<<<<<<<<<<<<<< Home >>>>>>>>>>>>>>
Stukjes tekst, video's en foto's van bos, hei en waterkant; over grasduinen en struinen in natuur en veld, over zon en wind en buiten zijn
IntroHoofdpaginaInhoudsopgaveNatuurdagboekRecentVideoHoogzitten en jachthuttenMuziekGedichtenOver bolsterturf en Bolsterturf

Bolsterturfs natuur

B o l s t e r t u r f s  n a t u u r

Dagboek december 2005

253
Even naar reeënberkenbosje

Het laatste restje novembersneeuw dooit langzaam weg. Alle bomen zijn al weer sneeuwvrij.
In vroege herfstavond naar reeënberkenbosje. Fox ziet een reebok die staat voor donk're bosrand. Hij kijkt beurtelings naar mij en bok. Ik zet hem op de foto, niet de bok. Als ik me omdraai en ook de bok wil knippen, springt die af. Resultaat: twee foto's met Fox en een foto met alleen maar bosrand.

We, Fox en ik, struinen nog 'n half uur langs de bosrand. Fox ruikt meer reeën. Dat kan ik aan hem zien, maar de reeën zie ik niet. Pas als de achter bos verdwenen zon de hemel kleurt met wit en geel en goud en rood gaan we naar huis.

Bolsterturf, donderdag 1 december 2005

254
Vluggertje stinkzwam

'Mijn' inktzwam. Hij begint oud te worden, zakt in, staat scheef. Ik bezocht hem, tussen slapen en werken door, vandaag heel even.

Bolsterturf, vrijdag 2 december 2005

255
Bioschuur, duifgekoer en dooie boktorstam

Ondanks chronisch tijd te kort effe in z acht winterweer naar stuk bos tussen bioboer en snelwegbenzinepomp. Vrolijk houtduifochtendgekoer maakt me blij. De boktorren in van wat bleef staan van een lang geleden omgehakte boom niet droef. En waarom denken aan wat er zit of ligt te lijden in die bioschuur?

Bolsterturf, zaterdag 3 december 2005

256
Zondagswandeling in motregen en avondschemer

Zondagswandeling in motregen en avondschemer. Uit en thuis een uur en een kwartier. We hebben onze lange, groene regenjassen aangedaan en houden een zwarte plu boven onze hoofden. Met de voeten in hoge, groene laarzen stappen we o ver puinpad en banjeren we door onlandwei. Ook dicht bij huis is veel te zien en te beleven. Als we uit rietwildernis te voorschijn komen, staat daar opeens een reebok op slootwal. De bok schrikt van ons. Hij springt pardoes de brede sloot over, duikt moerasbos in en rent even later met Ep achter zich aan over onlandwei. Daarbij stuift bokmans bijna over een haanfazant die verontwaardigd kokkend hoog gaat, uit ruigte langs sloot van s.b.b. of waterschap. En dan trap jij bijna op een groot haas. Erpel rakt ook even achter hem, wijst dan de plek waar hij, open en bloot en toch bijkans onzichtbaar voor mensen- en hondenogen, sliep.

Een opvallend wit-lichtbruin ovaaltje blijkt, dichterbij gekomen, wat over is van een lisdodde, van een rietsigaar te zijn, natgeregend, afgeregend pluis.

Bolsterturf, zondag 4 december 2005

257
Oud en slap en zowat tegen de grond, zo vind ik mijn stinkzwam van 't moeras

Een d onkere, sombere, regenachtige dag. Oud en slap en zowat tegen de grond, zo vind ik mijn stinkzwam van 't moeras. Hij staat mooi beschut tegen wind, regen, sneeuw en lichte vorst. Hij is nu minstens drie weken oud. Oud dus, heel oud. Hoeveel dagen zijn hem nog gegeven?

Ook op stinkzwams stukje hoger moeras staat een wrakkig berkenboompje. In dat berkenboompje 'n donker warrige takjeswirwar: heksenbezempje.

Bolsterturf, maandag 5 december 2005

258
Zelfs een roodborstje heeft schutkleur

Zwaarbewolkt, wind uit 't westen en nattig. In droeve, donkere, natte voormiddag even met Erpel naar de bossen achter de benzinepomp. Geen reeën gespeurd in of uit het berkenbosje waar ze zowat altijd in zitten. Ennn... ze zaten er echt niet in vanmorgen, want ik wandelde met Fox aan de lijn rontelom het bosje.

Een roodborstje gefotografeerd. De foto mislukte, omdat de camera op beweging stond ingesteld en het rode borstje maar een paar seconden bleef zitten. Mislukte foto? Deze foto laat zien, dat een roodborst mimicry, schutkleur heeft. Zijn rode borstje valt niet meer op dan een geel of een wit, of een rood, of een blauw, of een oranje, of een beschimmeld blad, toch?

Bolsterturf, dinsdag 6 december 2005

259
Van moeraswildwissels, bloemkoolpaars verraderlijk water, stinkzwammen een vervallen, houten schuurtje

Weifelachtig weer. Soms, heel even maar, is er de zon, pal zuid. Naar 't oosten en 't noorden toe hangen zware wolkenluchten, boven 't westen ziet de hemel pikzwart. In het moeras loop ik soms droog, soms in regen. Meestentijds is het bijna droog.

Vanaf de puinpaden lopen tussen poelen en moer paadjes, wildwissels, het moeras in. Die paadjes zijn bij hoge waterstand alleen te vinden op de hogere delen. Soms is zo'n 'deel' maar heel smal, een paadje op zichzelf. Fox is altijd heel attent op wildwissels.

Oer en olie, ja olie, zo lijkt het wel, op 't water van moerasgreppeltjes en -poelen. En soms ziet 't (m)oerig water bloemkoolpaars onder frisgroen gras. Heel verraderlijk, als je over dat gras wil lopen, ga je met een beetje pech kopje onder.

In dit oer- en moergebied staat het schuurtje van opa imker. Ik was nieuwsgierig, ging er een kijkje in nemen. Inbreken was niet nodig. De deur staat altijd open. Het interieur bestaat onder meer uit een val, bedoeld voor bunzings, hermelijnen, wezels, ratten en misschien ook wel katten. Langs de wanden van 't rot en vervallen houten gevalletje zijn ruifen voor schapen. In sommige van die ruifen zit oeroud hooi. Al met al een lekker donker, muf en rotzooierig inboedeltje..

Rontelom opa's keet staan, rechtop en scheef, hoge bomen, lage bomen, gezonde bomen, wrakke bomen en vooral groene, bemoste, bomen.

Opa stinkzwam. Zijn leven heeft alleen maar zin wanneer er op zijn plek in het moeras dit najaar, of later in de tijd, ook weer jonge stinkzwammen zullen zijn? In de sneeuw, de sneeuw op deze pagina, zag deze opa stinkzwam er drie weken terug een heel stuk beter uit: images/dagboek11en12-05/stinkzwamminstens12dagenoudindesneeuw261105.jpg .

Bolsterturf, woensdag 7 december 2005

260
Grauwe bergen kippenmest, gele gifwei, buizerds op paaltjes en
wolken spreeuwen

Dit is Winkelstraat, Lierop, Noord-Brabant 2005: bio-industrie, grote verboden toegang schuren, kapot bos, grauwe bergen kippenmest en gele gifwei. Stronten en doodspuiten. Alles moet kapot.

Een grote, gele labrador komt de wei met hopen stront opgelopen. Fox gromt naar hem. Fox is voor de duvel nog niet bang. Fox kijkt kwasi naar links, Fox kijkt kwasi naar rechts, Fox is overmoedig. Hij komt niet naar de baas, de roedelleider. Hij zoekt de confrontatie, gaat de vijand niet uit de weg. De grote, gele labrador reu zit dertig meter van hem vandaan. Ook hij luistert niet goed naar zijn baas, laat die roepen en fluiten.
Ja, Fox is erg overmoedig, meer nog dan ene, al heel veel eeuwen dode, mens David dat was. Fox wil naar deze gele Goliath, om te worden doodgebeten.
Fox moet van zijn baasje blijven zitten waar hij zit. Tussen de bergen kippenstront.

Wanneer de grommende, zo te zien (ook) uiterst dominante en agressieve labrador is afgetaaid, zijn baas nagerend, mag Fox even rakken en rondneuzen. Hij tilt, beurtelings, zijn linker- en rechterachterpootje hoger dan voorheen. Na 't vlaggetjes uitzetten moet hij in de pinda. Mag hij door autoruitjes kijken naar boerderijen en naar weiden met stront, gier, kraaien, buizerds en spreeuwen.

Rontelom een boerderij ziet het zwart van de spreeuwen. Wolken spreeuwen in de lucht; massa's spreeuwen in wei en pal naast grote koeienschuur.

Bolsterturf, donderdag 8 december 2005

261
Geen uil maar een kat, en wat over kerstbomen

Uurtje moeras. Te voet op weg naar het onlandje achter opa imkers paleis, struint Fox een meter of dertig links van 't puinpad. Opeens begint hij fel te blaffen. Als ik me door dicht, warrig stekelig struikgewas wring, zie ik dat hij alsmaar tegen een boomstam opspringt. Ik kijk omhoog en zie dan iets hoog in de boom zitten. 't Heeft puntoortjes. Een ransuil!? Maar nee, nog wat ruigte, rotzooi en braamstruiken verder blijkt de uil een kat te zijn. 'Jammer,' denk ik, maar Fox is helemaal niet teleurgesteld. Hij keft blij opgewekt, lief, zoals hij het thuis ook doet als hij speelt met ex-kater Brammetje of poes Frija. 'Nee Erpel, jammer voor je maar met deze kat kan je niet spelen. Kom mee, wegwezen hier. Het beest heeft erge schrik van je.'

