaal kaal.'
'Ja, de kluit zand is net voldoende voor 'm om niet helemaal dood te gaan.'
'Ja, ook voor een boom kan het leven wreed zijn.'
'Hebben bomen gevoel, denk je?'
...

'Hee, moet je zien. Een hele groep vogeltjes in de lucht.'
'Sjonge zeg, lijkt wel of de vogeltrek al is begonnen.'
'Wat zijn het voor vogeltjes?'
'Weet ik niet, misschien mezen of vinken. Kijk ze gaan dwarrelen, ze strijken neer.'
'Ik hoor ze, maar zie ze niet.'
'Ze zitten allemaal in één boom. Jammer dat we de verrekijker vergeten zijn.'
'Kan je er een foto van maken? Kijk, daar zitten er een paar dichterbij. Ze hebben vorkstaartjes. Het zijn vorkstaartvogeltjes. Hihihi.'
'Hahaha... Even camera aanzetten... Potverdorie, ze vliegen weg. En de anderen zijn te ver voor een foto.'
'Doe toch maar. Zijn het misschien goudhaantjes?'
'Daarvoor zijn ze te groot. 't Zijn gewone vorkstaartvinken, denk ik.'
'Hihihi..'
...

Bolsterturf, donderdag 7 juli 2005

107
Zwarte schapen, witte pispotjes en een stervende berk

Een dikke vijftig grote, zwarte schapen. Ergens tussen moeras en maïs in een onlandweitje. Als ik Erpel over gaas en prikkeldraad til, gaan ze er vandoor. Met een stok duw ik de hindernissen naar benee en stap de wei in. Erpel kwispelt met z'n gecoupeerde staartje. Hij wil aangelijnd, want heeft het niet op zoveel grote schapen.
Ik lijn hem aan en laat hem volgen. De schapen naderen nu voorzichtig, komen nieuwsgierig dichterbij. Na een minuut lopen ze pal achter Erpel en mij. 'Volgen, Ep! Volgen!'
De hond volgt maar blijft onrustig met al die schapen zo vlak achter ons. 'Foei Ep..! Volgen! Volgen..! Braafff...'
Wanneer een brutaal schaap met z'n snoet Erpels achterwerk beroert, draait de hond zich om en hapt naar de kop van 't schaap. 'Foei Ep! Foei! Volgen! Volgen..! Braafff... Grote jongen ben je zo...' Na nog een paar minuten beetje vechten met Eppie begint hij rustiger te worden en gewoon te volgen.

Erpel en ik lopen twee rondjes schapenwei. Dan til ik 'm weer terug over 't prikkeldraad. Er over springen mag hij niet van me. Het is rotsooi, dat prikkeldraad. De stalen stekels zijn vlijmscherp. Springt hij fout, haalt hij zijn buik open.
Weer vrij blaft Erpel maar 'ns flink naar de schapen. Ik prijs hem. Dan gaat de hond snuffen langs het pad. Ik blijf nog even naar de schapen kijken. Eén schaap heeft jeuk. Het schuurt zich tegen een dikke eikenstam, eerst rechtsachter, daarna linksvoor.

Ep en ik sjouwen door maïs. Ik kan er net over heen kijken. Ep is weer aangelijnd, want hij wil alsmaar rakken door het hoog gewas waar ik reekalfjes in vermoed.
Met het tevoorschijn komen uit de maïs schrikt een fazanthaan voor ons. Luid kukelend zeilt hij weg over een perceel prei.

In de slootwal langs de prei groeit haagwinde. Ep mag even gaan zitten, zodat ik een paar foto's kan nemen van de tere en reine witte bloemen. Pispotjes noemde ik die vroeger, toen ik jongen was en naar de School met de Bijbel ging.

Een koolwitje fladdert over sloot en weggetje naar 't moeras. Ook over pispotjes en prei dwarrelt ze. De pispotjes blieft de vlinder niet. Nee, ze strijkt liever neer op de paarse bloemen van de distels.
Dan laat Erpel van zich horen. 'Wrefff wrefff,' zit de deugniet achter een konijn aan. Ik lach, roep hem bij me en speel even met 'm. En dan struinen we weer samen verder.

Wat later, in 't moeras, zijn - anders dan op wei en akkers - de lange grassen, de bloemen en het riet zeiknat. Grote waterdroppen hangen op de bladeren van riet en biezen. Maar de vlinders en de bijen, ze dwarrelen vrolijk boven de nattigheid, alsof deze koude zomerdag een dag vol tropenhitte is.

Op weg naar huis komen we langs een in 2002 omgewaaide berk. Die berk ligt al twee-en-een-half jaar horizontaal. Hij maakte ook dit voorjaar weer blad, maar  minder blad dan vorig jaar en 't jaar daarvoor. De kluit waaraan hij vast zit, de aarde waar hij in wortelt, die kluit wordt alsmaar dunner. Regen en wind en zon krijgen steeds meer vat op de aardkluit. De berk zal nu spoedig sterven, omdat zijn wortels verdrogen en het zand van de kluit afkalft en wegwaait. Hij kan geen water en mineralen meer aan. Langzaam zal hij sterven, verdorsten, uitdrogen, vergaan.

Bolsterturf, vrijdag 8 juli 2005

108
Nevel over het moeras

Half vijf in de morgen
Dertien graden celsius. Geen wind. Egaal bewolkte lucht. Mooi weer voor reewild kijken, denk ik. Vlug vijf boterhammen met honing en een glas melk naar binnen gewerkt en dan met Erpel de auto in. Als we aanrijden zie ik het meteen: ochtendnevel, mist. Al in 't dorp hangen witte flarden over tennisveld en kinder- en hondenweitjes. 'Toch maar doorrijden,' zeg ik tegen Erpel.
'Wrefff...!'
Een grijs konijn zit op de weg. Ik zie het pas als ik 't passeer. 'Stom konijn,' zeg ik tegen Erpel, 'gelukkig zat het op de rechterrijbaan.'
'Wrefff...!'

Vijf uur
De zwarte schapen op de onlandwei zijn grote, grauwe nevelspoken. Een kwartier, resp. half uur later liggen elzen- en wilgenweitjes reewildleeg in de koude zomermorgen. Donkergroener sporen door het groen verraden waar Erpel de weitjes in of uit rende.

Zes uur
Plots slaat Erpel aan. Hij blaft tegen grote schimmen in een wei. 'Kop dicht! 't Zijn maar koeien, sufferd.! Zo jaag je alle reeën weg.!'
'Piewww...'

Vijf over zes
'Bö bö bwööö bö bö böh bö bö böh,' gaat een reebok tekeer in de moerasrand.
'Kijk, dat bedoel ik nou, Eppie, als je zo lelijk doet tegen koeien, maak je de reeën onrustig en attent.'
'Pieww..'
'Nou ja, geeft niet. Jij kan het ook niet helpen dat 't zo klote mistig is.'
'Wrefff...!'

Half zeven
We komen langs aanplant van groene en blauwe sparren. In een paar sparrentoppen zitten vogels. Zo te zien vinken. Ze vliegen op als Erpel of ik dicht de sparren naderen. Dan maar een paar 'schoten' van ver.

Zeven uur
'Zullen we het maar opgeven, Ep? 't Bijft gewoon te mistig en ik heb natte voeten.'
'Piewww..!'
'Nee, we gaan naar huis. Fijn nog even slapen. En jij krijgt straks een lekker knauwbot.'
'Wrefff...'
'Sjonge zeg, hoef je niet tegen die varen aan te pissen!'
'Wraff..!'

Bolsterturf, zaterdag 9 juli 2005

109
Van een dom eekhoorntje en meer

We lopen de bossen in. Het is een mooie, winderige zomerdag. De vogels hebben er zin in. Twee vinken slaan. Over hun sieskewieten heen tiereliert fel en schel een roodborst. Ook Erpel is goed gemutst, die slalomt op z'n lange pootjes door het gele bosgras en wreft al vlug achter een konijntje aan, wat dicht onderhout in. De laatste jaren waren er heel weinig wilde konijnen. Dit jaar zijn er veel meer, rieselen en riegelen ze weer volop boven zandkoppen en in ruigte.

Als we langs een wei komen, zie ik twee roodbruine, zwartgepunte oren tussen witte klaver. Helaas! Hazenman of -vrouw wacht niet tot ik de camera schietklaar heb. Met vier, vijf grote sprongen vlucht de haas de bosrand in.
Erpel zag de langoor niet. Die had het te druk met het van de wei jagen van een paar zwarte kraaien. Ik wijs hem de plek waar de haas in het bos verdween. Ep - we noemen hem Erpel, Erp, Erpie, Ep, Eppie, Foks of Foksie, al naar 't uitkomt - wordt meteen enthousiast. Hij rakt tegen wind in meteen de wei op en wijst feilloos de plek aan waar de haas zat. Maar dan gaat hij in de fout, volgt hij het hazenspoor tegen wind in, de verkeerde kant op. Ik roep hem terug, lijn hem aan en zet hem weer op 't spoor. En ja, na twee meter krijgt hij het door en verdwijnt met z'n neus op het hazenspoor het bos in.
'Roep hem terug!'
'Huh?'
'Misschien is het een moer en zitten er jongen in.'
'Oké. Erpulllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll...'
Paar seconden duurt het. Dan is Erpel terug.

