|
Bolsterturfs natuur B o l s t e r t u r f s n a t u u r Dagboek juli 2005
100 Oktober 2002 De storm verzamelde ook al zijn krachten en ging gemeen doen. Hij liet zijn stormwind draaien om de eigen as. Hij - dronken, woeste duivel - greep de eik bij zijn geweldige nek en kruin, kreeg er vat op, maar toch weigerde de machtige boom om de nek te breken. Nee, deze eik wilde niet zomaar omwaaien of breken. Maar in plotse vlaag van wildste woestenij haalde de storm dieper adem, verzamelde meer en meer wind en draaide met woeste ruk de eikenstam kapot. Hardhout kraakte en splinterde en toen, alsof reus met gebroken been, viel de grote Goliath. Juli 2005 Braam en kamperfoelie groeien hoog tegen wat over is van gevallen, maar nog levende, keiharde eik. Zal de eik nu spoedig sterven? En wie van beiden zal winnen, wie als eerste de hoogste tentakeltop bereiken? Braam of kamperfoelie? Bolsterturf, vrijdag 1 juli 2005
101 't Is drukkend en benauwd in 't zomerbos, en 't begint te regenen. Wij wandelen van verboden ven naar verboden ven. Erpie rakt door 't onderhout. Jij loopt voor me uit, over 't smalle pad. Je bent in 't zwart vandaag: korte zwarte broek en dunne zwarte blouse, want reeën hebben schrik van geel en wit. Ik kijk naar je zwarte rug en je bruine benen, en ook naar de regendazen die zwermzoemen rond je ronde koppie en rond je zwarte plu. Telkens als zo'n daas, zo'n blinde steekvlieg je prikken wil van achter, mep ik 'm met mijn plu. We zwemmen even in het diepst verboden ven en daarna, bijna bij de zonnewijzer, die het vandaag niet doet, wijs je: 'Kijk, een boomblauwtje!' Bolsterturf, zaterdag 2 juli 2005
102 Van koeien, bloemen, bijen, vlinders en sprinkhanen 'Zie je die éne korenbloem? Hij springt er echt uit!.. Hij valt op tussen al dit boerenbloemenpaars.' 'Wrefff wrefff wrefff...' ' Kijk! Een sprinkhaan!''Waar?' 'Hier natuurlijk. Hij zit in 't lange gras.' 'Niet bewegen! Probeer ik 'n foto van 'm te maken.' 'Ja, doe maar.' 'Ik zie 'm niet. Waar zit i dan?' 'Dààr! Schuin achter die koolzaadstengel en net links van de kamille.' 'Welke kamille? Ah, ik zie 'm! Even de camera op macro zetten... Waar is i nou gebleven?' 'Auw, d'r staan hier ook brandnetels tussen 't gras.' 'Moet je maar een lange broek aan doen als we 't veld ingaan.' 'Nou zeg!.. Ik ga terug naar 't pad! Zoek 'm zelf maar, die sprinkhaan!' 'Heb je 'm?' Bolsterturf, zondag 3 juli 2005
103 Zomer in de bossen achter kasteel Heeze. Wij fietsen over een bosweggetje en zien ze al van ver: gele paddenstoelen met witte rafelbuiken op horizontale dode beukenstam. Mooi zijn ze, en groot. Maar hun hoeden zijn toch zo verschillend van vorm: de ene heeft een kleine komvormige hoed, de ander een plat en rond, weer een ander een ovaal. Eentje pronkt er zelfs met hartvormig hoofddeksel. 'Vrouw, ik wil er jouw naam op schrijven, maar 'k heb geen stiften bij me.' Wij stappen af, lopen naar dode beukenstam en paddenstoelen. En dan wijs jij me een grote, vette, zwarte slak die tegen de dode beuk opkruipt. Na een minuut of tien heeft de slak een paddo bereikt en begint er van te eten. Bolsterturf, maandag 4 juli 2005
104 Reuzenberenklauwen. Ze groeien in het onland. Daar staan ze op grens van natuur en cultuur. Ze groeien snel. En ze gaan hoog, wel tot vier meter hoog, recht de blauwe zomerhemel in. Ze hingen droef aan hun gekneusde en verdraaide, zich weer oprichtende stelen, die gevallen, sneeuwwitte, reine onlandberenklauwenbloemen Z e waaiden pas gisteren om, vielen met meeldraadjes en stampertjes in 't onlandgras en op 't onlandpad, maar ze vochten dapper en kwamen weer overeind. Ze gingen weer geuren, sterk maar lief, en lokten bijen. Onlandberenklauwenbloemen en geelbloemig onlandonkruid aan rand van maïsakker. Achter de maïs bosrand en boven 't bos dreigende zwartviolette donderwolken. Ik wilde van die wolken 'n plaatje schieten met wazig gele voorgrond, maar m'n Olympus stelde scherp op 't geel. Bolsterturf, dinsdag 5 juli 2005
105 Ik ging met Erpel naar de bossen achter de benzinepomp. Ik wilde reewild zien. Het regende toen Ep en ik van huis gingen. Akkers, wei en bos lagen er troosteloos en zeiknat bij, maar met de wetenschap dat na regenbui zonneschijn komt en dat reeën houden van zonnen op bosweitjes, parkeerde ik de pinda op de parallelweg langs de E-zoveel. We liepen een bosweg in. Ep snuffelde links en rechts en ik speurde naar reewildhoefjes. Ep leek niet bijster enthousiast en er stond niks geschreven in 't geel padzand: geen krabspoortjes van konijnen, geen hazenvoetjes, geen vossenpootjes en geen reeënprentjes. Na een kruising met een groter pad opeens heel veel voeten in het bospadzand: 'n paar grote mensenvoeten en heel veel kindervoeten. En toen zag ik de tenten, de fietsen, de pioniersplee en de waslijntjes met zeiknatte, want nat geregende, was. Bij 't verwoeste vossenhol aangekomen was het droog geworden. Ik zette me, uit de wind en in de zon, op een omgehakte grove den. Ep rakte om me heen, vond niets en kwam al gauw vragen om verder te gaan. Toen we weer voorbij de tenten kwamen scheen de zon volop. Het lange, gele bosgras begon al droog te worden. En de was zag er nu anders uit, kleuriger, fleuriger. Ja, het was echt een stuk aangenamer geworden in het bos. Rond de tenten blije kinderstemmen. Gaaien schreeuwden er overheen en 't zangvogelvolk deed weer haar best. Twee jongens zwaaiden naar me. Ik zwaaide terug. En toen dacht ik weer aan vakantie, aan school, aan vroeger toen ik jonge jongen was. Bolsterturf, woensdag 6 juli 2005