I n de mooie, zonnige, vorstvrije decemberdag ligt h et paleis van opa imker er liefelijk bij. Zo in volle zon toont het niks niet als winters plaatje, zo doet het meer denken aan een eind maarts vrolijk trollenonderkominkje. Trollen zijn weliswaar nooit vrolijk, maar voor elfen is het allemaal lang niet netjes en opgeruimd genoeg. En 't is echt wel trollenweer, want sjonge zeg, kijk eens hoeveel dor blad er aan de bomen zit! Zoveel blad nog! Dat is toch niet winters? Ach, toegegeven: als het niet zulk guur weer was en opa's bijtjes zouden vliegen, zou je kunnen denken dattet alweer lente is. Maar 't is dus herfst en helemaal niet lekker warm. Kortom: weg met alle twijfel! Het is TROLLENWEER en TROLLENTIJD.

Hoe het met opa imker gaat weet ik niet. Ik sprak hem nooit en heb hem al maanden niet meer gezien. Ook weet ik niet waar hij woont. Toch zijn opa's bijenkasten en verder interieur 'opgeruimd'. 't Is alles wat vrolijker, lichter, ietsje netter nu dan van 't zomer. Of lijkt dat alleen maar zo? Hoe het ook zij, het interview met de oude imker moet nog wat wachten. Ik vraag me af: zal de oude man willen praten, vertellen?

Gelukkig maar zie ik de stinkzwam, mijn stinkzwam, wel zowat iedere dag. De oude stinkzwam geeft niet op. Hij is er nog altijd. Hij leeft, oud en met alsmaar slapper en krommer en bruiner wordende steel. Het duivelsei waaruit hij oprees, heb ik nooit gezien. Ten tijde van zijn ei had ik hem nog niet gevonden. Wel zal ik zien dat hij vergaat, opgaat in de humus waarin hij groot en lang groeide. Slechts éénmaal zag ik een vlieg op zijn kop zitten. Hoeveel dagen nog voordat deze stinkzwam is verdwenen, doodgegaan, verteerd? Waartoe heeft hij dan geleefd? Mijn dochter is psychologe. Ik zal het haar 'ns vragen .

Vrouws kerstboom 2006 is geregeld. Ik vond gisteren een heel mooi boompje, een fijnsparretje van - precies opgemeten - 179 centimeter in de gemeentebossen. Die stond daar mooi sparretje te wezen en een agent of boswachter stond er niet bij. Wel waren er nog de sporen van Timberjack. T. miste deze boom net, had hem bijna platgewalst. Veel andere boompjes hadden minder geluk! Die liggen nu dood of staan beschadigde, invalide boompjes te zijn. Hoe het ook zij, ik gaf deze boom cadeau aan echtgenote. Ze mopperde niet eens! Haar fijnspar staat nu, met flink wat wortels nog aan de kluit, in een grote pot in de achtertuin. Zondag mag ik hem met pot en al naar binnen dragen. Dan zal hij daarna worden versierd. Zo'n gevonden spar is veel mooier, veel gezonder en veel taaier dan een gekochte boom. Die gekochte bomen hebben altijd te weinig wortels en gaan daarom bijna altijd dood, nadat je ze begin januari in je tuin hebt herplant. Het heeft gewoon geen of weinig zin om een kerstboom waar de naalden vanaf riegelen te herplanten, toch? Die geef je beter mee aan jeugd die graag een fikkie stookt. Om deze redenen dateert vrouws oudste kerstboom in de voortuin van 1998.

Toen ik vandaag thuisgekomen uit het moeras in de voortuin en onder de (herplante) kerstbomen 2004, 2003, 2002, 2001, 2000, 1999 en 1998 wat paddootjes vond, werd ik opeens, net als gisteren na het vinden van het sparretje, heel erg uitbundig, blij en vrolijk. De voortuin is inmiddels vol, overvol, maar rontelom de caravan is er nog tig ruimte voor herplant kerstbomengroen. Zo mooi, zo levendig, dat kerstbomengroen, want goudhaantjes, meesjes, roodborstjes en winterkoninkjes voelen zich thuis tussen groene naalden.

Bolsterturf, vrijdag 9 december 2005

262
Soms weet ik niet wat te zeggen

's Morgens
Flinke mist na nachtvorst. Tussen elf en twaalf met Erpel aan de lijn rond het moeras gefietst. Ook een zwarte specht ging een eindje mee, vloog boven verharde binnenweg van eik naar eik voor fiets uit.

's Middags
Autorit met vrouw. Retourtje Zeist. Anderhalf uur heen, anderhalf uur terug. Erpel mag niet mee, hij moet thuisblijven, oppassen. Op weg naar en terug van broer en schoonzus grauwe ganzen voor dichte mist. Broer doet open als we aanbellen. Schoonzus kan niet open doen. Zij is 56, wat ouder dan hij en kan niet meer lopen. Ze is ziek, heel erg ziek. Ze ligt in bed, slaapt met heel veel medicijnen in het mager geworden lijf heel veel. Ze heeft kanker. Ze ziet eruit als omaatje van tachtig. Ze heeft nog maar één maand te leven. Dat zeiden de artsen in het ziekenhuis. 't Kan haast niet erger. Te wreed, zo te moeten liggen en te weten dat je spoedig sterven zal.
Ik kus haar. Twee keer. Bij 't komen en bij 't gaan. Ze kust lief en teder. Kussen met haar vind ik makkelijk, praten met haar moeilijk. Als ik bij haar sta, haar zie liggen in het grote bed, haar pijnlijk hoor hoesten, in haar mooie, grote, droeve ogen kijk, dan praat ik wel wat, maar zeg ik weinig, te weinig, weet ik niet wat te zeggen, haat ik opeens mezelf, alle goden en het leven.

Bolsterturf, zaterdag 10 december 2005

263
Kerstboom vol vogeltjes in kamer en vogelvoederhuisje in caravantuin

Kerstboom uit vernielde bossen vandaag versierd. Niet door mij. Kerstboom versieren, ik kan dat niet. Ik knijp de ballen kapot en wil geen piek in top, want dat is slecht voor de boom. Moet hij straks in caravantuin voor hij, in gegraven gat met vette potgrond volgestort, kan gaan groeien eerst nieuwe top gaan aanmaken. En daar, voor 't aanmaken van nieuwe top dus, heeft een boom veel energie nodig, zodat hij na herplant te zijn het eerste jaar niet of nauwelijks groeien zal.
Veel vogeltjes erin, in de kerstboom. Vrouw spaart vogeltjes voor in de boom. Veel vogeltjes. En ook veel vlinders, bonte vogeltjes en bonte vlinders, met veel rood en zilver. En tuurlijk ook veel ballen, meerkleurige ballen. Alles veel. Vrouw lachte toen ik tegen haar zei: 'Het is zo net alsof het binnen veel lente is
'.

Buiten beetje mistig vandaag, tegen vriezen aan. Toch naar de camping gereden. Daar vogelvoederhuisje in tuin gezet en door laatste storm van grove dennen afgerukte takken opgeruimd. Onderweg veel koeien, schapen en ponies in koude mist. Mistroostig staat het vee aan afrastering, schrik- en prikkeldraad, buiten in keuterboerenweitjes zonder schuurtjes of afdakjes. Als altijd zwarte kraaien op en boven die kale grasvlaktetjes. Maar in de bleke bossen wel fijn wandelen. Fox vindt tweemaal een ree, jakkert er effe achteraan. Wij twee luisteren naar een specht die hamert in een boom. 't Timmermannetje is goed te horen, nergens te zien.

Bolsterturf, zondag 11 december 2005

264
Oerig water

Ik grasduin in grensgebiedje, scheiding tussen groen onland en grauw moeras met bruin, roestbruin, oerig water. Fox speurt over dit onland en in dit moeras. Grauwbruin is het riet en ondiep 't oerig water. Fox heeft vos in de neus, want gromt en grauwt. Hij ruikt wat ik niet ruik: de vos. Ik zie wat hij niet ziet: blauwe luchten achter rietkragen en heel veel roest in water en moeras.

Zo mooi, zo vlammend k leurrijk! Een zonnig zwammetje op dode stam boven dompig, oerig nevelmoeras.

Hij stinkt niet meer, stonk eigenlijk nooit: 'mijn' stinkzwam, inmiddels minstens vijfentwintig dagen oud, wat heel oud is voor een stinkzwam.

Mooi is de natuur, en hard en wreed en meedogenloos, want voor elk wezen geldt: Vecht voor je bestaan! Eet of word gegeten! Ik vind wat sneeuwwitte houtduifveertjes op puinberm en drabsloot vol rottend blad in blauwpaars water. Geen karkas, alleen wat witte donsjes en een staartveer. Wie at moerashoutduif? Sperwer? Havik? Valk?