Honderd meter verder zien we iets bruins door de wei scharrelen.
'Hee, een egeltje! Wat lief!'
'Erp, kijk eens, een egel, e-gel, e-gel, e-gel, eee-gul.'
Erpel snuft voorzichtig aan de egel. En hij doet net of hij het met een voorpootje wil kietelen. Hij komt er niet aan.
'Hij heeft er geen belangstelling voor.'
'Heeft zeker z'n neus al eens gestoken. Hahaha..'
'Wat ben jij gemeen!'
'Welnee. Kijk, Ep rakt al weer over de wei.'
'Zullen we doorlopen? Maak je een foto als i weer verder wandelt. Oké?'
'Ja, oké.'

'Kom, duiken we hier het bos in.'
We zijn nog maar een kleine honderd meter een smal bosweggetje ingelopen, als een rode reebok op een meter of tien ons pad kruist. We zien hem naar eventjes, maar lang genoeg om het geweitje te zien.
'Ai, die ging hard!' zeg jij.
Voor ik kan antwoorden rakt Ep voor ons langs, achter de bok aan.
'Ik laat hem maar. Het ree is een bok en hij wil 'm niet vangen. Alleen maar er achter aan jakkeren.'
En dan stuift de bok weer voor ons langs over 't pad. En nu duurt het langer voordat Erpel ook weer, in 't spoor van de bok, voor ons langs rakt.'
'Roep 'm nou maar terug.'
'Erpulllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll...'
'Zag je dat?'
'Wat?'
'Die reebok weet hier feilloos de weg. Hij stoof beide keren over een wildwissel. Daarom ging hij zo hard. Kijk, hier heb je ook zo'n wissel. Zie je het paadje door het hout?'
'Ja, maar waar is Ep?'
'Erpulllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll...'
...

Met Erpel aan de lijn - hij maakt er een potje van, want hier in dit stuk zowat mensenleeg mooi Nederland zit gewoon te veel wild - wandelen we naar het ondiep eilandjeven.
'Kijk, er zitten ganzen en eenden op het ven.'
'Ja, het zijn weer van die vreemde, bruinwitte ganzen.'
'Ja, net exoten. Zo waan je je hier in de tropen.'
'Haha, wat kan jij dichten zeg! maar niks exoten, want daar staat een blauwe reiger.'
'Ja, de kikkers worden hier niet oud.'

 'Kom Bolsterturf, rusten we ff uit op dat bankje.'
'Ik ben nog niet moe.'
'Je hoeft ook niet moe te zijn om te rusten. Zitten jij!'
'Ow... Ik hoor een boomvalk.'
'Weet je zeker dat 't geen zwarte specht is?'
'Het is een boomvalk. 't Geluid van zwarte spechten is hoger en meer een lentegeluid.'
'Ja, nu zomert het. Kijk, een paartje buizerds.'
'Mooi hè, dat glijden en zweven op de thermiek.'
'Ja... Ik zie Erpie niet meer...'
'Erpulllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll...'

Als Erpel 'n paar tellen later terug is en we op het bankje zitten en zuurtjes snoepen en kijken naar eenden, ganzen, witte kwikstaartjes, blauwe reiger en de rimpelingen van het water, vliegt een houtduif in een grove den.
'Die duif gluurt naar ons.'
'Ja. Zal zo wel weer wegvliegen.'
'Kijk, hij scheit.'
'Getver, je zal er net onder zitten.'
Maar dan begint de blauwe te koeren.
Koert hij voor ons 'roe-kroè koe-koe roegroè-gr-gr roe-kroè koe-koe.'
'
Hij koert  voor jou.'
'Net zo goed voor jou. Waar is Erpel?'
'Erpulllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll...'
'Je hebt de doffer weggejaagd met je gebrul.'
'Foei Ep, waar zat je weer?.. Sorry, het spijt me.'
'Was net zo mooi... Dat koeren...'
'Hoe was het gisteravond met L.?'
'Heel goed. Ze
... ...
...

Op weg terug naar de caravan jaagt Erpel een eekhoorntje in een boom. Het is nog een jonkie. Het schiet een te dunne boom in. Het loopt zich vast naar boven toe. Andere bomen zijn vlakbij, maar te ver voor 't kleine ding om naar toe te springen. Het beestje hangt te hangen aan een dunne twijg. Het gluurt naar ons. Het is bang, want weet niet dat Erpel thuis tussen kater en poes in slaapt, dat hij geen eekhoorn eet, en ook geen egel, haas en konijn, dat hij nog geen muisje bijt, zelfs niet meer snoept van het kattenvoer.

'Zo heb je wel genoeg foto's... Toch?'
'Ja, wat is het mooi.'
'Zo'n kans krijg je zelden. Misschien de eerste tien jaar nooit meer.'
'Je ziet ze niet veel meer.'
'Nee, eekhoorns zijn gewoon zeldzaam geworden.'
'Het is een mannetje. Ik zie z'n balletjes.'
'Ow... Ik zie niks.'
'Kijk maar door de zoeker.?'
'Nee, we laten hem nù met rust.'
'Oké... Weet je waar ik zin in heb.'
'Ik weet het niet. In koffie?'
...

Bolsterturf, zondag 10 juli 2005

110
Vermoorde kleine of grote bonte specht

Op sandalen struin ik door dor moeras,
twee lange, hete uren aan een stuk;
behalve zwarte kraaien, kleur'ge gaaien en kleinvogelgrut
geen wild dier te zien dat leeft van vlees, bloemen of gras.

't Zomerwild rust in bos en ander hoog gewas
en ook de rovers rusten, houden snavel, bek of mond,
maar een melkkoe loeit - onrustig in vroege avond:
ze heeft een dikke uier, wil gemolken, is niet in haar sas.

Geen vos gespot, geen bunzing, wezel of verwilderde kat
en de lucht is leeg van gevleugeld roofgebroed,
toch werd een kleine of grote bonte specht vermoord.

De blauwe wittespikkelveren liggen op het mossig pad,
maar noch van het kadavertje - geen bot, geen bloed -
noch van de moordenaar een spoor.

Bolsterturf, maandag 11 juli 2005

111
Rode vos, rood ree, blauwe reiger, grijs en zwart konijn

Zes uur in de julimorgen. Een puur Nederlandse zomermorgen. Een koel, frisdroog windje waait in m'n gezicht. De lucht is egaal grijs zwaar bewolkt.
Ik ben met Ep en fiets tussen maïs en bos op weg naar het droog moeras. Ep draaft op z'n gemakje voor me uit. Hij geeft het tempo aan. Dat vindt hij fijn. Ik fiets in tweede versnelling met hem mee; zit wat te dromen op het zadel, de handen losjes aan het stuur. Voor me zit een blauwe reiger boven op een berkenboom; scherp het slanke silhouet tegen de vroege morgenhemel. Ik stap af, zwaai naar de grote vogel. Die wil niet wegflappen, dus haal ik de camera uit de draagtas uit de fietstas en maak een foto.

Ik fiets verder. De camera zit weer in de draagtas in de fietstas. Ep draaft een meter of tien voor me uit. Waar maïs ophoudt en pas gemaaid kuilgrasland begint, trekt Ep een felle sprint, het voetbalveld kale, groene veld over. En opeens zie ik de rode vos, die richting maïs rent. Drie..., vier..., vijf grote sprongen maar, dan verdwijnt de rode vrijbuiter in de maïs.
Ik roep Ep terug, want grote rekelvossen en wijfjesvossen met jongen zijn linke soep voor een nette, welopgevoede fox. (Erpel is van het slag lief hondje dat speelt met katten en elke nacht slaapt in een mensenbed
.) Ep baalt zichtbaar en ik nog meer.
Als ik verder fiets zit alleen de draagtas in de fietstas, hangt de camera aan de draagriem op m'n rug.

Om even na half zeven zie ik een ree tussen maïs en bosrand. Het is flink ver weg, maar heeft me gezien. Misschien ook gehoord en geroken, want m'n fiets rammelt en geur van mens en hond waait vanmorgen naar haar toe. Het zekert naar me. Ik kijk terug. Dan hurk ik en gebied 'Fox blijfff...! Afff...' Met knipklare camera kom ik langzaam overeind. En dan zie ik door de zoeker dat 'het' een zij, een oude rikke is en dat ze een kalfje heeft. Ze geeft me één kans. Als ik een tweede keer wil knippen, springt ze af. Het kalfje volgt haar onmiddellijk, de bosrand in.

Om half acht zet ik de fiets tegen een eik en loop met Ep aangelijnd - ik acht de kans te groot dat hij in dichte dekking een jong konijntje bezeert - een perceel jonge sparren in. Het riegelt er van de konijnen. Ook zwarte.
Ik stel me verdekt op achter wat fijnsparretjes, aan de rand van wei. Dan stuur ik Ep de wei in. Ik wijs hem vooruit: 'Ep..! Let op..! Vóóruit..!' Hij rent vooruit. 'Ep..! Zittt..!'  Hij gaat zitten. En dan geef ik hem vrij en wijs met handen en armen naar links en rechts. Hij begrijpt me, en hij luistert, hij gaat zigzaggen over de wei. Niet feilloos, maar dat hoeft ook (nog) niet. Hij is pas twee jaar en drie maanden.
Wanneer Ep achter een groot konijn aanzit, zet ik er andere die van de wei afvluchten en even aarzelen, even stil zitten als ze me zien staan op de foto.