106 Zon en wolken over bos en hei en water. En na regen en onweer de vennen ietsepietsie breder. Van het ondiepst ven staat het laagste vlonder onder water. Erpel rakt door rose dophei en over rode zonnedauw. Jij loopt langs de oever van het ven, ik over 't pad tussen lariksbos en drasland. Jij geeft de grootste gentiaan een kusje. Daarna struinen we verder. Je plukt hei en takjes. (Een gentiaan pluk je niet.) We roepen over en weer. 'Wat zijn er toch weer veel lariksen omgewaaid.' 'Hee, moet je zien. Een hele groep vogeltjes in de lucht.' Bolsterturf, donderdag 7 juli 2005
107 Een dikke vijftig grote, zwarte schapen. Ergens tussen moeras en maïs in een onlandweitje. Als ik Erpel over gaas en prikkeldraad til, gaan ze er vandoor. Met een stok duw ik de hindernissen naar benee en stap de wei in. Erpel kwispelt met z'n gecoupeerde staartje. Hij wil aangelijnd, want heeft het niet op zoveel grote schapen. Erpel en ik lopen twee rondjes schapenwei. Dan til ik 'm weer terug over 't prikkeldraad. Er over springen mag hij niet van me. Het is rotsooi, dat prikkeldraad. De stalen stekels zijn vlijmscherp. Springt hij fout, haalt hij zijn buik open. Ep en ik sjouwen door maïs. Ik kan er net over heen kijken. Ep is weer aangelijnd, want hij wil alsmaar rakken door het hoog gewas waar ik reekalfjes in vermoed. In de slootwal langs de prei groeit haagwinde. Ep mag even gaan zitten, zodat ik een paar foto's kan nemen van de tere en reine witte bloemen. Pispotjes noemde ik die vroeger, toen ik jongen was en naar de School met de Bijbel ging. Een koolwitje fladdert over sloot en weggetje naar 't moeras. Ook over pispotjes en prei dwarrelt ze. De pispotjes blieft de vlinder niet. Nee, ze strijkt liever neer op de paarse bloemen van de distels. Wat later, in 't moeras, zijn - anders dan op wei en akkers - de lange grassen, de bloemen en het riet zeiknat. Grote waterdroppen hangen op de bladeren van riet en biezen. Maar de vlinders en de bijen, ze dwarrelen vrolijk boven de nattigheid, alsof deze koude zomerdag een dag vol tropenhitte is. Op weg naar huis komen we langs een in 2002 omgewaaide berk. Die berk ligt al twee-en-een-half jaar horizontaal. Hij maakte ook dit voorjaar weer blad, maar minder blad dan vorig jaar en 't jaar daarvoor. De kluit waaraan hij vast zit, de aarde waar hij in wortelt, die kluit wordt alsmaar dunner. Regen en wind en zon krijgen steeds meer vat op de aardkluit. De berk zal nu spoedig sterven, omdat zijn wortels verdrogen en het zand van de kluit afkalft en wegwaait. Hij kan geen water en mineralen meer aan. Langzaam zal hij sterven, verdorsten, uitdrogen, vergaan. Bolsterturf, vrijdag 8 juli 2005
108 Half vijf in de morgen Vijf uur Zes uur Vijf over zes Half zeven Zeven uur Bolsterturf, zaterdag 9 juli 2005
109 We lopen de bossen in. Het is een mooie, winderige zomerdag. De vogels hebben er zin in. Twee vinken slaan. Over hun sieskewieten heen tiereliert fel en schel een roodborst. Ook Erpel is goed gemutst, die slalomt op z'n lange pootjes door het gele bosgras en wreft al vlug achter een konijntje aan, wat dicht onderhout in. De laatste jaren waren er heel weinig wilde konijnen. Dit jaar zijn er veel meer, rieselen en riegelen ze weer volop boven zandkoppen en in ruigte. Als we langs een wei komen, zie ik twee roodbruine, zwartgepunte oren tussen witte klaver. Helaas! Hazenman of -vrouw wacht niet tot ik de camera schietklaar heb. Met vier, vijf grote sprongen vlucht de haas de bosrand in. Honderd meter verder zien we iets bruins door de wei scharrelen. 'Kom, duiken we hier het bos in.' Met Erpel aan de lijn - hij maakt er een potje van, want hier in dit stuk zowat mensenleeg mooi Nederland zit gewoon te veel wild - wandelen we naar het ondiep eilandjeven. 'Kom Bolsterturf, rusten we ff uit op dat bankje.' Als Erpel 'n paar tellen later terug is en we op het bankje zitten en zuurtjes snoepen en kijken naar eenden, ganzen, witte kwikstaartjes, blauwe reiger en de rimpelingen van het water, vliegt een houtduif in een grove den. 'Zo heb je wel genoeg foto's... Toch?' Bolsterturf, zondag 10 juli 2005
110 Op sandalen struin ik door dor moeras, 't Zomerwild rust in bos en ander hoog gewas Geen vos gespot, geen bunzing, wezel of verwilderde kat De blauwe wittespikkelveren liggen op het mossig pad, Bolsterturf, maandag 11 juli 2005