Bolsterturf, maandag 12 december 2005

265
Telkens weer nieuw leven

Tussen vier en vijf naar het moeras. In de vroege schemer staat, nee, hangt de oude stinkzwam er slap en zielig bij. Zijn steel krimpt grauwer met de dag, maar zijn kop heeft nog gezonde stinkzwamkoppenkleur. Hij rust uit van 't leven, op dood hout, dood blad en dode elzenproppen. Dood. Alles dood. Deze, kleine maand jonge, oude zwam is bezig om ook dood te gaan. Dat is niet erg. Hij is maar een zwam, Phallus impudicus zonder, weet ik, mensenbesef van dood en leven. Als ik naar hem kijk, zie ik naast hem dode mensen liggen die ik kende: een vriendinnetje dat ik één keer - heel even - kuste toen zij zeventien was; een oudere vriend van zestig die een hersentumor kreeg; mijn oma's, altijd lief; mijn opa, de vader van mijn vader, oude, machteloze, gereformeerde oud peelwerker met aderverkalking, mijn andere opa, keuterboer die door zijn paard per ongeluk werd doodgetrapt. En dan met m'n ogen dicht zie ik ook nog een vrouw van pas zesenvijftig, een lieve vrouw die te verschrikkelijke kanker heeft. Bleek en bang weet ik haar in bed, zie ik haar weer liggen in haar bed, hoor ik haar weer zwak en moeilijk praten. Ik zei te weinig tegen haar, vraag me nu alsmaar af: waarom praatte ik niet wat meer?

Als ik met ogen open verder loop, is daar opeens de jeugd. Zwamjeugd. Een gloedjenieuwe, gladdonkere kop van jonge stinkzwam verrees op sneeuwwitte steel uit humus, blad en moer. Gisteren was hij er nog niet. Nu opeens wel. Dood en leven. Nieuw leven. Telkens weer nieuw leven. Ik glimlach als ik de jonge zwam fotografeer en daarbij moet denken aan 't nieuw, nog ongeboren kleinkindje van mijn opa's.

Bolsterturf, dinsdag 13 december 2005

266
Middagje rontelom de verboden vennen

Middagje struinen rontelom de verboden vennen. Wanneer Erpel en ik aanlopen vanaf de parkeerplaats, richting bleke bossen, is het droog. Net tien minuten onderweg begint het te regenen. Vlug terug naar de pinda. Kleine paraplu pakken. Met pluutje bij, blijven camera(tas) en ik droog. Ep deert de regen niet, die wil liever niet onder de plu.

Als ik over nat, maar lieflijk paadje tussen bos en rotte rog ga, stuiven op ongeveer vijftig meter voor me drie reeën uit het bos. Erpel ziet ze niet, die is druk met speuren en rakken. Het grofwild - hoe idioot toch dat de wetgever dit sierlijk, klein hertensoortje rangschikt onder grof wild - rent over de strook grauwe, plat liggende, rottende rog het aangrenzend weiland over, naar bosrand schuin vooruit. Breed en wit en sierlijk dansen de witte spiegels (spiegel = witte beharing rond reekont, bij angst en schrik spreiden reeën hun spiegels; bij reegeiten wordt de spiegel ook wel aangeduid met het woord schort) over de kale najaarswei. Omdat de reeën ver zijn en het regent dat het giet, blijft de camera in de tas. Maar waarom vluchten de reeën? Voor wie of wat? Ik besluit voorzichtig te zijn en Ep bij me te roepen. 'Hierrrr!... Hond of volk in 't bos, Ep! Voet! Zit!' Met Ep ook onder, nou ja, hij half onder de paraplu, wacht ik vijf minuten. Dan loop ik met Ep aan de voet voorzichtig verder. Na zestig passen duikt hij op de reeënsporen. Ik roep hem terug van de sporen en lijn hem aan. Behoedzaam lopen we verder. Dan, paar honderd meter breder zijpad naar links ingegaan, opeens heldere mokerslagen, alsof een enorme specht hamert op keiharde stam. Twee mannen zijn bezig met 't vervangen van rotte palen in stuk hooglandrunderterrein.

Inmiddels is het droog geworden. Ik klap het pluutje dicht, schudt er regendroppen af, steek het in mijn linkerachterbroekzak en besluit dan om de hamerende mannen gerust te laten. Ik draai om en loop naar nabij gelegen ondiep eilandjesven. Erpel hoef ik niet te zeggen om mee terug te gaan. Die zorgt er wel voor om altijd bij me in de buurt te zijn. Vijf mins later ongeveer staat hij voor in oeverruigte van bunt en braam. Als hij inspringt, spat een houtsnip schuin voor m'n neus langs boswal in.

Erpel en ik struinen heel de middag, door bos en hei en pijpestrootjes, over akkers - de schorseneren zitten nog in de grond, zijn nog altijd niet gerooid - en weiden, door vennen en sloten, langs bemost bordes waarachter geen landhuis meer, door vossen-, hazen- en reeënbiotoop, over allerhande wildwissels. Ep vindt nog een houtsnip, en dan een konijn, en dan een muis, en nog een muis, en nog een muis, en dan drie fazanten, en dan een groene specht, en dan weer een muis, en dan een haas en daarna nog een haas en gemiddeld elk uur reeën. Drie sprongen reewild in totaal weet i te vinden, eentje in open bos en twee in dichte dekking van spar en douglas. Hij mag van me reeën vinden, maar ze niet najakkeren. En dat laatste laten, da's moeilijk voor hem! Hij jakkert toch zo graag na! Toch moet hij leren dat niet in 't wilde weg te doen, want het is zo weer voorjaar en dan wordt hij al drie. Te vlug gaat hij, nee, niet Ep, de tijd!
Ja, m'n Foxje wordt te sterk, te slim, te fel voor lukraak hazen en konijnen achterna jakkeren. Hij ontwikkelt de laatste tijd min of meer verfijnde jachttechnieken, laat zich steeds minder voor de gek houden door achtervolgd wild, wordt te snel voor dat wild. Vluchtend wild dat een foutje maakt of gewoon te langzaam is, kan hij vangen, zal hij vangen. Kortom, zijn achterna jakkeren acht ik te gevaarlijk geworden voor onder meer jonge en drachtige konijnen, hazen en reeën. Bovendien ben ik bang dat hij op een kwade dag in een klem of strik terecht zal komen, of gebeten worden door een vos, of toegetakeld door een verwilderde kat. Ik moet èn hem èn de bosdieren in bescherming nemen. Toch wil ik dat Ep sterk en gespierd blijft. Moeilijk toch wel. 'Dat wordt meer aan de lijn, meer volgen aan de voet en veel rennen naast de fiets, Ep.' 'Pfffttt.'

Het is helemaal niet koud voor de tijd van 't jaar. Nu de kille regen is opgehouden, vind ik het heel aangenaam vertoeven in het vos. Vanaf een bankje bij het grootst verboden ven luister ik naar vaag, verweg geraas van auto's. Dat zacht geraas wordt soms overstemd door hard en hel kraaigekaa. En van over 't water komt ganzengeroep en eendengesnater. 'Te veel woerden, Ep. Klote woerden. Waren er maar meer eendjes. Straks in 't voorjaar leer ik je eendeneieren zoeken.' 'Wrefff.'

Al kijkend en luisterend naar vogelstemmen, kan ik niet laten om ook nog wat te denken. Zo zittend aan het stille ven, besef ik het weer overduidelijk: ik zie veel wat Erpel niet ziet, althans niet bewust waarneemt. Het mosbordes zonder landhuis, oranje zwamsel op een berkenbast, de zwarte roetplek waar jeugd vuurtje stookte op verboden venoever, dat alles heeft niet Eps interesse. Anderzijds neemt hij veel waar wat ik niet zie of hoor of ruik. Hij weet, bij voorbeeld, waar een vos liep, waar een bunzing poepte, een wezeltje aan 't muizen was, een teef van een wandelaar of jager of stroper plaste op een pad. Zijn zintuigen, met uitzondering van zijn ogen - hij ziet slecht stilstaande objecten, kan die vaak niet identificeren - zijn zo onnoemelijk veel beter dan de mijne! Maar helaas, Ep kan niet praten, me lang niet alles vertellen wat ik allemaal wel zou willen weten.

Bolsterturf, woensdag 14 december 2005

267
Klote versus mooi

Net wakker van middagdutje doen, ging ik even buiten kijken. Min 1 was het daarnet, volgens de thermometer aan de schutting achter 't huis. Nu zit ik al weer een uurtje te typen in warme kamer van plus twintig. Half vier in de middag. Hee, de zon komt op bezoek, hij kijkt door 't open raam op m'n bureau. Klote kamer, klote bureau, klote beeldscherm, klote toetsenbord. Ik sta op, pak dikke, groene trui, notitieblokje, potlood en camera. Ik wil, moet naar buiten.

Ik rij met Erpel naar de hei, naar de heizoom langs de snelweg. Da's maar vijf mins rijden van huis. 't Is wel een hoop klote herrie daar, maar waarom zal ik niet wennen aan verkeersgeraas waar 't heikantreewild al lang aan wende? In vind reeslaap- en herkauwplaatsen op - nauwkeurig afgepast - zevenentwintig tot eenendertig passen van de vangrail. Een vrouw in een opel vectra toetert als ik aan die vangrail sta, met Erpel kort aan 't lijntje. 'Maf wijf Ep, denkt zeker dat wij zelfmoord willen plegen.'