Bolsterturf, dinsdag 12 juli 2005

112
Phallus

De reebronst kan begonnen zijn. Daarom tussen werken, slapen en vergaderen door even naar het moeras. Van half juli tot half augustus zie je midden op de dag vaak reeën. Dan kan een bok in grote O's en 8en achter een geit aan jakkeren. Waar we stinkzwam ruiken - een sterke weeïg zwamselige geur, kwamselig ook, als van bedorven honing - lopen Erpel en ik over een puinpad het moeras in. Ep ziet hem het eerst, loopt op hem toe, maar blijft dan staan, draait zich om, trekt zich terug. In een wolk van vliegen zet ik Phallus op de foto.

Bolsterturf, woensdag 13 juli 2005

113
Vroege reebronst en grauwe zomerganzen

Ik kom uit De Lange Bleek te voorschijn en sta voor een smalle strook rog. Die rogge werd dit voorjaar door Brabantse landschapswerkers gezaaid. Eerst ploegden ze een lang en smal stuk wei om, vervolgens plantten ze in kaarsrechte rijen boompjes op de strook. Daarna pas werd de rog gezaaid, die nu met z'n gele aren op lange halmen de boompjes overwoekert. Over het graan heen zie ik in kaalgevreten wei een paar roodbonte koeien tussen honderden grauwe ganzen. Voorbij koeien en ganzen kijk ik tegen 't groen en blauw van bosrand aan. Achter die rand weet ik de grote drukke heide, dat domein van huifkarrenwolfsvengasten, fietsers, wandelaars, aangelijnde honden en sbb bekeurkneus Jap.
De ondergaande zon koestert mijn linkerwang als ik kijk naar koeien, ganzen, kraaienpaar, eenden, buizerdpaar, duiven, zwaluwtjes, boomvalk, auto's en fietsers. Ik ben tevree met wat ik zie, maar erger me een beetje aan de herrie van het snelverkeer dat voorbijraast over provinciale weg tussen wei en heiboszoom.
'Wrefff?' vraagt m'n hondje.
'Jaja, rustig aan, Foxie... De reeën wachten heus wel op ons.'

'Volg Ep! Volg!' Met Foxie op m'n hielen loop ik over het door grassen overwoekerd paadje tussen bos en roggestrook. Waar het koren ophoudt, zie ik in bloeiend weigras twee reeën. Ze laveien op hun gemakje, maar ik durf ze niet besluipen: te veel brandnetels en dorre takken. Toch krijg ik er eentje scherp roodbruin op wit-geel-groen, achter paaltje en voor donk're bosrand.

'Sssttt Ep...! We trekken ons terug...'
'Pfttt...'
Na een paar honderd meter stille terugtocht, zie ik m'n derde ree van de avond. Het staat in de oever van het ondiep eilandjeven. Het is ver weg, te ver. Net als ik besluit een omtrekkende beweging te gaan maken, böht een reebok achter me in dekking van fijnsparretjes. 'Sssttt Ep! Blijfff! Afff..!' Ep gehoorzaamt, maar het reetje in de venoever negeert de waarschuwing van de bok niet. Het springt af.

Half uur later en paar kilometer verder jakkeren er opeens twee reeën door het bos. Ze zitten achter mekaar aan. Hij achter haar. Bok achter geit. Ze hebben heel geen erg in de man in groene broek en groen hemd. Ook niet in 't klein, bont hondje. Ze zien alleen mekaar en jagen in wijde bochten door het hout en over de bosweg. Soms komen ze heel dichtbij, hoor ik ze adem halen, een zwaar en diep en haastig ademen. Foxie krijgt er de kriebels van. Ik sis: 'Zittt Ep! Zittt...!!' Opeens komt de geit over 't pad recht op ons af gestormd, de bok er vlak achter. En dan kan Erpel het niet meer houden: 'Wef wef wef wef wef,' jakkert i achter het bronstig reewild aan. Geit en bok versnellen zichtbaar. Zij gaat rechts, hij links. Ep gaat achter bokmans aan. Ik brul hem terug: 'Erpulllllllllllllllllllllll, hierrrrrrrrrrrrrrrrr...!'
Eén minuut later heb ik Ep bij z'n nekvel en spreek ik hem toe: 'Potverdorie nog an toe, dat kan je niet maken, man! Nu krijg je op je donder!' Dan laat ik hem los en bulderlach in de stille avond. 'Kom op, gaan we zwemmen... Wie 't eerst in 't water is.' 'Wrefff wrefff wrefffff wefffff...' Samen rennen we naar een klein ven zo'n honderd meter verder langs het pad. Ep wint, hij zwemt al als ik m'n kleren nog aan heb.

Bolsterturf, donderdag 14 juli 2005

114
Heidevaria

's morgens 06.03 - 10.10 uur
Erpel en ik beginnen met grasduinen op gevaarlijk Japterrein. Ik parkeer de pinda op de parkeerplaats bij Japs grote drukke heide, maar zo vroeg in de morgen - drie minuten voor zes - is het er nog stil. De pinda staat helemaal alleen auto te wezen.
'Da's geen ramp, Ep... Jap en het tweebenig gespuis liggen nog te pitten.'
Ik gluur door de 7 x 50 naar alle kanten de heide over en zoek daarna naar verse autobandensporen: de hei lijkt mensenleeg en de pindasporen zijn de enige duidelijke autosporen.
'Kom, lopen we naar de hei.'
Na een paar mins ligt de hei voor ons.
'Kom Ep. Ga 'ns kijken of hier nog wat konijnen zitten.'
'Wrefff.'
'Ik stuur je vooruit de hei op... Vooruit!! Toe maar!. Vrij!!' wijs ik m'n hondje vooruit.
Zodra Erpel de hei in stuift, zie ik konijnen wegrennen. Ep heeft er dan ook eentje gespot. Het konijn dat hij in 't vizier heeft, maakt nog even een mannetje en stuift dan een holletje in. Ik laat Ep een poosje graven naar 't konijn en zoek met de kijker nogmaals de heide af. Niks te zien. Toch vertrouw ik op deze hei de stilte niet. Het terrein is te open en ik kijk liever naar wild dan dat ik uitkijk naar Jap.
'Kom op, Ep. Hier hebben we straks misschien Jap, maar geen dekking. We gaan naar de andere kant, naar 't Brabants Landschap.'
'Wef.'

Tien mins later bewonder ik aan de rand van een ondiep ven een nogal wit uitgevallen blauwe reiger. Doodstil staat de grote vogel, maar door de kijker zie 'k nergens een kikker. En muizen en mollen zag ik nog nooit op de plek waar de te witte blauwe slokop staat.
Op wie kan die nou wachten? vraag ik me af. 'Weet jij het, Ep?'
Ep geeft geen antwoord. Hij is net bezig met inspectie van een brede, dorre, dooie takkenbos.

Op het volgende ven, tien mins verder, drijven canadese ganzen. Hun koppen wijzen allemaal naar links. Dat verandert als Ep het water in rent. Als bij toverslag draaien alle ganzen honderdtachtig graden, en dan kijken ze dus naar rechts.

Ik roep Erpel terug uit 't water en ga achter een stapel in blokken gezaagde berkenstammen zitten. Ik laat de hond even rondrennen en dan mag hij naast me gaan zitten.
De canadezen die helemaal geen canadezen zijn, worden al gauw weer rustig. Ze roepen wat tegen mekaar. Soms komen er een paar aangevlogen, dan weer vertrekken er een paar.
Wanneer ik te voorschijn kom van achter de berkenhoop, verandert hun gedrag niet. Ze doen net of ik er helemaal niet ben. Dat wordt anders zodra ze Erpel zien.
'Zie je nou wel, Ep, jou moeten ze nergens.'
Ep kijkt me aan alsof hij zeggen wil: Zeur nou toch 'ns niet zo allemachtig!

Zomaar ineens valt me op, dat de dopheibloemetjes al bruin beginnen te worden. En dan zie ik hoe de wat paarsere struikhei al volop bloeit.
'Rose verdort tot bruin. Nu is 't de tijd voor paars. De tijd gaat snel, Ep. We zijn zo oud.'
'Pft pft.'

Ook de berken beginnen al wat geel blad te krijgen. En bijna alle gele bloemetjes langs het pad zijn nu witte pluisbolletjes geworden.
En dan zie ik ander wit: zwammetjes op beschadigde bast van een grote, zo te zien nog gezonde eik. Erpel pist er maar 'ns tegenaan.

'Kijk Ep, de grassen hebben allerhande tinten groen. En kijk, de zonnedauw bloeit volop. Die plukten we vroeger in Drente. Emmers vol! Waar we dan, als ze niet te plat of te beschadigd waren,  in 't kruidenierswinkeltje van de kommerhoek een paar stuivers en wat snoep voor kregen. Nou kan je niks meer krijgen voor een stuiver.'
'Pft pft pft'

Opeens zie ik wat bruinigs schemeren door grove dennengroen. 'Affffff Ep. Afffffff... Een ree!!' Erpel valt als een blok en kijkt me gespannen aan, maar als ik de kijker aan de ogen zet, blijkt het ree een bankje te zijn. Een mooi, nieuw, bruingeel bankje.
'Sorry, beste jongen, het is een klote bankje, maar wel een fijn om op te zitten, lijkt me. Kom, gaan we zonnebaden.'

Ik zit anderhalf uur op het bankje, terwijl Erpel in de buurt rondsnuffelt en daarna een tijdje slaapt. Als hij wakker wordt, begroet ik hem met: 'Jammer dat ik geen kussen heb.'
'Gaaaaap... Pft.'

Ik schiet op de terugweg naar de auto nog een meesje. En bijna bij de parkeerplaats, mag Erpel poseren bij een markante door kinderen gegraveerde spleetoogkop.