111 Zes uur in de julimorgen. Een puur Nederlandse zomermorgen. Een koel, frisdroog windje waait in m'n gezicht. De lucht is egaal grijs zwaar bewolkt. Ik fiets verder. De camera zit weer in de draagtas in de fietstas. Ep draaft een meter of tien voor me uit. Waar maïs ophoudt en pas gemaaid kuilgrasland begint, trekt Ep een felle sprint, het voetbalveld kale, groene veld over. En opeens zie ik de rode vos, die richting maïs rent. Drie..., vier..., vijf grote sprongen maar, dan verdwijnt de rode vrijbuiter in de maïs. Om even na half zeven zie ik een ree tussen maïs en bosrand. Het is flink ver weg, maar heeft me gezien. Misschien ook gehoord en geroken, want m'n fiets rammelt en geur van mens en hond waait vanmorgen naar haar toe. Het zekert naar me. Ik kijk terug. Dan hurk ik en gebied 'Fox blijfff...! Afff...' Met knipklare camera kom ik langzaam overeind. En dan zie ik door de zoeker dat 'het' een zij, een oude rikke is en dat ze een kalfje heeft. Ze geeft me één kans. Als ik een tweede keer wil knippen, springt ze af. Het kalfje volgt haar onmiddellijk, de bosrand in. Om half acht zet ik de fiets tegen een eik en loop met Ep aangelijnd - ik acht de kans te groot dat hij in dichte dekking een jong konijntje bezeert - een perceel jonge sparren in. Het riegelt er van de konijnen. Ook zwarte. Bolsterturf, dinsdag 12 juli 2005
112 De reebronst kan begonnen zijn. Daarom tussen werken, slapen en vergaderen door even naar het moeras. Van half juli tot half augustus zie je midden op de dag vaak reeën. Dan kan een bok in grote O's en 8en achter een geit aan jakkeren. Waar we stinkzwam ruiken - een sterke weeïg zwamselige geur, kwamselig ook, als van bedorven honing - lopen Erpel en ik over een puinpad het moeras in. Ep ziet hem het eerst, loopt op hem toe, maar blijft dan staan, draait zich om, trekt zich terug. In een wolk van vliegen zet ik Phallus op de foto. Bolsterturf, woensdag 13 juli 2005
113 Ik kom uit De Lange Bleek te voorschijn en sta voor een smalle strook rog. Die rogge werd dit voorjaar door Brabantse landschapswerkers gezaaid. Eerst ploegden ze een lang en smal stuk wei om, vervolgens plantten ze in kaarsrechte rijen boompjes op de strook. Daarna pas werd de rog gezaaid, die nu met z'n gele aren op lange halmen de boompjes overwoekert. Over het graan heen zie ik in kaalgevreten wei een paar roodbonte koeien tussen honderden grauwe ganzen. Voorbij koeien en ganzen kijk ik tegen 't groen en blauw van bosrand aan. Achter die rand weet ik de grote drukke heide, dat domein van huifkarrenwolfsvengasten, fietsers, wandelaars, aangelijnde honden en sbb bekeurkneus Jap. 'Volg Ep! Volg!' Met Foxie op m'n hielen loop ik over het door grassen overwoekerd paadje tussen bos en roggestrook. Waar het koren ophoudt, zie ik in bloeiend weigras twee reeën. Ze laveien op hun gemakje, maar ik durf ze niet besluipen: te veel brandnetels en dorre takken. Toch krijg ik er eentje scherp roodbruin op wit-geel-groen, achter paaltje en voor donk're bosrand. 'Sssttt Ep...! We trekken ons terug...' Half uur later en paar kilometer verder jakkeren er opeens twee reeën door het bos. Ze zitten achter mekaar aan. Hij achter haar. Bok achter geit. Ze hebben heel geen erg in de man in groene broek en groen hemd. Ook niet in 't klein, bont hondje. Ze zien alleen mekaar en jagen in wijde bochten door het hout en over de bosweg. Soms komen ze heel dichtbij, hoor ik ze adem halen, een zwaar en diep en haastig ademen. Foxie krijgt er de kriebels van. Ik sis: 'Zittt Ep! Zittt...!!' Opeens komt de geit over 't pad recht op ons af gestormd, de bok er vlak achter. En dan kan Erpel het niet meer houden: 'Wef wef wef wef wef,' jakkert i achter het bronstig reewild aan. Geit en bok versnellen zichtbaar. Zij gaat rechts, hij links. Ep gaat achter bokmans aan. Ik brul hem terug: 'Erpulllllllllllllllllllllll, hierrrrrrrrrrrrrrrrr...!' Bolsterturf, donderdag 14 juli 2005
114 's morgens 06.03 - 10.10 uur Tien mins later bewonder ik aan de rand van een ondiep ven een nogal wit uitgevallen blauwe reiger. Doodstil staat de grote vogel, maar door de kijker zie 'k nergens een kikker. En muizen en mollen zag ik nog nooit op de plek waar de te witte blauwe slokop staat. Op het volgende ven, tien mins verder, drijven canadese ganzen. Hun koppen wijzen allemaal naar links. Dat verandert als Ep het water in rent. Als bij toverslag draaien alle ganzen honderdtachtig graden, en dan kijken ze dus naar rechts. Ik roep Erpel terug uit 't water en ga achter een stapel in blokken gezaagde berkenstammen zitten. Ik laat de hond even rondrennen en dan mag hij naast me gaan zitten. Zomaar ineens valt me op, dat de dopheibloemetjes al bruin beginnen te worden. En dan zie ik hoe de wat paarsere struikhei al volop bloeit. Ook de berken beginnen al wat geel blad te krijgen. En bijna alle gele bloemetjes langs het pad zijn nu witte pluisbolletjes geworden. 'Kijk Ep, de grassen hebben allerhande tinten groen. En kijk, de zonnedauw bloeit volop. Die plukten we vroeger in Drente. Emmers vol! Waar we dan, als ze niet te plat of te beschadigd waren, in 't kruidenierswinkeltje van de kommerhoek een paar stuivers en wat snoep voor kregen. Nou kan je niks meer krijgen voor een stuiver.' Opeens zie ik wat bruinigs schemeren door grove dennengroen. 'Affffff Ep. Afffffff... Een ree!!' Erpel valt als een blok en kijkt me gespannen aan, maar als ik de kijker aan de ogen zet, blijkt het ree een bankje te zijn. Een mooi, nieuw, bruingeel bankje. Ik zit anderhalf uur op het bankje, terwijl Erpel in de buurt rondsnuffelt en daarna een tijdje slaapt. Als hij wakker wordt, begroet ik hem met: 'Jammer dat ik geen kussen heb.' Ik schiet op de terugweg naar de auto nog een meesje. En bijna bij de parkeerplaats, mag Erpel poseren bij een markante door kinderen gegraveerde spleetoogkop.