Na de sneeuw en de regens van de laatste dagen staat er weer wat water in de drooggevallen vennen en sloten. Klote mensen die sloten lieten en laten graven.
Ik bezoek de weinige heizoomvennen. Twee blauwe reigers en twee zilverreigers zien me komen. Ze vluchten voor me weg, gaan al op zo'n zeventig meter op de brede vleugels. Dat doen ze dus, omdat ze mensen niet vertrouwen. En gelijk hebben ze!

Ep en ik struinen langs venoevers. Plots geef Ep aan dat wild nabij is, staat hij even voor, duikt dan in nauwe doorgang tussen buntpollen. Van je wef wef wef jakkert hij een tiende seconde of zo later achter een grote haas. Ik laat hem doen. Kan geen kwaad en verdomme, wat maakt het uit? Deze haas heeft geluk dat Ep geen windhond is en ik geen jager ben.

Erpel en ik struinen een uur over de heizoom. Ik erger me aan 't verkeerslawaai. Ook baal ik geen ree op kaalslag te zien. Ep doet driemaal een houtsnip op. Zo mooi om te zien: je hond die voorstaat, de snip die wegspat en ontiegelijk snel accelereert. Zo klote dat jij en je camera zo langzaam zijn.

Te vlug is het dan al weer avond. Alle mooie dagen zijn te kort, gaan te vlug voorbij. Een zilverreiger - sneeuwwitte vogel tussen donk're lucht en dorre hei - en het kort èk-èk van een (wrede?) klapekster, een vrij zacht geluid dat toch niet gering verkeerslawaai overstemt, houdt mijn denken beetje in evenwicht. Somber wil ik niet zijn, ook niet blij. Waarom ben ik in mijn binnendst niet gewoon wat ik zou willen, zou moeten zijn? Ach, als ik me omdraai en naar het westen kijk, laat een roze lucht me glimlachen. Zie ik al m'n schoonzus in die roze hemel.
Het is niet anders. Alle mensen zijn wezens zonder macht, want ze gaan dood. Maar voor ze doodgaan plagen ze vaak elkaar. Wrede, klote wereld en verpeste, klote maatschappij. Zelfs hooggeleerde artsen staan altijd machteloos, want alles en iedereen gaat dood. Maar jonge vrouwen blijven baren. Ik kan er NIX aan doen, ik vraag me af: ben ik een rare? Vind alleen ik wat er nog over is van oernatuur mooi?

Bolsterturf, donderdag 15 december 2005

268
Vanmorgen om half zeven ging de telefoon

Vanmorgen om half zeven ging de telefoon. Korte mededeling van mijn broer: 'Loes is vanmorgen om zes uur overleden. Ik ben nu bij onze broer.' Veel meer woorden sprak hij niet. Ik ook niet trouwens. Wij hadden gewoon te weinig woorden. Na verbinding verbroken, ging ik liggen luisteren naar om het huis huilende noordwestenwind.

Bolsterturf, vrijdag 16 december 2005

268a
Kikker is de weg kwijt en eekhoorntje klimt zich klem

Ik rij met Erpel naar de bleke bossen. We gaan daar lange tijd, we waren meer dan vijf uren van huis, struinen. Het is koud, maar droog. Ik loop met Ep langs rotte rog en dorre hei. Ook door bos. Het bos is kaal met weinig onderhout. Soms een perceel douglas, lariks of spar. Heel soms een perceel loofhout: eiken en beuken en berken. Een bijna winterwind waait door de hoge toppen, waarin meesjes druk doen. Een havikwijfje (het havikmannetje is een derde kleiner dan zijn vrouw) duikt bosrand uit en, sneller nog, bosrand weer in. Erpel schrikt van de grote, wilde vogel. Op zijn beurt schrikt een houtsnip van hem. De snip laat een poepje vallen wijl hij wegspat.
Vanuit het westen naderen blauwzwarte luchten. Voor 't onheilspellend donker uit, vliegt een groepje roeken en een V ganzen. Die buigen allemaal af, naar 't zuiden toe. Het dreigend blauwzwart komt op Ep en mij af. Ik hoop op onweer, op donder en bliksem. De wind wakkert aan. En dan striemt kille regen in mijn gezicht en op Fox' snoet. Het deert ons niet. We kunnen er tegen en ik wil reeën zien. En ook mijn zinnen verzetten, niet meer denken en mooie foto's maken. Voorzichtig, met Fox aangelijnd, sluip ik tegen wind in over Timberjackslagveld, richting bosrandwei waarop vaak reewild staat. 'Sssttt Ep! Voorzichtig! Volg!' Maar dan klapt een houtduif uit een douglas en knapt onder mijn linkerlaars een dorre tak. 'Patsamme Ep, dit is klote. Te veel duiven, te veel dor hout. Dit wordt niks zo. Vrij! Rak maar raak!'

Dan blijkt uit 't bos gekomen de lucht weer lichter blauw, regent het niet meer. De laagstaande herfstzon schijnt op bomen en over wei- en akkerland. Ik zet me op een omgevallen dennenstam. Op zo'n omgewaaide boom en in luwte van bosrand is het heerlijk zitten. En zo fijn! de zon in je gezicht. Terwijl ik denk en dagdroom, inspecteert Ep de omgeving, inclusief strookje ruigte tussen oud en nieuw grasland.

Er komt een vrouw met een hondje langs gewandeld, vrouw van een jaar of dertig. Ze groet vriendelijk, ik groet terug. Als ik me zit af te vragen: 'Wat moet deze vrouw hier toch zo alleen?' vliegen haar hondje, een jack russellreutje, en Ep elkaar hardhandig in de haren. 't Loopt met een sisser af, geen gewonden. Zij lacht, ik lach, ze wandelt verder.

Hoe lang zit ik op deze stam? Anderhalf uur? Twee uur? Erpel heeft geen horloge en ik ben 't mijne vergeten om te doen. Maar wat doet die dikke groene kikker op het pad? Voor me zit een kikker, bewegingloos, maar met wijd open ogen. Hij kijkt me aan, knipoogt traag. Ik knipoog terug en pak hem na nog een paar knipoogjes op, neem hem in mijn hand. De kikkerpootjes voelen koud, maar helemaal niet akelig, niet onprettig, aan. Ik loop met de kikker naar een ven vijf mins verderop. Daar zet ik de kikker aan de waterlijn. Hij speelt weer even voor kikkerstandbeeld, komt dan in slome beweging, loopt langzaam - zo langzaam als een kikker in vertraagde film - het ven in. Onder water probeert hij zich te verstoppen onder groen wier. Ik waad het ven in. Daarop zwemt de kikker heel-lang-zaam-aan naar dieper water. Hij beweegt daarbij de achterpoten beurteling, niet gelijktijdig. En alles uiterst sloom, uiterst traag. Als hij ongeveer dertig centimeter diep zit, laat ik hem gerust. Erpel hoeft niet in het koude water; die blijft op 't droge en kijkt me wat raar aan. Ik zie hem denken: 'Je bent knettergek'.

Tegen schemer probeert Erpel in een dennetje te klimmen. Als ik omhoog kijk, zie ik waarom. Een eekhoorntje vlucht naar de top. Alle andere bomen staan op meer dan vijftien meter. Zo ver kan een eekhoorntje niet springen, niet zweven. Het langstaartje kan alleen maar omhoog in deze ene boom. Het moet in de dorre takkenhoop onder de den hebben gezeten en bang voor Ep de boom zijn ingeklommen. Ik roep Ep bij me en wacht op wat het beestje - wat is het toch donker van kleur! -  zal gaan doen. Het klom zich klem, terwijl het beter had kunnen wegduiken in de takkenhoop. En ja, het is een slim eekhoorntje. Na een hele poos wachten klimt het toch naar omlaag langs takken en stam en verdwijnt het in de takkenhoop.

Bolsterturf, vrijdag 16 december 2005

269
Na ree, stinkzwam, duivelsei, haas en bad thuis koffie met varkensoor

Rauw herfstweer. Buitentemperatuur om het vriespunt en harde wind met regen, hagel en natte sneeuw. Erpel en ik zijn nog maar net de pinda uit, of hij zit al achter een ree aan. 'Erpulllllll... foei! Teruggg!!' Ep gehoorzaamt niet, hoort me waarschijnlijk niet door de afstand en harde wind. Bij 'n door stormpje gebroken berk wacht ik op hem. 't Valt me op, dat de berk in zijn vallen een eikentak meenam. Als ik niet, halve minuut ongeveer, op Ep had moeten wachten, had ik dat van die eikentak niet gezien.

Op weg naar 'mijn' opa stinkzwam, kom ik langs de jonge, paar dagen jonge stinkzwam. De laatste is flink gegroeid sinds dinsdag, maar och erm, onder de al jaren terug omgewaaide berkenstam zie ik alleen de hoed van 'mijn' inmiddels maand oude opa stinkzwam. Zijn steel is weg. Misschien zit die onder 't blad, misschien niet meer. De oude zwammenkop, hij ligt daar dood of bijna dood in dode berkbeschutting, maar wat is dit? Tien centimeter naast de zwammenkop zie ik een ei, een duivelsei, waaruit dra een jonge zwam zal oprijzen. Maar genoeg over zwammen nu. m'n website wordt te eentonig zo, te saai met al dit gezwam.