114a
Zomerhazen, rode reebok en roder roodborstje

 's avonds 17.45 - 22.15 uur
Het is maar een kwartiertje rijden van huis naar de parkeerplaats bij de verboden vennen.  Erpel en ik lopen vanaf de grote parking de zomeravond tegemoet. Na anderhalf uur verlaten we door boswerkers toegetakelde gemeentebossen en slaan een zandpad in. Links en rechts vette maïs. Ik kijk naar het pad en zie vossen- en hazenvoeten in het rulle zand. Ep heeft ook belangstelling voor deze voeten. Zijn neus gaat naar de grond en hij begint te speuren. Dan wil hij naar rechts de maïs in. 'Nee, Ep..! Kan niet..! Kom, ik lijn je ff aan.. Volg..!'
Even later houdt aan mijn rechterhand de maïs op en komen we bij een akker met laag groen gewas. (Ik ben geen boer en weet niet de naam van dit gewas. Toen ik jongen was en vaak de boeren in de buurt meehielp, verbouwden die dit groen nooit.) Naar drie zijden ligt het gewas tussen hoge maïs, naar 't noorden toe is bos.
Als ik aandachtig over de akker kijk, zie ik iets bruins bewegen tussen 't groen. Ik klap in mijn handen en dan zie ik een paar lange zwartgepunte oren omhoog gaan.
'Kom op, Ep. We gaan dat haas verrassen. Volggg..!' Ik loop, met Ep aangelijnd, de akker op. Dan leg ik hem af tussen het haas (omdat ik niet weet of het een moer of rammelaar is, schrijf ik hier HET haas) en het voor het haas dichtstbijzijnde maïsperceel: 'Afff Ep..! Afff..! Afff en blijfff..!!' Vervolgens loop ik met een grote boog om het zich drukkend haas heen, tot het zich precies tussen mij en Ep bevindt. Langzaam nonchalant loop ik richting haas. Dan schiet opeens een ander haas voor mijn voeten weg. Het rent richting bos. En als ik dan wat rondkijk, zie ik nog twee hazen. Ik maak foto's van ze. Ep blijft gelukkig braaf liggen.

Even ben ik het haas tussen Ep en mij kwijt, want alles is eender egaal groen op de akker, maar dan loop ik weer richting Ep. Je kan het zo niet missen, zeg ik tegen mezelf. En ineens spot ik het haas. 't Ligt plat in 't groen. Bijna onzichtbaar, maar zijn bruine oog verraadt het. 'Piep,' zegt de camera. Nog dichter nader ik het haas. 'Piep,' zegt de camera. Nog dichter... 'Piep,' zegt de camera.
'Stop Turf, zo is 't mooi geweest,' zeg ik dan tegen mezelf en draai af naar links en loop met een grote boog, het is weer eens een avond van grote bogen, om 't haas heen terug naar Ep. 'Braafffffffff... Braafffffffff Eppie... Grote jongen ben je. Kom maar..., mag je zo ff jakkeren. En daarna gaan we reeën kijken.'

Een kwartiertje later zie ik tussen bos en dorp drie hazen spelen in een wei, zo'n honderdvijftig meter uit bosrand. Eén van die drie is opvallend rood. Ik stuur Ep vooruit de wei in. Als ik zie dat hij de hazen ziet, schreeuw ik hem vrij: 'Vrij Ep! Vooruit! Zoekkkkkkkk...'
'Wef wef wef wef wef', blaft en rakt Ep de hazen allemaal de maïs in.
Als hij na een paar mins weer terug is, zeg ik tegen 'm: 'Zo Ep, braaffff... Goed werk! Ja, dat deed je heel goed, want die hazen moeten wel in conditie blijven, toch? Maar misschien was die in dat groen gewas wat ik niet ken wel zwanger of had ze jonkies.'
'Pfffttt...', antwoordt Ep.

Wanneer Erpel en ik druk doende zijn met speuren naar reeën, slaat in bosrand een paartje roodborsten alarm. Om mij maken de vogeltjes zich niet druk, maar van Erpel moeten ze echt niks hebben. Ze achtervolgen hem en schelden hem uit. Erpel negeert de vogeltjes. Hij heeft het te druk met sniffen en snuffen langs het pad.
'Ep lijkt niet op een kat, suffies! En hij heeft echt geen trek in een hap veren,' zeg ik tegen de roodborstjes, maar ze trekken zich niets aan van mijn commentaar en blijven Ep uitschelden tot we honderd meter van hun jonkies weg zijn.

Als we bij het weitje in 't verlengde van de smalle strook rogge komen, geeft Ep aan dat hij wild ruikt. Ik lijn hem aan en fluister: 'Ssttt Ep! Mond houden nu..!'
'Pfffttt...'
We sluipen naar een dikke eik. Voorzichtig gluur ik van achter de dikke boom de wei in. En dan zie ik 'm, oude reebok met grijze kop. Mag hij niet meedoen aan het achter wijffies jakkeren? vraag ik me af als ik hem op de foto zet.
Volkomen onverwacht komen vanuit het noordwesten vijf reigers aangeschreeuwd over 't bos. Ik vergeet de bok en wil de reigers knippen, maar krijg ze niet vlug genoeg in beeld. 'Böh böh böh böööwh,' lawaait de bok de dekking in. 'Hij zag me, Ep. Wat ben ik toch stom! Nu zijn alle reeën weg. We gaan verder.'
'Wrefff.'

Aangekomen bij het ven rent Erpel meteen het water in. Hij zwemt even en komt dan aan met een stok. Ik gooi de stok in 't water. Hij apporteert hem keurig. En dan spelen we met de stok. Kijken wie het sterkst is. De fox rukt en trekt en trekt... en natuurlijk wint hij. Trots daagt hij me uit om hem de stok af te pakken. Lukt me niet. Ach, in alles is hij vlugger dan ik. Ik krijg hem niet gevangen.

Na een klein half uurtje spelen met Erpel, het is dan tegen tienen, krijg ik opeens ontiegelijk zin in zwemmen, schop ik m'n sandalen uit, ruk de kleren van het lijf, smijt alles op de grond. 'Ep, bewaak!' Met ferme tegenzin gehoorzaamt Erpel. Ik ren het water in en zwem naar 't midden van het ven. Daar roep ik hem bij me. Zo snel hij kan zwemt hij op me toe, klimt op mijn schouder als ik watertrap. We spelen even. Ik duik onder en zwem van hem weg. Als ik boven kom, zie ik 'm rondkijken. In no time is hij telkens weer bij me. Hij zwemt als een waterrat.
'Nu ophouden, Eppie! Baasje wil even drijven.'
'Pffttt..'
Ik draai me op m'n rug en als ik drijf op het drie meter diepe water, zie ik de avondlucht zonder sterren maar met een halve, beetje rode maan. Ep zwemt rondjes om me heen.
Zo drijvend in het ven rust ik, geniet ik van de avond, van de schemer en van m'n hondje. En zo liggend op het stille water moet ik denken aan het verleden, aan hen die waren, aan mijn rottweilers en bouviers, aan een paar mensen die ik kende... Ik zweef weg in het verleden..., maar dan herpak ik me, gooi me om en duik onder: in water voel je je tranen niet.

Bolsterturf, vrijdag 15 juli 2005

115
Een vluchtend dier

Eksters rumoerden op de camping. En we zagen daar heel veel wilde konijnen op de paden en in de tuinen, plus één bonte specht die tikte op 'onze' berkenboom. Tijdens boswandeling zagen we van heel nabij een buizerd, een sperwer en twee bonte spechten. Erpel stootte tijdens het wandelen 'per ongeluk' een reegeit op, waar hij nièt achteraan mocht jagen. En in 't smalle perceel rog op grens van bos en wei, zat of lag een haas of vos. Jij en ik liepen over 't paadje langs dat graan, toen we opeens het koren hoorden ruisen en heftig zagen bewegen: een vluchtend dier. We houden het op haas, maar twijfelen: Erpel, die het een paar honderd meter najoeg, kan niet praten en wij zagen het ongeïdentificeerde dier dus niet. Helaas was er geen tijd voor nader onderzoek.

Bolsterturf, zaterdag 16 juli 2005

116
Zondagmiddagwandeling

Ik ben naar de hei, met vrouw en hond.
Zij vertelt, terwijl 't hondje dolt.
Ik loop achter haar, kijk naar haar kont.

Ach, waarom moeten mannen altijd luisteren?

Bolsterturf, zondag 17 juli 2005

117
Gemiste kansen

Erpel en ik lopen het moeras in. Langs het pad ligt een akker prei waarover mensen kruipen. Die mensen zijn duidelijk geen Nederlanders. Ze werken hard. Op hun knieën gaan ze over het harde, droge land en trekken - ik denk: voor een habbekrats - onkruid van tussen rijen prei. Soms roepen ze naar elkaar, in een taal die ik niet versta. Zelfs als ze mekaar aanschreeuwen werken ze door. Naar 't schijnt zien zij mij niet.

Denkend aan Polen en reeën lijn ik Erpel aan en loop tien mins door. En dan is er een jonge rikke, vijf meter voor me, in het groen langs 't pad. Ze snoept van wilgenblad. Ze heeft heel geen erg in hond en man, maar als de camera piept - 't ding stond uit - weft Ep en rukt hij aan de lijn.
Eén ogenblik kijk ik in twee reebruine ogen, dan springt het smalree af.

Ik weet het. Ik let te vaak niet op. Dan ben ik in gedachten waar ik niet zou moeten zijn.