114a 's avonds 17.45 - 22.15 uur Even ben ik het haas tussen Ep en mij kwijt, want alles is eender egaal groen op de akker, maar dan loop ik weer richting Ep. Je kan het zo niet missen, zeg ik tegen mezelf. En ineens spot ik het haas. 't Ligt plat in 't groen. Bijna onzichtbaar, maar zijn bruine oog verraadt het. 'Piep,' zegt de camera. Nog dichter nader ik het haas. 'Piep,' zegt de camera. Nog dichter... 'Piep,' zegt de camera. Een kwartiertje later zie ik tussen bos en dorp drie hazen spelen in een wei, zo'n honderdvijftig meter uit bosrand. Eén van die drie is opvallend rood. Ik stuur Ep vooruit de wei in. Als ik zie dat hij de hazen ziet, schreeuw ik hem vrij: 'Vrij Ep! Vooruit! Zoekkkkkkkk...' Wanneer Erpel en ik druk doende zijn met speuren naar reeën, slaat in bosrand een paartje roodborsten alarm. Om mij maken de vogeltjes zich niet druk, maar van Erpel moeten ze echt niks hebben. Ze achtervolgen hem en schelden hem uit. Erpel negeert de vogeltjes. Hij heeft het te druk met sniffen en snuffen langs het pad. Als we bij het weitje in 't verlengde van de smalle strook rogge komen, geeft Ep aan dat hij wild ruikt. Ik lijn hem aan en fluister: 'Ssttt Ep! Mond houden nu..!' Aangekomen bij het ven rent Erpel meteen het water in. Hij zwemt even en komt dan aan met een stok. Ik gooi de stok in 't water. Hij apporteert hem keurig. En dan spelen we met de stok. Kijken wie het sterkst is. De fox rukt en trekt en trekt... en natuurlijk wint hij. Trots daagt hij me uit om hem de stok af te pakken. Lukt me niet. Ach, in alles is hij vlugger dan ik. Ik krijg hem niet gevangen. Na een klein half uurtje spelen met Erpel, het is dan tegen tienen, krijg ik opeens ontiegelijk zin in zwemmen, schop ik m'n sandalen uit, ruk de kleren van het lijf, smijt alles op de grond. 'Ep, bewaak!' Met ferme tegenzin gehoorzaamt Erpel. Ik ren het water in en zwem naar 't midden van het ven. Daar roep ik hem bij me. Zo snel hij kan zwemt hij op me toe, klimt op mijn schouder als ik watertrap. We spelen even. Ik duik onder en zwem van hem weg. Als ik boven kom, zie ik 'm rondkijken. In no time is hij telkens weer bij me. Hij zwemt als een waterrat. Bolsterturf, vrijdag 15 juli 2005
115 Eksters rumoerden op de camping. En we zagen daar heel veel wilde konijnen op de paden en in de tuinen, plus één bonte specht die tikte op 'onze' berkenboom. Tijdens boswandeling zagen we van heel nabij een buizerd, een sperwer en twee bonte spechten. Erpel stootte tijdens het wandelen 'per ongeluk' een reegeit op, waar hij nièt achteraan mocht jagen. En in 't smalle perceel rog op grens van bos en wei, zat of lag een haas of vos. Jij en ik liepen over 't paadje langs dat graan, toen we opeens het koren hoorden ruisen en heftig zagen bewegen: een vluchtend dier. We houden het op haas, maar twijfelen: Erpel, die het een paar honderd meter najoeg, kan niet praten en wij zagen het ongeïdentificeerde dier dus niet. Helaas was er geen tijd voor nader onderzoek. Bolsterturf, zaterdag 16 juli 2005
116 Ik ben naar de hei, met vrouw en hond. Ach, waarom moeten mannen altijd luisteren? Bolsterturf, zondag 17 juli 2005
117 Erpel en ik lopen het moeras in. Langs het pad ligt een akker prei waarover mensen kruipen. Die mensen zijn duidelijk geen Nederlanders. Ze werken hard. Op hun knieën gaan ze over het harde, droge land en trekken - ik denk: voor een habbekrats - onkruid van tussen rijen prei. Soms roepen ze naar elkaar, in een taal die ik niet versta. Zelfs als ze mekaar aanschreeuwen werken ze door. Naar 't schijnt zien zij mij niet. Denkend aan Polen en reeën lijn ik Erpel aan en loop tien mins door. En dan is er een jonge rikke, vijf meter voor me, in het groen langs 't pad. Ze snoept van wilgenblad. Ze heeft heel geen erg in hond en man, maar als de camera piept - 't ding stond uit - weft Ep en rukt hij aan de lijn. Ik weet het. Ik let te vaak niet op. Dan ben ik in gedachten waar ik niet zou moeten zijn. Terug 't moeraspad af, kijk ik bijna terug bij de pinda nog 'ns goed naar de Polen. (Ik neem aan dat het mensen van die nationaliteit betreft.) Ze kijken niet om of op. Ze kruipen en ze werken, ze zien niks dan aarde, prei en weg te ritsen groen. Eentje werkt wat afzijdig, die is, denk ik, graag alleen. Een ander wiedt gebukt, heeft, denk ik ook, zere knieën. Deze mensen fascineren me, op een vreemde, niet te verwoorden wijze. Dan stijgt een blauwe schreeuw de moddersloot uit waar Ep in springt. Even denk ik aan een Pool, maar zie dan dat het maar een reiger is, te ver al voor een foto. * * * Toen de reiger verschoot en schreeuwde, keek ik naar de Polen. Niet één van hen keek naar mij. Bolsterturf, maandag 18 juli 2005