Erpel stoot in onlandwei op een groot haas, achtervolgt hem van je wef wef wef het moeras in. Even later is Ep terug, zit hij onder drab en moer en modder, ziet hij potgrondgrauw. Zo kan hij niet mee naar huis. Wat nu? Mijn oog valt op de badkuip in de schapenonlandwei. 'Sja Ep, je bent te vies zo. En toch al zeiknat. Ik pak je ff bij je nekvel en zet je in bad. Paar seconden maar. Kan jij wel tegen. Dit badwater is niet kouder dan poelwater. Wel schoner en zuiverder. 't Is toch wat dat jij alleen maar houdt van vuil water!' Paar seconden later is Ep weer zwartbont. Samen springen we na 't wassen over het schapengaas tussen onland- en gewone wei. En dan springt Ep paar keer tegen me op, rakt daarna als een dolle door dikke vlokken sneeuwbui over boerenwei.

Terug bij de pinda is het - mijn opa zou gezegd hebben: asof de duvel d'r mee speult - droog en schijnt de zon. Terwijl m'n kameraadje nog wat snuffelt in de berm van 't puinpad, poets ik m'n cameraatje zorgvuldig droog. Dan wrijf ik 't kameraadje droog met een grote, ouwe doek. Daarna verwissel ik van sokken (ik heb naar 't veld altijd reserve kleren bij me), want toen ik in 't moeras even liep omhoog te kijken naar overwiekende eenden, stroomde er opeens water in mijn laarzen. Met weer warme voeten in m'n nieuwe sandalen, klap ik de kofferbak dicht. Tien mins later is er thuis koffie met varkensoor.

Bolsterturf, zaterdag 17 december 2005

270
Bijpraatzondagswandeling

Do oi na nachtvorst in bos en hei. Vrouwtje en baasje genoten van hun vrije dag, van de koude, stijf 'bevroren', witte hei en bunt, van kraaigekras, gansgegak, ekstergeschetter, eendgesnater en luisteren naar elkaar, kortom: van hun bijpraatzondagswandeling. Erpel mocht ook genieten. Die rakte twee uur achter hazen, houtsnippen, fazanten en konijnen.

Bolsterturf, zondag 18 december 2005

271
Loat ut zo

Ik loop met Erpel naar het Beuven, door vieze, natte motregen. Op mijn rug de grote, zware, groene tas met telescoop, kijker 20x50, statief en camera. Aangekomen bij Loat het zo ga ik op het lage bankje in die vogelhut zitten, ga ik kijken door de spleetjes, heb ik uitzicht op het grote, weidse ven. Erpel wil niet binnen, is dwars, is eigenwijs, wil buiten blijven in de miezerregen.

De wind staat verkeerd, waait door de lange, smalle open kijkgaten recht in m'n gezicht. Op het woelige water zie ik heel in de verte aan lijzijde wat ganzen, één witte zwaan en een groepje eenden. Te ver weg allemaal, niet de moeite waard om kijker, telescoop of camera voor op statief te plaatsen. Blader ik maar beter wat in 't logboek van vogelaars. Dat logboek is een schrift dat aan een touwtje hangt, touwtje wat ook vast zit aan een oogje rechts naast de deur.
Wanneer ik even later terug loop door de alsmaar klote regen en wanneer, bijna bij de pinda, Erpeltje achter een haas aan weft, zeg ik tegen mezelf: 'Sufferd, je vergat om in dat schrift, dat logboek te vermelden wat Bolsterturf.nl  op het water allemaal niet zag.'

Bolsterturf, maandag 19 december 2005

272
Een varkensoor, een cognacje en Eline Vere

Even was ik in 't moeras, in grauwe, donkere, sombere dag. Op altijd hinderlijk aanwezig achtergrondjakkerbaangeherrie na doodse stilte daar, tot gaaien de nare natte leegte in flarden schreeuwden en Erpeltje me verontwaardigd aankeek. 'Ja Erpel, klote moeras, klote verkeer, klote herrie. Kom, gaan we weer naar huis. Krijg jij een varkensoor en pak ik een cognacje en Eline Vere.'

Bolsterturf, dinsdag 20 december 2005

273
Droeve, eerste winterdag

Eerste winterdag 07.30 - 08.30
Vlug met Erpel fietsen. 't Is nog donker. Alles stil. Op hondendrolgazonnetje scharrelen wat merels in gemeentelijk lantarenlicht. Verder geen vogels. En in het moeras nix dan natte, trieste, donkere somberte, geen ree, geen haas, geen vos, geen snip, geen fazant. Ik trap langzaam door de modder en Erpel rakt zich vies, tot 'n groepje gaaaien ons het moer uitjouwt.

09.00 - 1030 Onderweg naar Zeist ganzen en eenden in lucht en weiden.

13.00 - 14.00 Op het grote Zeister kerkhof afscheid genomen van Loes. Ze stierf te jong, veel te jong. Ze kon, mocht niet meer leven.

15.30 - 16.30 Terug naar huis gereden.

Bolsterturf, woensdag 21 december 2005

274
Es haust im finstern Walde ein Habicht grimm und grau, en brilduikers duiken in verboden ven

Te laat in de middag rijden Erpel en ik aan, door trieste nevelwinterdag naar bleke bossen en verboden vennen. Ik heb haast, want moet vanavond nog gaan werken. 'k Heb er echt geen hekel aan, aan werken niet. Toch kan ik het soms haten, dat moeten werken voor luxe. Ik heb alle dagen te weinig tijd, ja, de dagen zijn gewoon te kort. En er zijn zo heel veel zaken die veel leuker zijn dan werken, toch?
Niet geflitst parkeer ik de pinda bij leeg weiland. De zwarte koeien zijn er niet meer. Eindelijk zijn die dan toch opgehaald. 'Waar naar toe gebracht?' vraag ik me af.

 Op bospaadje naar 't ondiepst eilandjesven liggen er op drie plaatsen slordige hoopjes vogelveren. Twee keer van een duif. Eén keer van een bonte specht. Langs 't pad lawaaien - zacht maar toch prettig luid in stille nevelmiddag - prettig bedrijvig groepjes mezen en goudhaantjes tussen dennen-, douglas- en sparrentakken.
Plots flitst een grote, bruine vogel over Erpel, die op dat moment met neus aan de grond over reeënwissel speurt, heen. Dat gebeurt in een stuk vrij kaal bos met vernielde ondergroei, bos bestaande uit niet veel meer dan lang, geknakt sprietig geel gras en wat magere grove dennen en armetierige berken. De beuken en eiken zijn er allemaal uit verwijderd, paar maand terug, zomaar midden in de mooie zomer, toen Timberjack en Cirkelzaag even langskwamen.
Zowat zonder af te remmen duikt de schim, de havik, voor hak en zaag gespaarde dichte douglas in. Pracht gezicht, zo'n havik op jacht. 'Dat is mevrouw Havik, Ep. Sjonge zeg, heb jij geluk, dat je geen mini foxje bent! Zo'n havik knijpt harder dan jij kan bijten.' 'Pffttt,' antwoordt Ep. En dan herinner ik me een oud gedichtje dat ik - inmiddels al een jaar of dertig terug - vond in een Duitstalig jachttijdschrift. Van dit gedicht herinner ik me nog wel de woorden, de interpunctie niet meer. Ook de naam van de dichter ben ik vergeten. En ik kan die komma's en zo maar niet vinden in het grote internet.

Der Habicht

Es haust im finstern Walde ein Habicht grimm und grau
Er schont kein Tier der Halde, kein Vöglein auf der Au
Und was er sinnt ist Schrecken, und was er blickt ist Wut
Habt ihm sein Weib erschossen, zerschlagen stets die Brut
Kennt nur noch wildes Jagen und Rache peitscht sein Blut

Opeens zie ik een ree op boerenpad tussen bos en wei. Afstand ongeveer honderdvijftig meter. Ik gebaar Erpel af, loop voorzichtig richting ree. Het merkt me niet op, maar verdwijnt wel langzaam naar rechts, een strook pijpestrootjes tussen pad en grasland in. Als ik denk dat ik bijna op de plek ben waar het ree van 't pad afging, zie ik het nergens. Ik snap er niks van. Blijf daarom paar mins staan op 't pad. Geen ree. Dan fluit ik Erpel. Ik wil hem niet te lang laten wachten, hem nu niet hoeven corrigeren en de oefening over moeten doen. Op m'n fluiten komt Ep zowat als een havik aangesuisd, gaat bijtijds op de rem en zit dan keurig voor. En dan springt dik twintig meter verder het ree de pijpestrootjes uit, 't pad over, 't bos in. Ik heb me flink in de afstand vergist, zit er goed naast. En om daar nu de nevel de schuld van te geven... Ep ziet het ree niet. Allebei horen we het niet als het vlucht, maar op de plek waar het afsprong gaat Eps neus meteen aan de grond. 'Goed zo, Ep. Grote jongen ben je. Kom, volg, gaan we eendjes kijken.' 'Pfffttt,' is ook nu Eps antwoord.