Terug 't moeraspad af, kijk ik bijna terug bij de pinda nog 'ns goed naar de Polen. (Ik neem aan dat het mensen van die nationaliteit betreft.) Ze kijken niet om of op. Ze kruipen en ze werken, ze zien niks dan aarde, prei en weg te ritsen groen. Eentje werkt wat afzijdig, die is, denk ik, graag alleen. Een ander wiedt gebukt, heeft, denk ik ook, zere knieën. Deze mensen fascineren me, op een vreemde, niet te verwoorden wijze.

Dan stijgt een blauwe schreeuw de moddersloot uit waar Ep in springt. Even denk ik aan een Pool, maar zie dan dat het maar een reiger is, te ver al voor een foto.

* * *

Toen de reiger verschoot en schreeuwde, keek ik naar de Polen. Niet één van hen keek naar mij.

Bolsterturf, maandag 18 juli 2005

118
Timberjack

Om twee over vijf parkeer ik de pinda op de grote parkeerplaats, even voor het bord Allemanspad. Via deze lente en zomer vernield gemeentebos loop ik haastig naar de bleke bossen. Uitzicht op vernield bos doet me pijn.
Het is bewolkt, maar helemaal niet koud. Beetje zon zo nu en dan. Gauw genoeg duiken we bij de bleke bossen het paadje tussen bos en rog in. Veel is er niet waar te nemen. Wat konijntjes rennen het graan in. 'Nee Ep, mag niet. Volgen nu!' Voorbij de rog zit in wei een krooi ganzen tussen wat roodbont vee. Van over de bossen komen meer ganzen aangegakt. Het groepje op de wei wordt langzaam groter.

Bijna aan het eind van de roggestrook begint Ep te dansen op z'n achterpootjes. Hij probeert om over de rog heen te gluren. Ik lijn hem aan, want kan nu geen gerak en gekef gebruiken. En dan begint de rog te golven. 'Ep afff!' Ik maak een foto, maar helaas, op de foto zie je het golven niet. Ik hou de camera in de aanslag, ik wil een ree of vos 'schieten'. Nogmaals helaas. Een dikke honderd meter verder verlaat een rennend ree de rog aan weikant.

Ik prijs Erpel, omdat hij zich beheerste en keurig af bleef liggen. Ik aai hem over z'n koppie, zoek naar teken, dol even wat met hem. We spelen een spelletje pak me dan zonder herrie maken, een heel fijn spelletje, want hij begrijpt inmiddels wat ik met 'Ssstttt' bedoel.

Dan lopen we verder, richting ondiep eilandjeven. Als we een hoek omgaan, rennen twee vossen en een ree van een grove dennenkaalslag weg. 'Afff Ep! Afffffffffff!' Ik richt de camera op de vossen. Mis. Ik schiet alleen wat bomen. De vossen lopen harder dan ik dacht. Zelfs hun staarten staan niet in het venstertje quick view. En dan begint het ree me uit te schelden: bö bö bö... bö... bö... Ik tuur de schemerdekking in, zie z'n koppie. Ik knip en... dan zie ik niet een ree wegrennen maar nog een vos. Bö... bö... bö... scheldt weer de bok, maar nu een heel stuk verderop.
Ik wacht een minuut en dan mag Ep vrij. Ik wijs hem richting plek waar de derde vos naar me stond te kijken. Even later hoor ik wef wef wef wef. Ik lach. Van Eps gekef word ik altijd blij. Ik fluit twee keer en dan is m'n vriend terug.

Na drie uur struinen, lopen we terug naar de pinda. Opeens hoor ik verdachte geluiden. Ep hoort ze ook, hij begint te grommen. En ja hoor, iemand met een groene supertank is bezig het bos om te zagen. De tank - Timberjack (deze naam staat in grote witte letters op de tank) - grijpt de bomen, zaagt de stammen door, ramt er de takken af en laat vervolgens alles domweg vallen. En dat in begin zomer! Het onding pakt àlle met een rode stift gemerkte bomen en vernield ze. Alle gemerkte bomen, ook bomen met vogelnestjes, met eieren, met kwabben gaan tegen de vlakte! Ja, het smijt alle gemerkte bomen, en dat zijn er veel, tegen de grond, boven op jonge haasjes en ander pril leven! Ook walst het struiken en bloemen en kruiden plat! Wee konijntjes, muizen en kikkers die niet vlug genoeg uit de voeten kunnen komen! Alles en iedereen wordt geplet!
Timberjack gaat tekeer als een tank in oorlogstijd. Hij ronkt en ramt en snijdt en schrobt en schilt en plet en walst en dreunt. Een kraken van takken, het dof gebonk van ijzer tegen hout en de plof van stammen op bosbodem. Ik word er droevig van, maar het is niet anders, het moet zo zijn: waar de ene mens probeert te genieten van de natuur, scheurt een ander flora en fauna aan flarden.

De bestuurder van Timberjack groet me. Ik groet terug. Wat kan ik anders? Zo is het leven. Hij is maar een knecht. Politici en ambtenaren laten dit gebeuren. Het is niet de boswerker, nee, het zijn de magistraten ten gemeentehuize die verantwoordelijk zijn voor dit boosaardig, onverantwoord en onethisch bomen omdoen.
Ik loop naar het Allemansbord en lees de teksten erop aandachtig. Ach, denk ik dan, 't is toch wat! Hier betaalt de Europese Unie voor het in lente en zomer naar de kloten helpen van een Brabants bos.

Ik verwonderde me over het aantal hazen, vossen en reeën in de bleke bossen. Geen wonder dat alle volwassen reeën, vossen en hazen op een kluitje zitten in deze al vorig jaar door Timberjack vernielde bleke bossen, weet ik nu. Ze kunnen nergens anders heen!
En ik weet ook, dat de natuur zich zal herstellen, langzaam zal herstellen. Wat ik niet begrijp is alleen maar dit: waarom moet het zo? Waarom in lente en zomer bomen omdoen? Waarom zoveel bomen kappen? Waarom kan het allemaal niet wat dier- en plantvriendelijker? Waarom moeten vernielde bossen klantvriendelijk, bezoekersvriendelijk zijn? En waarom mogen de bosbezoekers waar het Allemansbord op doelt, de wandelaars, de fietsers en de mensen in rolstoelen, alleen maar genieten van vernielde bossen?

Bolsterturf, dinsdag 19 juli 2005

119
Zomerwestenwind door riet en kattenstaarten

Tussen werk en werkvergadering door half uurtje naar moerasrand. Machtig mooi zonnig zomerweer. Tweeëntwintig graden in de schaduw. De onstuimige zomerwestenwind waait over bramen en door riet en kattenstaarten. Een houtduifdoffer klimt een eindje de witte wolkjeshemel in, om vervolgens schuin omlaag te glijden naar een eikenboom. In die dikke oer hollandse eik tussen moeras en maïs zie ik zijn duifje zitten. Zij wacht op hem. Er is wat (door westwind overwaait) geroezemoes tussen de takken, wat heftig vleugelgeflap. Dan is het even stil, tot zacht en lief zijn roe-kroè koe-koe - roegroè-gr-gr roe-kroè koe-koe - koek met wind mee in mijn oren blaast. Ik glimlach, weet dat die twee nu een plat en slordig nest gaan bouwen.

Als ik terug loop naar de auto valt me zomaar op, dat aan mijn rechterhand dode moerasbomen staan en dat die dode bomen hoger reiken dan het frisse zomergroen rontelom. 't Zijn verdronken berken, denk ik. Maar dan ben ik bij de pinda. Ik kijk op m'n horloge, open het portier en stap in. Ik haat vergaderen.

Bolsterturf, woensdag 20 juli 2005

120
Timberjack 2

Een droeve dag. Timberjack is weer bezig. Hij walst over konijnenholen met jonge konijntjes en zaagt de met rode streep gemerkte boomstammen door en smijt die afgezaagde bomen - ook die met nestjes, kwabjes en eitjes! - tegen de grond.
Tien meter voor Timberjacks's rupsbanden groeit een berkenzwam, laag bij de grond op dode berk. Ach, de berk is toch al dood en waarom zal ik wachten tot TJ de bruine zwam vernietigt?

Bolsterturf, donderdag 21 juli 2005

121
Moeraswater pompen

Om half tien in de mooie zomeravond staat er zomaar een grote dieselmotor te keer te gaan aan de rand van 't moeras. Een boer of tuinder plaatste motor, pomp en wagen bij een vroeger ooit geslagen put. Ik speur met gemak de brede tractorbanden en zie een waterslang de put in gaan. Nu pompt de diesel water van onder 't moeras weg en stuwt hij het door grote slangen naar een akker met verdord gewas wat verderop.
Honderd meter verder dan de pompplaats voerde staatsbosbeheer, waterschap of andere instantie een peilbus de moerasgrond in. Zal men zich bij die instantie gaan verwonderen over de lage grondwaterstand?
(De volgende morgen (23 juli) om zeven uur waren kar en pomp en diesel al weer weggehaald. Ach, als ik boer of tuinder was, zou ook ik water pompen.)

Teunisbloemen, ze staan al weken in bloei. Deze staan op een kruising waar geteerde landweggetjes samen komen. Ook staan ze voor een bioboerderij. De dieren in de grote schuren kunnen niet genieten van hun felgele bloemenpracht.
Het patrijzenpaartje op de akker met rijtjes groen zal wel de teunisbloemen kunnen bewonderen, maar pa en ma patrijs - waar zijn hun jonkies gebleven??? - zijn  te druk doende met 't verzamelen van een karig en met gif bespoten maaltje.