118 Om twee over vijf parkeer ik de pinda op de grote parkeerplaats, even voor het bord Allemanspad. Via deze lente en zomer vernield gemeentebos loop ik haastig naar de bleke bossen. Uitzicht op vernield bos doet me pijn. Bijna aan het eind van de roggestrook begint Ep te dansen op z'n achterpootjes. Hij probeert om over de rog heen te gluren. Ik lijn hem aan, want kan nu geen gerak en gekef gebruiken. En dan begint de rog te golven. 'Ep afff!' Ik maak een foto, maar helaas, op de foto zie je het golven niet. Ik hou de camera in de aanslag, ik wil een ree of vos 'schieten'. Nogmaals helaas. Een dikke honderd meter verder verlaat een rennend ree de rog aan weikant. Ik prijs Erpel, omdat hij zich beheerste en keurig af bleef liggen. Ik aai hem over z'n koppie, zoek naar teken, dol even wat met hem. We spelen een spelletje pak me dan zonder herrie maken, een heel fijn spelletje, want hij begrijpt inmiddels wat ik met 'Ssstttt' bedoel. Dan lopen we verder, richting ondiep eilandjeven. Als we een hoek omgaan, rennen twee vossen en een ree van een grove dennenkaalslag weg. 'Afff Ep! Afffffffffff!' Ik richt de camera op de vossen. Mis. Ik schiet alleen wat bomen. De vossen lopen harder dan ik dacht. Zelfs hun staarten staan niet in het venstertje quick view. En dan begint het ree me uit te schelden: bö bö bö... bö... bö... Ik tuur de schemerdekking in, zie z'n koppie. Ik knip en... dan zie ik niet een ree wegrennen maar nog een vos. Bö... bö... bö... scheldt weer de bok, maar nu een heel stuk verderop. Na drie uur struinen, lopen we terug naar de pinda. Opeens hoor ik verdachte geluiden. Ep hoort ze ook, hij begint te grommen. En ja hoor, iemand met een groene supertank is bezig het bos om te zagen. De tank - Timberjack (deze naam staat in grote witte letters op de tank) - grijpt de bomen, zaagt de stammen door, ramt er de takken af en laat vervolgens alles domweg vallen. En dat in begin zomer! Het onding pakt àlle met een rode stift gemerkte bomen en vernield ze. Alle gemerkte bomen, ook bomen met vogelnestjes, met eieren, met kwabben gaan tegen de vlakte! Ja, het smijt alle gemerkte bomen, en dat zijn er veel, tegen de grond, boven op jonge haasjes en ander pril leven! Ook walst het struiken en bloemen en kruiden plat! Wee konijntjes, muizen en kikkers die niet vlug genoeg uit de voeten kunnen komen! Alles en iedereen wordt geplet! De bestuurder van Timberjack groet me. Ik groet terug. Wat kan ik anders? Zo is het leven. Hij is maar een knecht. Politici en ambtenaren laten dit gebeuren. Het is niet de boswerker, nee, het zijn de magistraten ten gemeentehuize die verantwoordelijk zijn voor dit boosaardig, onverantwoord en onethisch bomen omdoen. Ik verwonderde me over het aantal hazen, vossen en reeën in de bleke bossen. Geen wonder dat alle volwassen reeën, vossen en hazen op een kluitje zitten in deze al vorig jaar door Timberjack vernielde bleke bossen, weet ik nu. Ze kunnen nergens anders heen! Bolsterturf, dinsdag 19 juli 2005
119 Tussen werk en werkvergadering door half uurtje naar moerasrand. Machtig mooi zonnig zomerweer. Tweeëntwintig graden in de schaduw. De onstuimige zomerwestenwind waait over bramen en door riet en kattenstaarten. Een houtduifdoffer klimt een eindje de witte wolkjeshemel in, om vervolgens schuin omlaag te glijden naar een eikenboom. In die dikke oer hollandse eik tussen moeras en maïs zie ik zijn duifje zitten. Zij wacht op hem. Er is wat (door westwind overwaait) geroezemoes tussen de takken, wat heftig vleugelgeflap. Dan is het even stil, tot zacht en lief zijn roe-kroè koe-koe - roegroè-gr-gr roe-kroè koe-koe - koek met wind mee in mijn oren blaast. Ik glimlach, weet dat die twee nu een plat en slordig nest gaan bouwen. Als ik terug loop naar de auto valt me zomaar op, dat aan mijn rechterhand dode moerasbomen staan en dat die dode bomen hoger reiken dan het frisse zomergroen rontelom. 't Zijn verdronken berken, denk ik. Maar dan ben ik bij de pinda. Ik kijk op m'n horloge, open het portier en stap in. Ik haat vergaderen. Bolsterturf, woensdag 20 juli 2005
120 Een droeve dag. Timberjack is weer bezig. Hij walst over konijnenholen met jonge konijntjes en zaagt de met rode streep gemerkte boomstammen door en smijt die afgezaagde bomen - ook die met nestjes, kwabjes en eitjes! - tegen de grond. Bolsterturf, donderdag 21 juli 2005
121 Om half tien in de mooie zomeravond staat er zomaar een grote dieselmotor te keer te gaan aan de rand van 't moeras. Een boer of tuinder plaatste motor, pomp en wagen bij een vroeger ooit geslagen put. Ik speur met gemak de brede tractorbanden en zie een waterslang de put in gaan. Nu pompt de diesel water van onder 't moeras weg en stuwt hij het door grote slangen naar een akker met verdord gewas wat verderop. Teunisbloemen, ze staan al weken in bloei. Deze staan op een kruising waar geteerde landweggetjes samen komen. Ook staan ze voor een bioboerderij. De dieren in de grote schuren kunnen niet genieten van hun felgele bloemenpracht. Bolsterturf, vrijdag 22 juli 2005
122 In allervroegste ochtendschemer komt een reegeit het klein eilandven uitgestapt. Ze trekt zich niks aan van het groene bordje dat mensen plaatsten aan de rand van 't ven, want dit is wat ze ziet van 't bord en dit wat ze toch niet zou kunnen lezen.Reebok in zomerwei. Zijn geliefde loopt even verderop. Hij is breed en vierkant, zij rank en slank. Een oude heer met jongedame. Da's heel gewoon in reeënland. Ze doen zich tegoed aan de kruiden in het hooiland. Zò lang is 't gras, dat ze vaak helemaal niet te zien zijn, maar telkens weer zekeren ze, dan gaan hun koppies hoog, kijken ze of het nog wel veilig laveien is. Hij zoekt haar op, komt naar haar toe. Dan begint hij haar te drijven. Ik bereid me voor op actie. Ep ligt te bibberen van ongeduld en opwinding. De jonge deerne rent weg, de lange, hoge rogge in. De bok snelt achter haar aan. Na een half uur wachten zijn ze nog niet terug gekomen. Op weg naar huis valt me een elzentak op met oude en nieuwe proppen. De oude zijn zwart en open, de nieuwe groen en compact. En dan, bijna bij de pinda, wijs ik Ep de zwartgepunte oren van een haas. Hij ziet ze niet, die oren, die ronde Bolsterturf met lange oren ziet hij niet. Een hond kan een ver weg en stil zittend haas nooit waarnemen, en als we naderen verdwijnt het haas in 't bos. Maar, gekomen bij de spot waar het haas zat, gaat een hondenneusje aan de grond en even later hoor ik wef wef wef. Bolsterturf, zaterdag 23 juli 2005