Het grootst verboden ven blijkt dicht bevolkt met gewone wilde eenden, maar in het diepst verboden ven is een paartje brilduikers aan het vissen. Zo dobberen woerd en eendje het op water, zo dukelen ze voorover, duiken ze naar venbodem. Ik kijk even naar deze vogels. Ze zijn zo mooi, zo wit, zo vrij ook, ze hebben geen baas en geen overheid. En zee- en visarenden wonen hier niet, want in deze vennen zit geen vis. De duikertjes vissen op kleiner, langzamer spul, op kreeftjes, torretjes en slakjes. Erpel gluurt eens scheef naar 't bonte woerdje. Hij is echter niet dom en dapper genoeg om het koude water in te gaan. 'Ja Ep, wat zijn ze mooi, nietwaar?:Hij zo heel wit op 't water met zwarte kop met groene weerschijn; zij met weinig wit en bruin koppie.' 'Pfttt.'

In de vroege avond lopen drie mensen over verboden paadje tussen verboden vennen door. Ze zijn niet ver, wel onduidelijk, wazige, dichtbije schimmen in nevelschemer. Zo veel mensen, denk ik, zo veel die je ontmoet onderweg, zo veel die je groet, weinig die je kent, met wie je praat. Opeens krijg ik ontiegelijke zin in koffie.

Bolsterturf, donderdag 22 december 2005

275
Dit is een mooie, weet nog niet hoe dure dag

Om zeven over vier lopen Erpel en ik 'n moeraspuinweg op. Van weg af scharrelen we wat over onlandweitjes en door 'n stuk zompig moer. Net voor we weer puin onder de voeten krijgen, staat Ep in vroege winteravondschemer een fazanthaan voor. Die zet het op een lopen, is te vet om zonder aanloop op te kunnen stijgen. Hij er achter aan. Terwijl ik schreeuw: 'Affffffff Ep, affffffff,' klimt de haan onder ongeveer zestig gradenhoek tegen dubbele rij vijf, zes, zeven meter hoge berken op. Zo mooi om te zien! Zo mooi om even te beleven! Ik loop naar Ep, aai hem over z'n koppie: 'Goed gedaan! Braafffff... Vrij!' Vijf mins later zijn we weer bij de pinda, zes over vijf thuis. Vrouw en dochters zijn dan net op pad gegaan. 'Koopavond statten,' lachten ze via 06. De katten liggen lui languit op de vensterbank, die hebben al gegeten. Ep schrokt als 'n leeuw zijn blikvlees en het soepvlees. Ik zet een groot bord stamp in de magnetron en lepel de voor mij op klein pitje warm gemaakte soep en denk: dit is een mooie, weet nog niet hoe dure dag.

Bolsterturf, vrijdag 23 december 2005

276
Autochtoon en allochtoon bijeen gepropt en elk individu in 't eigen groepje dobberend

Zacht weer voor de tijd van het jaar, zowat tien graden celsius. Stille middag voor de kerst, groene kerst. Lieflijk aandoend, frisgroen mos en elfenbankjes op bomen en boomstompen. De op andere zaterdagen boswandelende mannen en vrouwen met hun vrolijk lawaaiige kinderen winkelen in de stad, ze kopen cadeautjes voor elkaar. Zelfs Zalms en Balkenendes minima proberen het kroost wat leuk goedkoops te geven van schamele uitkering of te weinig loon met hard werken op fabriek verdiend. Wild en vogels hebben bos en plas voor zich alleen. De bruine en de zwarte koeien staan op stal of zijn geslacht. Een allenig ree laveit op bosrandwei. Een haken slaand haas vlucht voor een even weffend klote foxje. Gaaien bekvechten wat, zwarte spechten baltsen luidruchtig, groepjes mezen rumoeren vrolijk onvoorzichtig. Ze hebben met z'n allen heel geen erg in het hongerig havikwijf dat op korte, brede, afgeronde vleugels geruisloos door de dennen raast. En tussen meer dan duizend eenden drijven honderden Canadese ganzen op het grootst verboden ven. Over hen wiekt een koppel nijlganzen. De ex exoten willen nix weten van de Canadezen, ook niet van de wilde autochtone eenden. Alle soorten, alle rassen hebben hun eigen stukkie voor mens en hond verboden ven, zelfs de kleine talingen en de paar, op water zo heel witte, brilduikers. Net als in onze Nederlandse mensenwereld geldt op 't ven: autochtoon en allochtoon bijeen gepropt en elk individu in 't eigen groepje dobberend.

De vanavond, morgen en overmorgen zich aan tamme ganzenlever zat vretende mensen - sorry voor het woordgebruik, ik weet het wel: mensen vreten niet, mensen eten, consumeren, nemen tot zich - zal tamme ganzenlijden een rotzorg zijn. Ik feliciteer de wilde Canadese ganzen, de wilde Nijlganzen die niet wilden landen op het ven, en ook de wilde eenden, talingen en brilduikers die ik vandaag in volle vrijheid zag, met hun voor mens en hond verboden ven en met hun vrij, niet tam, zijn.

Bolsterturf, zaterdag 24 december 2005

277
Een lekkerder reuk dan van een vrouw met fout parfum

Dit jaar ligt op eerste kerstdag het moeras niet wit bedolven, maar groen en zwart en moerig oerig stil te dromen. Het is er stil, heel stil. Mensenleeg moeras. Rottend moer en weeïg stinkzwamzweet: zware, penetrante geuren. Ik vind het al met al geen onaangename ruik. Het is een lekkerder reuk dan van een vrouw met fout parfum, een rustgevende ruik.

Over mijn glimlachen vliegen houtduiven in grote groepen boven moerasrandbos en maïsstoppel. De blauwe vogels wieken alsmaar tussen hun rustbomen en gedekte tafel heen en weer. Nou ja, gedekte tafel? Maar een karig kerstmaal toch? Maïs en mier en verder niks.

Naar 't westen toe kijk ik tegen blauwe lucht met witte wolkjes, gammele hoogzit, verdronken berken en metalen televisietoren aan. Richting noord en oost ziet de hemel dreigend donkerblauw, alsof het ieder ogenblik kan gaan donderen, waaien en hagelen. Net als ik denk: 'Getver, geen gezicht die blauwe balen voor die boerderij', hoor ik blijde kinderstemmen. En dan zie ik lachende en joelende jongens en meisjes die achter mekaar aanzitten over 't boerenerf. Hun luidruchtig, vrolijk lachend spelen doet me denken aan de tijd toen ik speels jongetje was.

Met de kinderstemmen over het moeras lijkt alles rontelom blijer, vrolijker, minder winters; zie ik hoe vanuit zuid 't zonlicht over wei- en onlandwei lichte, speelse tinten tovert. Zat er niet zo veel bruin blad aan de bomen, zou ik denken dat het lente, pasen is. Wanneer een wolk schuift voor de zon, wordt opeens alles weer donkerder en somberder en is m'n lentegevoel foetsie. (Zei mijn moeder: 'Als je liever 't veld in gaat dan naar school, is je toekomst straks foetsie.') Dan waan ik me terug in recente herfst, de net voorbije herfst. Opeens besef ik: zon en wolken trekken zich niks aan van kalenderjaargetijden.

Erpel ziet geen zon en wolken, die maakt zich niet druk om het weer. Als die maar kan vreten, spelen, knokken, speuren, wild en teven ruiken, geurvlaggetjes plaatsen, rennen en rakken en jagen is hij gelukkig. Ja, hondenmannen leven om te jagen en om roedelleider te (willen) zijn, een leven gericht op het dekken van teven en het vangen van prooi; eeuwige jacht naar vreet, macht en rak en - vaak zelfs ook nog indien gecastreerd -  wip. Ik grinnik als ik denk: 'Zijn hondenmannen in hun oergedrag maffer of slimmer dan mensenmannen, dan ik?' Mijn antwoord op deze vraag type ik niet, want super slimme, ongenadige critici (m/v) liggen overal op de loer, met allerhande al dan niet min of meer op wetenschappelijke leest geschoeide logica en filosofietjes. Ach, geef mij maar critici zonder sjaggie, betweterige, cynische glimlachjes.

Maar dan vind ik een dode tak met een verzameling glimmend, zwartig glibberzwammetjes. Raar maar waar: fijn gevoel aan je toppertoppen als je zulke glibberzwammetjes even streelt. Vind ik, denk ik, omdat veelal alleen vrouwen bang willen zijn voor spinnen, kikkers, muizen, zwammen, glibberdingen .

Bolsterturf, zondag 25 december 2005

278
Het sneeuwkleed, hoe dun ook, maakt de zwarte kruisen zichtbaarder

Niets grilliger dan het weer: zo een zonnige morgen en voormiddag, zo donkere luchten en sneeuwwitte bodem. Als ik van huis ga en ook onderweg naar de bleke bossen, valt bij drie graden boven nul natte sneeuw. Kleine buitjes maar. Sneeuwbuitjes van niks. Toch wordt het nog 'n beetje een witte kerst 2005. Helaas, halfweg huis - bleke bossen gaat de sneeuw over in dikke, nattere regendroppen, maar hoe verder van huis, hoe witter bodem en boomtakken. Ja, in de bleke bossen is de sneeuwlaag dikker, sneeuwde het vandaag harder of langer dan rontelom huis.