Bolsterturf, vrijdag 22 juli 2005

122
In allervroegste ochtendschemer

In allervroegste ochtendschemer komt een reegeit het klein eilandven uitgestapt. Ze trekt zich niks aan van het groene bordje dat mensen plaatsten aan de rand van 't ven, want dit is wat ze ziet van 't bord en dit wat ze toch niet zou kunnen lezen.

Reebok in zomerwei. Zijn geliefde loopt even verderop. Hij is breed en vierkant, zij rank en slank. Een oude heer met jongedame. Da's heel gewoon in reeënland. Ze doen zich tegoed aan de kruiden in het hooiland. Zò lang is 't gras, dat ze vaak helemaal niet te zien zijn, maar telkens weer zekeren ze, dan gaan hun koppies hoog, kijken ze of het nog wel veilig laveien is.

Hij zoekt haar op, komt naar haar toe. Dan begint hij haar te drijven. Ik bereid me voor op actie. Ep ligt te bibberen van ongeduld en opwinding. De jonge deerne rent weg, de lange, hoge rogge in. De bok snelt achter haar aan. Na een half uur wachten zijn ze nog niet terug gekomen.

Op weg naar huis valt me een elzentak op met oude en nieuwe proppen. De oude zijn zwart en open, de nieuwe groen en compact. En dan, bijna bij de pinda, wijs ik Ep de zwartgepunte oren van een haas. Hij ziet ze niet, die oren, die ronde Bolsterturf met lange oren ziet hij niet. Een hond kan een ver weg en stil zittend haas nooit waarnemen, en als we naderen verdwijnt het haas in 't bos. Maar, gekomen bij de spot waar het haas zat, gaat een hondenneusje aan de grond en even later hoor ik wef wef wef.

Bolsterturf, zaterdag 23 juli 2005

123
Erpel in 't groen

Hoogzomerzondag over 't Brabantse land. De jonge, grasgroene tarwe waar het reewild van 't voorjaar volop van snoepte, ligt nu, met gele en lange en duizend keer taaier halmen, onder zon en schaduw te wachten op z'n oogst. Hardgoud en strogeel zijn aar en halm geworden, maar waar enorme schaduw van bos over akker valt, lijkt alles veel minder goud en geel, ziet het oog meer donk're tinten, is alles bruin en donkergroen wat goudgeel is in 't volle zonnelicht.
En de reeën? Die eten nu geen tarwe meer, die verschuilen zich nu - met al die zomerdagjesmensen rontelom - overdag in dichtste bosjes en in nog dichtere rogge en maïs. Al hebben ouders ree eind juli veel zin in vrijen, ze willen zich hier niet meer vertonen. Toch zijn de moeders Rikke om deze tijd dus volop met de bokken aan het dollen. Maar waar? Hun kalfjes lopen nu een paar dagen verloren rond. Maar waar? Reeën, ik speur ze hier vandaag nauwelijks. Misschien rusten bokken en geiten uit? Misschien is, was de reebronst dit jaar zò ontiegelijk vroeg, dat alle kalfjes al weer samen met hun moeders zijn?

Voorbij de tarwe zet ik Erpel op een dun reespoortje. Hier en daar zie ik de kleine, sierlijke hoefjes afgedrukt in de landweg. Zijn het de hoefjes van een reekalfje op zoek naar de moeder?
Waar in slootwal hoog opgaande rosepaarse bloemen staan voor een woud van hoger maïs, verdwijnen de hoefjes in het meer dan manshoog, nog niet geoogst veevoer. Ik staak de speurtocht. Het gaat niet aan om Erpel achter een in de steek gelaten reekalfje aan te sturen.

Uurtje later en heel ergens anders maak ik 't goed met Ep. Gaan we samen met een stok spelen. Ik gooi de stok zo ver mogelijk het bos in. Erpel zoekt en vind 'm. Ik smijt de stok in groen kanaaltje. Erpel springt er achteraan en vist hem uit het groen. 't Valt me op, dat de stok helemaal onder 't kroos zit, maar Erpel weer terug uit kroos en water kroosloos is. 'De kroosjes moeten je niet, Ep! Je bent te vet en te glad!' 'Pfttt... Wefff... Wrefff..?' En weer gooi ik de stok...

Bolsterturf, zondag 24 juli 2005

124
Zomerregenbuienavond

Regenvlagen over groene paardebloemenklaverwei. Door natte flarden rent een ree van midden wei naar bosrand toe. Erpel ziet het dier niet. Die is bezig met het uitwerken van een spoor. Dan rijst een haas, pal voor zijn neus. m'n vriendje weft de langoor achterna, de grote blauwe bossen in.

Een wei met heel lang gras dat bloeit. Regen probeert het plat te leggen. Ik sta in de bosrand en kijk uit over dit mislukte hooiland. Het is leeg van ree en haas en vos. Het gras is nat en lang en ik loop op lage schoenen, dus banjeren Ep en ik door de bosrand - een pad is er niet. Ep hoor je niet gaan, maar dorre takjes kraken onder grote, lompe voeten. Een houtduif vlucht weg uit een grove den, een roodborst pinkt alarm, een bosuil roept één keer en een sperwer snelt voorbij. En dan rennen opeens toch twee reeën, oude bok en smalree, door het lange groen. Ze bereiken een roggeakkertje en zweefspringen het koren in, de ranke, jonge geit voorop, de meer vierkante, oude bok pal achter haar. Dan sprint ook Fox  de rogge in. De bok scheldt bö bö bö, 'n paar honderd meter verder in d'avondschemering. Ik geef hem groot gelijk, want nooit kan hij eens ongestoord genieten van zijn minnares.

Drie grauwe ganzen gakken van links over de bossen. Ze ontmoeten drie ook pratende soortgenoten die van rechts komen. Ze vliegen met z'n zessen zwijgend verder. Hoe anders toch gedragen mensen zich.

Vijf konijnen zitten in de regen voor hun holen aan heiderand. Ik laat Ep los. Hij jakkert ze allemaal onder de grond. Nu worden ze niet meer nat en krijgen heel misschien geen myxomatose, zullen hun ogen en geslachtsdelen niet wegrotten.

Bolsterturf, maandag 25 juli 2005

125
Reeën en hun prenten

Een bloedhete zomerdag. Samen met Erpel wezen zoeken naar reeën en reeënsporen, van twee uur 's middags tot zeven uur 's avonds.

Voor een zwarte kat is reewild een maatje te groot. Zij is op muizenjacht in een grote, diepe, droge sloot. Als ik naar haar kijk, kijkt zij achterom naar mij. Ze blijft heel rustig een tijdje kijken, maar zodra Erpel de sloot in springt en ik schreeuw: 'Ep, foei! Teruggg!' schiet ze tegen de wal omhoog en verdwijnt in hoge maïs.

Reesporen vind je overal in bos en hei. De sierlijke, harde hoefjes staan heel duidelijk afgedrukt in het los zand van de grote, onverharde paden. En ook langs randen van koren-, aardappel-, bieten- en maïsakkers kan je ze vinden. Heel scherp en duidelijk staan ze zelfs afgetekend in de bandensporen van met heide begroeide bosweggetjes.

Waar ik reehoefjes graanakkers in zie gaan, houdt voor mij het speuren op. Voor Erpel echter nog niet. Die is toch zo heel veel beter in speuren dan ik. Hier vertelt hij me, dat er echt geen ree meer in dit perceel rogge zit.

Bij een bietenakker even verderop, is Erpel opeens uiterst actief. Hij rakt door de bieten, zweefspringt er doorheen, tot een groot haas de bieten uit sprint en met Ep achter zich aan, nauwelijks een meter voor me langs, het bos in zigzagt. Door het zigzaggen, het haken slaan van 't haas, rent Erpel telkens een eindje niet meer achter 't haas aan. Hij is het dan ook zo kwijt, maar als dan zijn neus aan de grond gaat en hij op 't hazenspoor het bos in snuft, roep ik 'm terug. Hij kijkt wat teleurgesteld, dus zeg ik tegen 'm: 'Tjonge toch, Ep, je hoeft niet te balen. Als er eentje mag balen ben ik dat, want ik 'schoot'  geen haas maar enkel boomstammen.' In zulke gevallen antwoord hij dan meestal met een wat minachtend 'Pfttt...'.

Op één van de mislukte hazenshots zie ik een dode berk. Zo te zien is de boom al heel lang dood. Flarden schors zitten niet meer aan het dode hout vast, nee, die hangen zomaar los rond de wegterende stam, waarin spechten gaten en spleten hakten. Maar dan zie ik, een meter of twintig naar rechts, ontieglijk uitbundig, jeugdig, vrolijk en fris ogend berkengroen. De zon schijnt op de tere, zachtgroene blaadjes, waartussen, hoewel 't pas juli is, toch al gele en lichtbruine. Allemaal worden ze gekust door de zomerwind. En dan, zomaar ineens, zie ik bruine en gele sproetjes in het gezicht van een vrouw in de zomer van haar leven. O, als bomen vrouwen waren, zou ik willen kussen met een berk.

Waar een boer met tractor en kar een pad door maïs baande, vind ik de meest duidelijke reeprenten van de dag. Heel duidelijk staan hoefjes gedrukt in de akker. Die van rustig lopend reewild, en die van rennende reeën. Wanneer een ree hard gaat zie je de kleine bijhoefjes ook afgetekend in de bodem.