123 Hoogzomerzondag over 't Brabantse land. De jonge, grasgroene tarwe waar het reewild van 't voorjaar volop van snoepte, ligt nu, met gele en lange en duizend keer taaier halmen, onder zon en schaduw te wachten op z'n oogst. Hardgoud en strogeel zijn aar en halm geworden, maar waar enorme schaduw van bos over akker valt, lijkt alles veel minder goud en geel, ziet het oog meer donk're tinten, is alles bruin en donkergroen wat goudgeel is in 't volle zonnelicht. Voorbij de tarwe zet ik Erpel op een dun reespoortje. Hier en daar zie ik de kleine, sierlijke hoefjes afgedrukt in de landweg. Zijn het de hoefjes van een reekalfje op zoek naar de moeder? Uurtje later en heel ergens anders maak ik 't goed met Ep. Gaan we samen met een stok spelen. Ik gooi de stok zo ver mogelijk het bos in. Erpel zoekt en vind 'm. Ik smijt de stok in groen kanaaltje. Erpel springt er achteraan en vist hem uit het groen. 't Valt me op, dat de stok helemaal onder 't kroos zit, maar Erpel weer terug uit kroos en water kroosloos is. 'De kroosjes moeten je niet, Ep! Je bent te vet en te glad!' 'Pfttt... Wefff... Wrefff..?' En weer gooi ik de stok... Bolsterturf, zondag 24 juli 2005
124 Regenvlagen over groene paardebloemenklaverwei. Door natte flarden rent een ree van midden wei naar bosrand toe. Erpel ziet het dier niet. Die is bezig met het uitwerken van een spoor. Dan rijst een haas, pal voor zijn neus. m'n vriendje weft de langoor achterna, de grote blauwe bossen in. Een wei met heel lang gras dat bloeit. Regen probeert het plat te leggen. Ik sta in de bosrand en kijk uit over dit mislukte hooiland. Het is leeg van ree en haas en vos. Het gras is nat en lang en ik loop op lage schoenen, dus banjeren Ep en ik door de bosrand - een pad is er niet. Ep hoor je niet gaan, maar dorre takjes kraken onder grote, lompe voeten. Een houtduif vlucht weg uit een grove den, een roodborst pinkt alarm, een bosuil roept één keer en een sperwer snelt voorbij. En dan rennen opeens toch twee reeën, oude bok en smalree, door het lange groen. Ze bereiken een roggeakkertje en zweefspringen het koren in, de ranke, jonge geit voorop, de meer vierkante, oude bok pal achter haar. Dan sprint ook Fox de rogge in. De bok scheldt bö bö bö, 'n paar honderd meter verder in d'avondschemering. Ik geef hem groot gelijk, want nooit kan hij eens ongestoord genieten van zijn minnares. Drie grauwe ganzen gakken van links over de bossen. Ze ontmoeten drie ook pratende soortgenoten die van rechts komen. Ze vliegen met z'n zessen zwijgend verder. Hoe anders toch gedragen mensen zich. Vijf konijnen zitten in de regen voor hun holen aan heiderand. Ik laat Ep los. Hij jakkert ze allemaal onder de grond. Nu worden ze niet meer nat en krijgen heel misschien geen myxomatose, zullen hun ogen en geslachtsdelen niet wegrotten. Bolsterturf, maandag 25 juli 2005
125 Een bloedhete zomerdag. Samen met Erpel wezen zoeken naar reeën en reeënsporen, van twee uur 's middags tot zeven uur 's avonds. Voor een zwarte kat is reewild een maatje te groot. Zij is op muizenjacht in een grote, diepe, droge sloot. Als ik naar haar kijk, kijkt zij achterom naar mij. Ze blijft heel rustig een tijdje kijken, maar zodra Erpel de sloot in springt en ik schreeuw: 'Ep, foei! Teruggg!' schiet ze tegen de wal omhoog en verdwijnt in hoge maïs. Reesporen vind je overal in bos en hei. De sierlijke, harde hoefjes staan heel duidelijk afgedrukt in het los zand van de grote, onverharde paden. En ook langs randen van koren-, aardappel-, bieten- en maïsakkers kan je ze vinden. Heel scherp en duidelijk staan ze zelfs afgetekend in de bandensporen van met heide begroeide bosweggetjes. Waar ik reehoefjes graanakkers in zie gaan, houdt voor mij het speuren op. Voor Erpel echter nog niet. Die is toch zo heel veel beter in speuren dan ik. Hier vertelt hij me, dat er echt geen ree meer in dit perceel rogge zit. Bij een bietenakker even verderop, is Erpel opeens uiterst actief. Hij rakt door de bieten, zweefspringt er doorheen, tot een groot haas de bieten uit sprint en met Ep achter zich aan, nauwelijks een meter voor me langs, het bos in zigzagt. Door het zigzaggen, het haken slaan van 't haas, rent Erpel telkens een eindje niet meer achter 't haas aan. Hij is het dan ook zo kwijt, maar als dan zijn neus aan de grond gaat en hij op 't hazenspoor het bos in snuft, roep ik 'm terug. Hij kijkt wat teleurgesteld, dus zeg ik tegen 'm: 'Tjonge toch, Ep, je hoeft niet te balen. Als er eentje mag balen ben ik dat, want ik 'schoot' geen haas maar enkel boomstammen.' In zulke gevallen antwoord hij dan meestal met een wat minachtend 'Pfttt...'