Bij het parkeren van de pinda vallen me drie kruisen op, kruisen die er elke keer zijn als ik naar deze bossen ga, kruisen die ik gewoonlijk echter niet eens meer zie. Nu zie ik ze dus wel. Het sneeuwkleed, hoe dun ook, maakt de zwarte kruisen zichtbaarder. De verse, de maagdelijke sneeuw bedekt ook het platte bordje met de namen van de in mei 1945 op deze - toen bijna bloeiende - bleke bossen-heide gesneuvelde Nederlandse jonge mannen, twee soldaten en een sergeant, als ik het nog goed weet. Zij waren goede militairen, ze sneuvelden voor mijn nu vrijheid. Ik betrap me er op, dat ik de namen van deze mannen niet meer weet en dat ik nooit heb geprobeerd om te weten te komen hoe ze stierven, ver van huis op eenzaam stukje hei.
Ik kijk naar het nu witte bordje. Ik sta in dubio. Loop dan verder zonder te hebben gelezen. Wel vraag ik aan mezelf: 'Waarom veegde je de sneeuw niet van het bordje, wilde je dat niet doen?'

Dik uur later lawaaien in late kerstavondschemer nijlganzen in het ondiep eilandjesven. Paar minuten later worden ze bekeken door de 7 x 50. Ze zijn met drie, ver van huis en warme Nijl, verder van huis dan de wijzen uit het Oosten waren toen dat kindje, waar katholieken en protestanten in geloven en elkaar voor hebben vermoord, werd geboren.
De nijlganzen, zijn het twee mannetjes en maar één wijfje? Eén gans zit apart op stukje drooggevallen venbodem; de twee anderen tien meter verderop, knusjes tegen mekaar aan. De allene gans strekt zijn nek en gakt in de stille kerstavond, maakt opgewonden herrie. Van de twee bij mekaar, lawaait er eentje bijna net zo hard terug. 'Wat roepen ze tegen elkaar, of tegen haar?' en '
Mag een gentleman schreeuwen om een lady? ' vraag ik me af.

Bolsterturf, maandag 26 december 2005

279
Goudhaantjes in kerstsparren, vanuit huiskamer gefotografeerd

Het is morgen. Even voor elf. Jij schenkt een bakkie koffie en vraagt: 'Wat is dat voor vogeltje?' 'Vogeltje? Welk vogeltje?' is mijn respons, terwijl ik naar de kerstboom kijk. Die hangt vol met vogeltjes, sterren en ballen. 'Nee, hè hè, dat vogeltje buiten, in de sparretjes voor het raam... Ik denk, dat 't een winterkoninkje is.' Ik word nieuwsgierig, leg Louis Couperus' Eline Vere weg en posteer me voor het raam. En dan zie ik ook het vogeltje. 't Hipt van hot naar her, 't zit nooit stil, 't hangt nu hier, dan daar aan de sparrentakken. 'Roodborstje misschien,' opper ik. 'Welnee, 't heeft toch geen rood borstje.' Dan kijk ik beter en zie ik wat het is. 'Een goudhaantje! Nee, 't zijn er twee, nee drie. Waar is m'n camera?' Ik ren naar boven en pak de camera. Vlug de trap weer af. Onderweg camera aangezet en ingesteld. Maar 't valt niet mee om de vlugge vogelkes te vangen in de lens. Ik trap op de staart van onze Frija en bijna gooi ik je nieuwe kerstster van de vensterbank. Na even vlijtig knippen komt opa Dominant mopperend thuis. Die is al voor de tweede of derde keer naar zijn kippen en ganzen in 't moeras geweest. De goudhaantjes wijken uit naar de tuin van buurvrouw Pamela. En dan heb ik na zeven keer knippen drie foto's van 'onze' goudhaantjes. Op de andere staan alleen maar sparrentakken, lamellen, (achter ruit reflectie)lichtjes in onze kerstboom, 'n onscherp goudhaantje en de door jou voor 't raam opgehangen witte glinstersterren.

279a
Borrelend venwater en 'n handgeschreven woordje in bordjessneeuw

Tegen drieën wandelen we rond de verboden vennen. Er viel wat sneeuw. Niet veel, net genoeg om bodem, daken en boomtakken te bedekken. Ook op de van gemeentewege geplaatste platte bordjes met misleidende teksten over bosbeheer en zo, viel een half centimetertje maagdelijke sneeuw. 'Mooie gelegenheid om op deze klote bordjes 'ns een wel juiste tekst te schrijven,' zeg ik tegen je. En dan schrijf ik met m'n rechterwijsvinger in de sneeuw op zo'n bordje de letters k en u. Als ik je daarbij aankijk zeg je: 'Hè hè hè, jij bent erger dan een klein jong.' Even later, na het schrijven van de s, lachen we om het hardst. 

We lopen via wat kleinere verboden vennen richting bleke bossen. De wind is koud, waterkoud, sneeuwkoud. Doorheen een grote, grijze wolk schijnt een bleke zon. 'Zo mooi, net Finland,' zeg je wanneer we kijken naar die fletse winterzon die spiegelt in het water.

De winterwind waait over 't water, waait in onze gezichten. Ik wijs naar ijsmassaatje dat vastgepind zit tegen oever aan: 'Kijk, de wind waait de golfjes niet op, maar onder 't ijs. Zie je hoe het water opbortelt in al deze wakjes?' 'Ja, altijd mooi om naar te kijken. Bewegend water... Toch jammer, dat er in deze vennen geen vissen zitten.' 'Hoezo?' 'Het water is te zuur.' 'Weet ik.' 'Ow?'

We komen, al kletsend over vissen, overheid, werk en euro's - hoe onromantisch! - een uur eerder dan gisteren aan bij het ondiepst eilandjesven. Dat is voor 't grootste deel met sneeuw en ijs bedekt. 'De nijlganzen zijn er niet meer,' zeg jij. Ja, vind ik jammer. 'k Had ze graag nog 'ns horen roepen.' 'Ach, er komen nog veel winters en veel ganzen. Zullen we naar huis gaan? Ik krijg kouwe voeten.'

Bolsterturf, dinsdag 27 december 2005

280
Je bent tegenwoordig nooit 'ns meer ergens fijn helemaal alleen

'n Vrije woensdagmiddag met lichtblauwe hemel en bleke winterzon. Overal rontelom beetje witte wereld. Bij min één wandelen we over witte puinweg, over witte wei, door uitloper van grotendeels bruingroen gebleven bos, over weitjes slordig wit onland, door stukje kwartwit groezeloerig moeras. We stappen in de voetjes van muizen, hazen, fazanten en konijnen, ook in die van vossen, reeën en een fox. Achter ons, voor ons, links en rechts, nu hier dan daar, overal onze fox, onze Erpel op z'n rappe pootjes. Je hebt het helemaal niet koud. Je jas is warm en groen, je broek ook, en ook je nieuwe bontgevoerde laarsjes, maar je wangen en oren zien te warmrood. Je lippen roder nog. Je lacht me uit als we weer eens grote mensenvoeten kruisen en ik mopper: 'je bent tegenwoordig nooit 'ns meer ergens fijn helemaal alleen.'

Bolsterturf, woensdag 28 december 2005

281
Vernield logboek

We vertrekken onder bleke zon in blauwe hemel. Als we uren later thuis komen ziet de lucht, vooral naar 't westen toe, grijs en grauw. Het sneeuwde wat de laatste nacht en het vroor en vriest een beetje, dus waar gestrooid het wegdek nat en pruttig, waar geen zout gegooid spiegelglad. Ik plant de pinda in berm van bochtige, me te gladde Kempenweg.

Veel sporen in de sneeuw, een paar maar van konijn, kat, hond, haas, ree en vos. Wel heel veel afdrukken van mensenvoeten. Ook staan er grote, lompe, diepe paardenhoeven in de paden. Het best zichtbaar zijn de bandensporen gemaakt door kleurrijk geklede sportievelingen op mountainbikes.

'Wat denk je,' vraag je, 'is het Buntven toegevroren?'
'Nee, denk van niet. Zullen we er gaan kijken?'
'Ja, maar wel erg koud... Die wind van over water of ijs.'
'Welnee, heerlijk fris. Lekker gezond.'
'Ach jij, nep stoere bink.'
'...

Half uur later liggen er vier damesfietsen op het knuppelbruggetje dat leidt tot aan de deur van vogelhut Loat ut zo. Uit de hut komt lachen en getjingel. Als ik de deur open, zien we vier meisjes van een jaar of dertien, veertien, misschien vijftien. Ze zitten, met de hutluikjes potdicht, op het lange bankje. Ze roken. En ze spelen met piepende en tjingelende mobiele telefoontjes. Wij groeten en gaan ook op 't bankje zitten. Ik open twee luikjes en dan zien we, door grote, smalle rechthoekige spleten, het besneeuwde ven met paar donkere wakken erin voor ons liggen. Pracht panorama.
'Het tocht hier,' zegt één van de meiden.
'Keken jullie dan helemaal niet naar de vogels?' vraag jij, terwijl je de 7x50 uit je jaszak haalt.
'Ha ha,' kirt een meisje, 'er zit niks. Wij maakten te veel lawaai.'

Terwijl de meisjes roken en met hun piepende foontjes plaatjes kijken, tuur jij met de kijker door de tochtspleet.
'Wat zie je?' vraag ik.
'Niet veel. Heel achter op het ven wat ganzen of zwanen. Witte ganzen, lijkt het wel.'
'Ik ga er een foto van maken,' antwoord ik. Die foto is zo gemaakt, duurt maar heel even.
'Willen jullie ook op de foto, lady's? Komen jullie op internet.'
De meisjes kirren wat, willen niet op de foto. Dan valt me op dat het logboek in de hoek bij de deur nogal toegetakeld is. Als ik het pak, vallen er bladzijden uit.
'Het is kapot,' zeg je. En dan vraag je: 'Ga je er in schrijven?'.
'Ja,' antwoord ik, terwijl ik de gevallen blaadjes opraap, 'maar kijk toch 'ns. 't Is goed vernield.'
Er zijn nogal wat bladzijden uit het logboek gescheurd. Die stop ik terug. En dan zie ik dat een paar blaadjes voor een kwart verbrand zijn.