De meeste hoefafdrukjes zijn niet vers. Op de ene foto zie je een verse prent, op een andere foto een al paar dagen oudere afdruk. Beter dan aan foto's, is aan Erpel het verschil in ouderdom van de afdrukken af te lezen. Hij negeert overdaagse prenten en duikt fanatiek op verse sporen.En dan vind ik waar ik vandaag naar zocht. De afdrukjes van reekalfjes. Het maïspad staat er vol mee, met allerhande reeprenten. Kriskras staan hier de hoefjes van heel het reeënvolkje door mekaar heen.

't Pad door de maïs komt uit op een boerenlandweggetje. Als Erpel en ik dat aflopen, zie ik op zo'n tweehonderd meter een ree staan voor hoge maïs. Door de zoeker van de camera word ik gewaar, dat het een grote geit is. (Een kijker heb ik niet bij me, zo'n ding is lastig mee te sjouwen als je ook foto's wil maken.) Ze is eigenlijk te ver voor een foto, maar ik knip ze toch.

Op weg naar de pinda, uit de maïslanden weer terug in 't bos, kijkt er een reegeit naar Erpel en mij. 'Kom op, Ep, gewoon doorlopen. Volg! Volggg!...' De geit blijft rustig staan. Als we een hoek omgegaan zijn, leg ik Erpel af. En dan knip ik d'r van achter een grote beukenboom.

Het derde en laatste ree dat ik vandaag zie is ook een geit. Vanaf een bospad zie ik haar staan in lang gras - geen gras om te hooien, maar gewoon (te) lang gras. Ik gebied Erpel: 'Achter! Achterrr! Volg!' en dan besluip ik haar, met rustig Erpeltje op m'n hielen. Soms trapt hij op m'n hakken, maar da's niet erg, want ik heb werkschoenen aan. Een warm juliwindje waait in m'n gezicht, maar de rikke staat flink opzij in de wei. Erpel krijgt geen geur van de geit en zij niet van hem en mij. En Ep kan door 't hoge gras het ree niet zien.
De rikke dicht genoeg genaderd, maak ik vlug een paar foto's, telkens als ze even zekert, een paar tellen haar hoofd heft uit het lange gras. Dan sluipen Ep en ik terug. Als ik terug ben op het pad, zie ik opeens twee reeën. Een grote en een kleine. 'Verd..., Ep. Ze heeft ook een kalf. Dat zag ik niet.' 'Pfttt.'

Tijdgebrek noopt me van een tweede besluiping af te zien. Vlug langs een roggeakker naar de pinda toe. Maar dan zie ik op een roggeaar een prachtige libel en achter de smalle strook goudgele rog een blauwe reiger op een paaltje. Ik weet niet wie het eerst op de foto te zetten, reiger in paaltjespose op paaltje, of de blauw met witte libel.
Als ik de camera weer aanzet, hoor ik tuut tuut tuut. '
Battery empty ' forces me to go home immediately.

Bolsterturf, dinsdag 26 juli 2005

126
Geweide in sloot achter giertank

Struinen van 14.00 uur tot 19.15 uur
Twee paar zwartgepunte oren in een wei. Ik wijs ze Erpel en hou de camera gereed. Ik wijs nogmaals en zeg: 'Vooruit Ep! Zoek haas!' Ep zoekt en vindt, maar de achtervolging gaat te snel en de maïs is te dichtbij om Ep achter haas te kieken.

Iemand gooide drie of vier jaar terug - hoe dom toch van me dat ik het niet meer precies weet! - wat waterleliewortels in het grootst verboden ven. Waterlelies groeien snel en bloeien mooi. Dit vind ik de mooiste foto van de waterlelies van vandaag, maar ik ben niet tevree. Vraag me niet waarom niet. Heb liever de witte waterlelie lief.

Oude beuken met bruin blad, langs drie meter diepe droge sloot door Brabants landschap. Ik sta op een smal en gammel bruggetje, onder me de waterloze sloot. Ik richt de camera, éénmaal naar links, éénmaal naar rechts. De foto's vallen me tegen. Toch ben ik tevree. Waarom? Omdat Ep piste tegen de dikste beuk en ik de dunste kuste.

Een giertank ligt in een slootje dat door weiden gaat. Voor het slootje een gecamoufleerd schiethutje. Vanuit zo'n hutje kan je met een hagelgeweer nietsvermoedende duiven, ganzen en eenden de lucht uit knallen. Ook kan je met hagel of kogel vanuit zo'n hutje een haas of ree schieten, maar dat laatste is natuurlijk makkelijker, gerieflijker te doen vanuit een auto.

Ik ben Erpel kwijt. Pas na drie keer roepen gluurt hij om de ronding van de giertank. Dan is hij weer weg. Ik schreeuw hem toch bij me. Dan gaan we samen terug. Hij wijst me dan op een hoop darmen en bloederige resten. Dat is wat over bleef van een geslacht ree.

De zoveelste bui van vandaag. Het regent in het borstenven. Haar boezem moet gevuld, dus is de regen welkom. Ep en ik schuilen op 'ons' bankje onder grote beuk. Daar blijven we droog en kan ik foto's maken, terwijl Ep wat rondsnuft in het bos rontelom.

Een uur na de bui hebben zon en windje bos en akkers al weer droog. Op grens van kreupelhout en schapenwei knip ik wat konijnen en, hoe kan het anders, schapen.
Als we daarna verder lopen, kleurt in 't zuidwesten de lucht donkerblauw. Alles wordt opeens vreemd stil. Dan één bliksemflits, meteen gevolgd door knetterende donderslag. Ik schrik. Ep schrikt erger. Hij springt wel een meter opzij! Ik word bang en ren een maïsveld in. Als Ep en ik samen zitten - we bibberen net niet - in de maïs begint het heel zachtjes te regenen, een milde regen die helemaal niet past bij onweer. Maar zittend in de maïs voel ik de regen niet. Meer flitsen en donders, waar ik op wacht, blijven uit.

De regen duurt deze keer maar even. Snel trekt de onweersbui weg. En dan schijnt weer de zon over 't mooie Brabantse land - mooi als je bioschuren uitsluit. Ik kan me er toch zo aan ergeren, ergeren aan zoiets als dat er bioschuren zijn, dat er bioboeren willen zijn.

Bijna uitgestruind wijs ik Erpel een ree. Hij ziet het niet. Hij is te klein, te laag bij de grond en het gras is te hoog. Ik laat het ree gerust. Het is volgens mij een moeder wier kalfje(s) ik niet kan zien: grote en kleine, scherpe prenten stonden afgedrukt op het pad naar de wei. 'Kom Ep, we duiken nog even het diepst verboden ven in.' 'Wefff!'

Bolsterturf, woensdag 27 juli 2005

127
Plataan, maan, wolken en gierzwaluwen rond twaalven

Zonnige julidag. Benauwde warmte hangt in de tuin. De klok boven in de katholieke kerk klepelt twaalf. Een zwoel windje kust plataanbladeren die glanzen in het zonnelicht, maar rond twaalven staat nog altijd de maan aan felblauwe hemel. Die maan - ik zie hem maar half en soms helemaal even niet - is omringd door langzame, witte wolken. Voor maan en wolken langs reppen zich een tiental gierzwaluwen. Die laatsten zijn mugjes en vliegjes aan het vangen.
Ik kijk door de zoeker van m'n camera en laat
als ik knip een zwaluw onder, boven of naast de maan vliegen.

127a
Vlug een half uurtje naar de hei

Na zitten, lezen, denken en te lang dagdromen in de achtertuin vlug met Erpel een half uurtje naar de hei. De hei is altijd stil en mooi en heeft nooit haast. Ik wel, ik heb wel haast vandaag, want moet nog gaan werken. Sjonge zeg, ik vraag me soms af: kan ik werken haten, omdat ik van de heide nooit iets moet?
Altijd weer kunnen Ep en ik genieten van de hei, ook als dat genieten maar eventjes duren mag. Zo dus ook vandaag. Terwijl m'n hondje struint en zwemt, maak ik foto's.

Het is bedriegelijk stil op de hei. Naar 't schijnt rust en vrede alom. Geen hinderlijk geruzie en gevecht waar ik me mee bemoeien moet. De vogels zijn stil van 't hete zomerweer, de kikkers kwaken niet en de hei lijkt helemaal leeg van leven. Lijkt, niet is, want als je oplet en echt wil zien, merk je meteen, dat de dieren het druk hebben: een motje zet zich op een eikenstam; spinnetjes eten vlieg; een kraai gluurt rond vanaf een kale, dode galgenboom; slakken haasten zich langzaam wandelpaden over; maden eten dode kikkers; mieren rennen af en aan, minstens één van hen is aan 't knokken met een wespje; een teekje kruipt tegen mijn linkerbeen omhoog, die wil de broekspijp in; enzovoorts.

Ook 't niet dierlijk heideleven is op haar manier druk doende, al is het maar met overleven, met water en voedsel uit de bodem halen. En de bomen en planten maken zuurstof. En ook produceren ze allemaal zaadjes, of sporen als het organisme bij voorbeeld paddenstoel of varen is.

Ik knip een paddo met bruinige hoed die fel afsteekt tegen karige grassen en zowat als dat gras getinte struikhei. En een paar honderd meter verder, bij het borstenvennetje, zet ik dorstige blauwe gentianen op de foto. Die gentianen blauwen daar tussen gras en veelal uitgebloeide, al herfstbruin wordende dophei de dorre bodem.