. Op één van de mislukte hazenshots zie ik een dode berk. Zo te zien is de boom al heel lang dood. Flarden schors zitten niet meer aan het dode hout vast, nee, die hangen zomaar los rond de wegterende stam, waarin spechten gaten en spleten hakten. Maar dan zie ik, een meter of twintig naar rechts, ontieglijk uitbundig, jeugdig, vrolijk en fris ogend berkengroen. De zon schijnt op de tere, zachtgroene blaadjes, waartussen, hoewel 't pas juli is, toch al gele en lichtbruine. Allemaal worden ze gekust door de zomerwind. En dan, zomaar ineens, zie ik bruine en gele sproetjes in het gezicht van een vrouw in de zomer van haar leven. O, als bomen vrouwen waren, zou ik willen kussen met een berk. Waar een boer met tractor en kar een pad door maïs baande, vind ik de meest duidelijke reeprenten van de dag. Heel duidelijk staan hoefjes gedrukt in de akker. Die van rustig lopend reewild, en die van rennende reeën. Wanneer een ree hard gaat zie je de kleine bijhoefjes ook afgetekend in de bodem. De meeste hoefafdrukjes zijn niet vers. Op de ene foto zie je een verse prent, op een andere foto een al paar dagen oudere afdruk. Beter dan aan foto's, is aan Erpel het verschil in ouderdom van de afdrukken af te lezen. Hij negeert overdaagse prenten en duikt fanatiek op verse sporen.En dan vind ik waar ik vandaag naar zocht. De afdrukjes van reekalfjes. Het maïspad staat er vol mee, met allerhande reeprenten. Kriskras staan hier de hoefjes van heel het reeënvolkje door mekaar heen. 't Pad door de maïs komt uit op een boerenlandweggetje. Als Erpel en ik dat aflopen, zie ik op zo'n tweehonderd meter een ree staan voor hoge maïs. Door de zoeker van de camera word ik gewaar, dat het een grote geit is. (Een kijker heb ik niet bij me, zo'n ding is lastig mee te sjouwen als je ook foto's wil maken.) Ze is eigenlijk te ver voor een foto, maar ik knip ze toch. Op weg naar de pinda, uit de maïslanden weer terug in 't bos, kijkt er een reegeit naar Erpel en mij. 'Kom op, Ep, gewoon doorlopen. Volg! Volggg!...' De geit blijft rustig staan. Als we een hoek omgegaan zijn, leg ik Erpel af. En dan knip ik d'r van achter een grote beukenboom. Het derde en laatste ree dat ik vandaag zie is ook een geit. Vanaf een bospad zie ik haar staan in lang gras - geen gras om te hooien, maar gewoon (te) lang gras. Ik gebied Erpel: 'Achter! Achterrr! Volg!' en dan besluip ik haar, met rustig Erpeltje op m'n hielen. Soms trapt hij op m'n hakken, maar da's niet erg, want ik heb werkschoenen aan. Een warm juliwindje waait in m'n gezicht, maar de rikke staat flink opzij in de wei. Erpel krijgt geen geur van de geit en zij niet van hem en mij. En Ep kan door 't hoge gras het ree niet zien. Tijdgebrek noopt me van een tweede besluiping af te zien. Vlug langs een roggeakker naar de pinda toe. Maar dan zie ik op een roggeaar een prachtige libel en achter de smalle strook goudgele rog een blauwe reiger op een paaltje. Ik weet niet wie het eerst op de foto te zetten, reiger in paaltjespose op paaltje, of de blauw met witte libel. Bolsterturf, dinsdag 26 juli 2005
126 Twee paar zwartgepunte oren in een wei. Ik wijs ze Erpel en hou de camera gereed. Ik wijs nogmaals en zeg: 'Vooruit Ep! Zoek haas!' Ep zoekt en vindt, maar de achtervolging gaat te snel en de maïs is te dichtbij om Ep achter haas te kieken. Iemand gooide drie of vier jaar terug - hoe dom toch van me dat ik het niet meer precies weet! - wat waterleliewortels in het grootst verboden ven. Waterlelies groeien snel en bloeien mooi. Dit vind ik de mooiste foto van de waterlelies van vandaag, maar ik ben niet tevree. Vraag me niet waarom niet. Heb liever de witte waterlelie lief. Oude beuken met bruin blad, langs drie meter diepe droge sloot door Brabants landschap. Ik sta op een smal en gammel bruggetje, onder me de waterloze sloot. Ik richt de camera, éénmaal naar links, éénmaal naar rechts. De foto's vallen me tegen. Toch ben ik tevree. Waarom? Omdat Ep piste tegen de dikste beuk en ik de dunste kuste. Een giertank ligt in een slootje dat door weiden gaat. Voor het slootje een gecamoufleerd schiethutje. Vanuit zo'n hutje kan je met een hagelgeweer nietsvermoedende duiven, ganzen en eenden de lucht uit knallen. Ook kan je met hagel of kogel vanuit zo'n hutje een haas of ree schieten, maar dat laatste is natuurlijk makkelijker, gerieflijker te doen vanuit een auto. Ik ben Erpel kwijt. Pas na drie keer roepen gluurt hij om de ronding van de giertank. Dan is hij weer weg. Ik schreeuw hem toch bij me. Dan gaan we samen terug. Hij wijst me dan op een hoop darmen en bloederige resten. Dat is wat over bleef van een geslacht ree. De zoveelste bui van vandaag. Het regent in het borstenven. Haar boezem moet gevuld, dus is de regen welkom. Ep en ik schuilen op 'ons' bankje onder grote beuk. Daar blijven we droog en kan ik foto's maken, terwijl Ep wat rondsnuft in het bos rontelom. Een uur na de bui hebben zon en windje bos en akkers al weer droog. Op grens van kreupelhout en schapenwei knip ik wat konijnen en, hoe kan het anders, schapen. De regen duurt deze keer maar even. Snel trekt de onweersbui weg. En dan schijnt weer de zon over 't mooie Brabantse land - mooi als je bioschuren uitsluit. Ik kan me er toch zo aan ergeren, ergeren aan zoiets als dat er bioschuren zijn, dat er bioboeren willen zijn. Bijna uitgestruind wijs ik Erpel een ree. Hij ziet het niet. Hij is te klein, te laag bij de grond en het gras is te hoog. Ik laat het ree gerust. Het is volgens mij een moeder wier kalfje(s) ik niet kan zien: grote en kleine, scherpe prenten stonden afgedrukt op het pad naar de wei. 'Kom Ep, we duiken nog even het diepst verboden ven in.' 'Wefff!' Bolsterturf, woensdag 27 juli 2005
127 Zonnige julidag. Benauwde warmte hangt in de tuin. De klok boven in de katholieke kerk klepelt twaalf. Een zwoel windje kust plataanbladeren die glanzen in het zonnelicht, maar rond twaalven staat nog altijd de maan aan felblauwe hemel. Die maan - ik zie hem maar half en soms helemaal even niet - is omringd door langzame, witte wolken. Voor maan en wolken langs reppen zich een tiental gierzwaluwen. Die laatsten zijn mugjes en vliegjes aan het vangen.