De vier jonge meiden zijn stil geworden. En hun telefoontjes piepen niet meer. Jij en ik kijken deze meiden in hun ogen. Twee kijken brutaal terug. Twee wenden de ogen af. Jij zegt niks. Je aait Erpeltje en praat met hem. Zo wil hij wel in de vogelhut wezen.
'De pen is weg,' zeg ik dan, 'maar 'k heb er wel eentje in mijn cameratasje.'
Als ik begin te schrijven gaan de meiden weg. Zonder kabaal, zonder commentaar gaan ze de deur uit, zeggen alleen nog maar 'dag'. Ze pakken hun fietsen en verdwijnen, over het knuppelbruggetje de inmiddels grauw en grijs geworden winterdag in.

Bolsterturf, donderdag 29 december 2005

282
Pinda in de prak

Om elf uur 's morgens komen jongste dochter en haar vriend hun kerstboom 2005 brengen. Het is een mooi boompje, een douglas van anderhalve meter hoog die helemaal nog niet rieselt.
Om twintig over twee rijden vrouw, Erpel en ik met de pinda naar de camping. Daar willen we bij onze caravan de douglas in de tuin zetten. Het is spiegelglad op de binnenwegen. Ik rij in tweede versnelling en geef geen gas. Zo sukkelt de pinda met een slakkegangetje door de bossen; zo kunnen vrouw en ik naar rechts en links spieden naar reewild en vogels. Maar dan komt ons in flauwe bocht een toyota tegemoet. Die rijdt flink hard. De bestuurder ervan, een jonge man van jaar of dertig, remt in de bocht, verliest de macht over het stuur. Zijn toyota draait ietsje meer dan negentig graden en boort zich in de pindaflank. De pindamotor slaat af, de pindaruiten verbrijzelen, heel de pindazijkant wordt ingedeukt, de pindadeur vliegt open. De toyota duwt het pindaatje de weg af, het bos in. Niemand gewond, maar Erpel staat een kwartier later nog te trillen op zijn pootjes.

Politie gebeld. Foto's gemaakt. Schadeformulier ingevuld. Politie komt. Een agent belt voor ons een takelwagen. De chauffeur daarvan brengt vrouw en Ep en douglas en mij terug naar huis, en daarna de pinda naar de garage waar we 'm tweeëneenhalf jaar geleden kochten.

Thuisgekomen schadeformulier verder ingevuld, garage gebeld, tegenpartij gebeld voor meer gegevens, verzekering ook nog gebeld. Daarna de schadeformulieren en een politierapportje, keurig in enveloppe met postzegel, naar het postkantoor gebracht. Niet naar de brievenbus, want die kwajongens met hun vuurwerk!

Rij je in je opel geen 250 kilometer naar je ouders omdat bar slecht weer voorspeld is, blijf je dichter bij huis, word je in je pindaatje door een snelheidsmaniak van de weg gereden. En 's avonds moet ik nog gaan werken ook. Gelukkig mag ik vrouws auto mee. 'k Hoef dus niet te fietsen. Maar al met al toch echt wel een klote dag.

Ach, niks klote dag, er gebeuren erger dingen, elke dag opnieuw.

Bolsterturf, vrijdag 30 december 2005

283
Oudejaarsdagommetje rontelom de verboden vennen

Jij, Erpel en ik wandelen paar uurtjes, rontelom de verboden vennen en langs bleke bosranden. Na sneeuwval in voornacht, gevolgd door zachte regen in nanacht en morgen, zijn vanmiddag alle akkers en weiden weer mooi groen. In de bossen ligt nog wel wat wit, maar echt niet noemenswaard. 'Te gek gewoon hoe snel sneeuw verdwijnen kan,' zeg jij blij.

We zien een blauwe reiger. We zien twee buizerds. En we horen een paar keer een zwarte specht, ook wat gaaien en kraaien. 'Die specht denkt zeker dat morgen al de lente begint,' zeg ik. Op spechtgelach, kraai- en gaaigeschreeuw en mezenkwitter na, is het vogelvolkje verder stil. Er is echter wel 't onophoudelijk geknal van vuurwerk. Dof en hel komt het van over de hei en door kaal bos aangerold, de hardste knallen vanaf boerenerven, minder luide uit de rontelomme dorpen.
Erpel trekt zich niets aan van al dit vuurwerkgeweld. Die heeft geen schrik van knallen, is niet bang voor een jachtgeweer en in staat om een rotje of voetzoeker te apporteren. Ook de eenden op het grootst verboden ven bekommeren zich niet om verweg lawaai. Een bonte verzameling eendvogels zit rustig op het ijs. Hele groepen langnekken dobberen, beetje kwakend zo nu en dan, op het sneeuwijskoude water. Ja, ze trekken allemaal zich geen zier aan van vuurwerkgeweld. Ze maken zich meer kopzorgen om Erpeltje. Ze zwemmen in rap tempo richting andere oever zodra ze hem zien. 'De eenden denken, dat i dom genoeg is om nu het ijskoude water in te gaan,' lach ik. 'Yep, hij is niet gek... luister eens... zo mooi... dit fluiten van de wintertalingen.'

Niet ik, maar een bosuil antwoordt je, met diep, vèrdragend 'hoe - hoe - hoe.'

Bolsterturf, zaterdag 31 december 2005

index december 2005
0253 donderdag 01-12-05 Even naar reeënberkenbosje
0254 vrijdag 02-12-05 Vluggertje stinkzwam
0255 zaterdag 03-12-05 Bioschuur, duifgekoer en dooie boktorstam
0256 zondag 04-12-05 Zondagswandeling in motregen en avondschemer
0257 maandag 05-12-05 Oud en slap en zowat tegen de grond, zo vind ik mijn stinkzwam van 't moeras
0258 dinsdag 06-12-05 Zelfs een roodborstje heeft schutkleur
0259 woensdag 07-12-05 Van moeraswildwissels, bloemkoolpaars verraderlijk water, stinkzwammen en een vervallen, houten schuurtje
0260 donderdag 08-12-05 Grauwe bergen kippenmest, gele gifwei, buizerds op paaltjes en wolken spreeuwen
0261 vrijdag 09-12-05 Geen uil maar een kat, en wat over kerstbomen
0262 zaterdag 10-12-05 Soms weet ik niet wat te zeggen
0263 zondag 11-12-05 Kerstboom vol vogeltjes in kamer en vogelvoederhuisje in caravantuin
0264 maandag 12-12-05 Oerig water
0265 dinsdag 13-12-05 Telkens weer nieuw leven
0266 woensdag 14-12-05 Middagje rontelom de verboden vennen
0267 donderdag 15-12-05 Klote versus mooi
0268 vrijdag 16-12-05 Vanmorgen om half zeven ging de telefoon
0268a vrijdag 16-12-05 Kikker is de weg kwijt en eekhoorntje klimt zich klem
0269 zaterdag 17-12-05 Na ree, stinkzwam, duivelsei, haas en bad thuis koffie met varkensoor
0270 zondag 18-12-05 Bijpraatzondagswandeling
0271 maandag 19-12-05 Loat ut zo
0272 dinsdag 20-12-05 Een varkensoor, een cognacje en Eline Vere
0273 woensdag 21-12-05 Droeve, eerste winterdag
0274 donderdag 22-12-05 Es haust in finsterm Walde ein Habicht grimm und grau, en brilduikers duiken in verboden ven
0275 vrijdag 23-12-05 Dit is een mooie, weet nog niet hoe dure dag
0276 zaterdag 24-12-05 Autochtoon en allochtoon bijeen gepropt en elk individu in 't eigen groepje dobberend
0277 zondag 25-12-05 Een lekkerder reuk dan van een vrouw met fout parfum
0278 maandag 26-12-05 Het sneeuwkleed, hoe dun ook, maakt de zwarte kruisen zichtbaarder
0279 dinsdag 27-12-05 Goudhaantjes in kerstsparren, vanuit huiskamer gefotografeerd
0279a dinsdag 27-12-05 Borrelend venwater en 'n handgeschreven woordje in bordjessneeuw
0280 woensdag 28-12-05 Je bent tegenwoordig nooit 'ns meer ergens fijn helemaal alleen
0281 donderdag 29-12-05 Vernield logboek
0282 vrijdag 30-12-05 Pinda in de prak
0283 zaterdag 31-12-05 Oudejaarsdagommetje rontelom de verboden vennen


Bolsterturf © bolsterturf.nl

IntroHoofdpaginaInhoudsopgaveNatuurdagboekRecentVideoHoogzitten en jachthuttenMuziekGedichtenOver bolsterturf en Bolsterturf
Stukjes tekst, video's en foto's van bos, hei en waterkant; over grasduinen en struinen in natuur en veld, over zon en wind en buiten zijn
<<<<<<<<<<<<<< Home >>>>>>>>>>>>>>