Ach, de hei is groot en weids. En alle heideleven is te veel leven om te kunnen fotograferen, zelfs te veel leven om van alles melding te kunnen maken. Ik kan maar heel weinig opschrijven van alles wat ik zie en hoor. En wat ik verneem van 't heideleven is maar een heel klein beetje heideleven. Ja, ik weet, ook op de hei gaat bijna alle dood en leven onopgemerkt aan me voorbij.

Dood en leven. De strijd om het bestaan. Eten en gegeten worden. De natuur is mooi, maar wreed en onmeedogenloos. Als ik daarvoor een verklaring zoek, kom ik er niet uit. Ach, alleen dit wil ik vandaag nog kwijt: de dazerik die me om ongeveer twee uur tien vanmiddag in mijn rechterwang stak is dood.

Bolsterturf, donderdag 28 juli 2005

128
Vos at geweide waar Rikke de weg weet?

Grasduinen van 14.00 uur tot 19.10 uur
Boven een wildweitje waar ik reeën vermoed, hangen blauwe wolkjes. Ik hoor de tractor die de wolkjes uitpuft, zie het ding niet. Hoge rog staat in de weg.
'Dit wordt niks, Ep. De boeren zijn bezig. Kom, gaan we verder.''Wefff.'

Op het pad naar de ingewanden - jagers noemen het niet ingewanden, maar duiden ingewanden met het lieflijk woord geweide - wat Erpel eergister vond, ligt een platte rat. Er kruipt een made uit de rat. Erpel wil er aan gaan snuffen. Vlug roep ik hem terug.

Het geweide is kleiner geworden. Een vos of hond of kat heeft de roodgekleurde delen en de stukken dos (reehuid) opgevreten. Wat over is van het geweide lijkt op 't eerste gezicht vier grote eieren te zijn. Erpel snift en snuift rond de giertank en in de sloot, maar de maderige restanten van het geweide komt hij niet aan. 'Ja Ep, dit is wat over bleef van een sierlijk ree. Mensen hebben het dood gemaakt, geslacht en het geweide in de sloot gekieperd.' Ep antwoord niet. Hij rakt alweer door wei.

Er laveit (graast)een ree op grens van maïs en wei. Ep en ik besluipen het. We gaan simpelweg door de maïs. Ik maak na ongeveer tien, vijftien meter sluipen telkens een foto van het ree. Dicht genoeg bij gekomen, zie ik dat het een rikke is. Een kalfje kan ik nergens ontdekken. Ook gedraagt de geit zich niet als moeder van een kalfje. Dus sluipen Ep en ik nog dichter naar het ree toe. 'Stttt Ep,' fluister en gebaar ik, 'achter blijven. Achterrrr...' Als ik foto twaalf genomen heb en terug wil gaan, zit Erpel opeens achter een konijn aan. 'Wef wef wef.' 'Erpullllllllllllll hierrrrrrrrrrrrrrrr...' En tuurlijk gaat mevrouw Ree er dan vandoor. En ja, ik schaam me, want pakte Ep bij zijn nekvel en tikte hem op zijn neus.

Ik maakte dat op neus tikken direct weer goed met Erpel. We zwommen samen een heerlijk half uur in een ven. Ik dook naar kikkers en Ep vermaakte zich met kijken en happen naar zwevende en parende waterjuffers. Toch zitten die neustikken me niet lekker.

 

Bolsterturf, vrijdag 29 juli 2005

129
Patrijzen bij stoplichten en tussen rijbanen autoweg

Twee patrijsjes scharrelden vanmorgen tussen de rijbanen van de grote vierbaansweg E - H. Terwijl ik wachtte voor het rode stoplicht, pikten ze onkruidzaadjes op uit een strookje door rijbanen ingesloten verwaarloosd groen. Dat stukje natuur tussen beton en teer is maar een paar meter breed, en auto's gaan vaak te snel als het lichtsignaal groen is, veel sneller dan een patrijs kan lopen of vliegen.

'Tuuuuuuuuuuuuut tuuuuuuuuuuuuut tuuuuuuuuuuuuut' claxonneerde een stukje menselijk ongeduld me door groen.

Bolsterturf, zaterdag 30 juli 2005

130
Over steekmuggen en gierzwaluwen

In de winderige laatste julidag 2005 lopen jij en ik het brede puinpad af, richting nog verwegge caravan. Links van ons zien we door Timberjack toegetakeld bos; naar rechts hebben we uitzicht op kilometers maïs, afgewisseld door wat weiden waarin roodbonte melkkoeien. Jouw gecoate regenjas zit vol met zich verzamelende dazeriken die, denken wij, houden van waxlaaggeur. Ik sla er een paar dood, maar dan zeg je: 'Niet doen! Gewoon laten zitten, want dan steken ze niet.' Als ik je vraag even stil te blijven staan om een foto van de steekvliegen te maken, komt er een groot haas uit de maïs gerend. Het schrikt van ons, maakt rechtsomkeert en wil de lange, groene stelen weer in. Maar dan is daar opeens Erpel waar hij bijna tegen aan botst. 'Wef wef wef wef wef,' rakt ons rakkertje het haas de kapotte bossen in. De dazeriken schijnen het allemaal niet te zien of te horen. Die lijken wel bedwelmd door de geur van je regenjas. Ik kijk naar je jas, naar de dazeriken en naar je kont als je even voorover buigt om je schoenveter vast te maken. 'Kijk alles er maar af,' lach jij. 'Auw, verd...,' vloek ik, 'prikt me er eentje in m'n nek.' En dan vraag ik: 'Ga maar krom staan!? Sla ik ze allemaal kapot!' Jij lacht en zegt: 'Zou je wel willen, maar mooi niet.'

We lopen stug door en kletsen over 't werk en de buurman die knettergek aan 't worden is, wanneer jij opeens wijst: 'Kijk, je kan van hier over de maïs heen de torens van kerk en abdij zien.' 'Ja, zou daar vroeger echt een klooster gestaan hebben?' 'Jazeker,' antwoord jij, 'maar nu is het een verpleeghuis.' Ja,' zeg ik, 'ik haat verpleeghuizen.' 'Praat toch eens gewoon,' antwoord jij daarop. Hierop geef ik geen respons, maar wijs op mijn beurt: 'Kijk schat, daar voor dat berkje aan de slootkant links staat een rekke.' Het ree had ons gehoord en hoeft niet op de foto. Het springt af, donker maïswoud in.

Al lang weer thuis van 't wandelen - we hadden geluk en bleven droog - kijk ik in de vroege avondschemer naar de lucht. De zon schijnt van achter blauwzwarte wilde lucht op verwegge witte wolken. Ik spiedt het luchtruim af. Waar ik gister nog één gierzwaluw zag vliegen, zie ik er nu nul. Ik roep naar binnen: 'Ze zijn allemaal weer terug op weg naar tropisch Afrika.'

Bolsterturf, zondag 31 juli 2005

index juli 2005
0100 01-07-05 Geveld door storm en door braam en kamperfoelie overwoekerd
0101 02-07-05 Als 't vliegt is 't blauw, als 't zit is 't wit
0102 03-07-05 Van koeien, bloemen, bijen, vlinders en sprinkhanen
0103 04-07-05 Slak eet paddenstoel op dode beuk - in juli!
0104 05-07-05 Onlandberenklauwen en onlandonkruid
0105 06-07-05 Jeugdkamp in nat zomerbos
0106 07-07-05 Venvogeltjes, vorkstaartvogeltjes, blauwe gentianen en een lariks
0107 08-07-05 Zwarte schapen, witte pispotjes en een stervende berk
0108 09-07-05 Nevel over het moeras
0109 10-07-05 Van een dom eekhoorntje en meer
0110 11-07-05 Vermoorde kleine of grote specht
0111 12-07-05 Rode vos, rood ree, blauwe reiger, grijs en zwart konijn
0112 13-07-05 Phallus
0113 14-07-05 Vroege reebronst en grauwe zomerganzen
0114 15-07-05 Zomerheidevaria
0114a 15-07-05 Zomerhazen, rode reebok en roder roodborstje
0115 16-07-05 Een vluchtend dier
0116 17-07-05 Zondagmiddagwandeling
0117 18-07-05 Gemiste kansen
0118 19-07-05 Timberjack
0119 20-07-05 Zomerwestenwind door riet en kattenstaarten
0120 21-07-05 Timberjack 2
0121 22-07-05 Moeraswater pompen
0122 23-07-05 In allervroegste ochtendschemer
0123 24-07-05 Erpel in 't groen
0124 25-07-05 Zomerregenbuienavond
0125 26-07-05 Reeën en hun prenten
0126 27-07-05 Geweide in sloot achter giertank
0127 28-07-05 Plataan, maan, wolken en gierzwaluwen rond twaalven
0127a 28-07-05 Vlug een half uurtje naar de hei
0128 29-07-05 Vos at geweide waar Rikke de weg weet?
0129 30-07-05 Patrijzen bij stoplichten en tussen rijbanen autoweg
0130 31-07-05 Over steekmuggen en gierzwaluwen


Bolsterturf © bolsterturf.nl

IntroHoofdpaginaInhoudsopgaveNatuurdagboekRecentVideoHoogzitten en jachthuttenMuziekGedichtenOver bolsterturf en Bolsterturf
Stukjes tekst, video's en foto's van bos, hei en waterkant; over grasduinen en struinen in natuur en veld, over zon en wind en buiten zijn
<<<<<<<<<<<<<< Home >>>>>>>>>>>>>>