127a Na zitten, lezen, denken en te lang dagdromen in de achtertuin vlug met Erpel een half uurtje naar de hei. De hei is altijd stil en mooi en heeft nooit haast. Ik wel, ik heb wel haast vandaag, want moet nog gaan werken. Sjonge zeg, ik vraag me soms af: kan ik werken haten, omdat ik van de heide nooit iets moet? Het is bedriegelijk stil op de hei. Naar 't schijnt rust en vrede alom. Geen hinderlijk geruzie en gevecht waar ik me mee bemoeien moet. De vogels zijn stil van 't hete zomerweer, de kikkers kwaken niet en de hei lijkt helemaal leeg van leven. Lijkt, niet is, want als je oplet en echt wil zien, merk je meteen, dat de dieren het druk hebben: een motje zet zich op een eikenstam; spinnetjes eten vlieg; een kraai gluurt rond vanaf een kale, dode galgenboom; slakken haasten zich langzaam wandelpaden over; maden eten dode kikkers; mieren rennen af en aan, minstens één van hen is aan 't knokken met een wespje; een teekje kruipt tegen mijn linkerbeen omhoog, die wil de broekspijp in; enzovoorts. Ook 't niet dierlijk heideleven is op haar manier druk doende, al is het maar met overleven, met water en voedsel uit de bodem halen. En de bomen en planten maken zuurstof. En ook produceren ze allemaal zaadjes, of sporen als het organisme bij voorbeeld paddenstoel of varen is. Ik knip een paddo met bruinige hoed die fel afsteekt tegen karige grassen en zowat als dat gras getinte struikhei. En een paar honderd meter verder, bij het borstenvennetje, zet ik dorstige blauwe gentianen op de foto. Die gentianen blauwen daar tussen gras en veelal uitgebloeide, al herfstbruin wordende dophei de dorre bodem. Ach, de hei is groot en weids. En alle heideleven is te veel leven om te kunnen fotograferen, zelfs te veel leven om van alles melding te kunnen maken. Ik kan maar heel weinig opschrijven van alles wat ik zie en hoor. En wat ik verneem van 't heideleven is maar een heel klein beetje heideleven. Ja, ik weet, ook op de hei gaat bijna alle dood en leven onopgemerkt aan me voorbij. Dood en leven. De strijd om het bestaan. Eten en gegeten worden. De natuur is mooi, maar wreed en onmeedogenloos. Als ik daarvoor een verklaring zoek, kom ik er niet uit. Ach, alleen dit wil ik vandaag nog kwijt: de dazerik die me om ongeveer twee uur tien vanmiddag in mijn rechterwang stak is dood. Bolsterturf, donderdag 28 juli 2005
128 Grasduinen van 14.00 uur tot 19.10 uur Op het pad naar de ingewanden - jagers noemen het niet ingewanden, maar duiden ingewanden met het lieflijk woord geweide - wat Erpel eergister vond, ligt een platte rat. Er kruipt een made uit de rat. Erpel wil er aan gaan snuffen. Vlug roep ik hem terug. Het geweide is kleiner geworden. Een vos of hond of kat heeft de roodgekleurde delen en de stukken dos (reehuid) opgevreten. Wat over is van het geweide lijkt op 't eerste gezicht vier grote eieren te zijn. Erpel snift en snuift rond de giertank en in de sloot, maar de maderige restanten van het geweide komt hij niet aan. 'Ja Ep, dit is wat over bleef van een sierlijk ree. Mensen hebben het dood gemaakt, geslacht en het geweide in de sloot gekieperd.' Ep antwoord niet. Hij rakt alweer door wei. Er laveit (graast)een ree op grens van maïs en wei. Ep en ik besluipen het. We gaan simpelweg door de maïs. Ik maak na ongeveer tien, vijftien meter sluipen telkens een foto van het ree. Dicht genoeg bij gekomen, zie ik dat het een rikke is. Een kalfje kan ik nergens ontdekken. Ook gedraagt de geit zich niet als moeder van een kalfje. Dus sluipen Ep en ik nog dichter naar het ree toe. 'Stttt Ep,' fluister en gebaar ik, 'achter blijven. Achterrrr...' Als ik foto twaalf genomen heb en terug wil gaan, zit Erpel opeens achter een konijn aan. 'Wef wef wef.' 'Erpullllllllllllll hierrrrrrrrrrrrrrrr...' En tuurlijk gaat mevrouw Ree er dan vandoor. En ja, ik schaam me, want pakte Ep bij zijn nekvel en tikte hem op zijn neus. Ik maakte dat op neus tikken direct weer goed met Erpel. We zwommen samen een heerlijk half uur in een ven. Ik dook naar kikkers en Ep vermaakte zich met kijken en happen naar zwevende en parende waterjuffers. Toch zitten die neustikken me niet lekker. Bolsterturf, vrijdag 29 juli 2005
129 Twee patrijsjes scharrelden vanmorgen tussen de rijbanen van de grote vierbaansweg E - H. Terwijl ik wachtte voor het rode stoplicht, pikten ze onkruidzaadjes op uit een strookje door rijbanen ingesloten verwaarloosd groen. Dat stukje natuur tussen beton en teer is maar een paar meter breed, en auto's gaan vaak te snel als het lichtsignaal groen is, veel sneller dan een patrijs kan lopen of vliegen. 'Tuuuuuuuuuuuuut tuuuuuuuuuuuuut tuuuuuuuuuuuuut' claxonneerde een stukje menselijk ongeduld me door groen. Bolsterturf, zaterdag 30 juli 2005
130 In de winderige laatste julidag 2005 lopen jij en ik het brede puinpad af, richting nog verwegge caravan. Links van ons zien we door Timberjack toegetakeld bos; naar rechts hebben we uitzicht op kilometers maïs, afgewisseld door wat weiden waarin roodbonte melkkoeien. Jouw gecoate regenjas zit vol met zich verzamelende dazeriken die, denken wij, houden van waxlaaggeur. Ik sla er een paar dood, maar dan zeg je: 'Niet doen! Gewoon laten zitten, want dan steken ze niet.' Als ik je vraag even stil te blijven staan om een foto van de steekvliegen te maken, komt er een groot haas uit de maïs gerend. Het schrikt van ons, maakt rechtsomkeert en wil de lange, groene stelen weer in. Maar dan is daar opeens Erpel waar hij bijna tegen aan botst. 'Wef wef wef wef wef,' rakt ons rakkertje het haas de kapotte bossen in. De dazeriken schijnen het allemaal niet te zien of te horen. Die lijken wel bedwelmd door de geur van je regenjas. Ik kijk naar je jas, naar de dazeriken en naar je kont als je even voorover buigt om je schoenveter vast te maken. 'Kijk alles er maar af,' lach jij. 'Auw, verd...,' vloek ik, 'prikt me er eentje in m'n nek.' En dan vraag ik: 'Ga maar krom staan!? Sla ik ze allemaal kapot!' Jij lacht en zegt: 'Zou je wel willen, maar mooi niet.' We lopen stug door en kletsen over 't werk en de buurman die knettergek aan 't worden is, wanneer jij opeens wijst: 'Kijk, je kan van hier over de maïs heen de torens van kerk en abdij zien.' 'Ja, zou daar vroeger echt een klooster gestaan hebben?' 'Jazeker,' antwoord jij, 'maar nu is het een verpleeghuis.' Ja,' zeg ik, 'ik haat verpleeghuizen.' 'Praat toch eens gewoon,' antwoord jij daarop. Hierop geef ik geen respons, maar wijs op mijn beurt: 'Kijk schat, daar voor dat berkje aan de slootkant links staat een rekke.' Het ree had ons gehoord en hoeft niet op de foto. Het springt af, donker maïswoud in. Al lang weer thuis van 't wandelen - we hadden geluk en bleven droog - kijk ik in de vroege avondschemer naar de lucht. De zon schijnt van achter blauwzwarte wilde lucht op verwegge witte wolken. Ik spiedt het luchtruim af. Waar ik gister nog één gierzwaluw zag vliegen, zie ik er nu nul. Ik roep naar binnen: 'Ze zijn allemaal weer terug op weg naar tropisch Afrika.' Bolsterturf, zondag 31 juli 2005
index juli 2005
|