|
Bolsterturfs natuur B o l s t e r t u r f s n a t u u r Dagboek januari 2006
284 Na laatnamiddag kerstboompjes herplanten schemereenden kijken We rijden in jouw auto naar de caravan. Erpel mag ook mee. Met vijfentwintig uur vertraging zetten we toch nog het kerstdouglasje van dochter in de campingtuin. En meteen maar 't eigen kerstfijnsparretje 2005 er naast. Fijn werk is het, zo samen kerstboompjes voor de tweede keer zetten. Jij kwebbelt druk wanneer ik de twee gaatjes graaf. Paar mins later kunnen de boompjes gepoot. 'Het is niet niks als je maar ternauwernood ontsnapt aan de grote muil en brede banden van bomenbeul Timberjack,' zeg ik tegen het sparretje, terwijl jij zowat een hele zak potgrond rond z'n kluitje schudt. In de auto herinner ik me opeens een les van éénoog Feik, oudere jongen, buurtgenoot en ondeugd, met wie ik vaak door Drentse en Nedersaksische dreven zwierf. Hij wees me de bomen, loof- en naaldbomen, hun takken en hun bladeren of naalden, en onderwees me ook: 'Let op de beginletter: spar solo, den duo, lariks legio.' Voor we terug naar huis gaan, wandelen we rontelom het grootst verboden ven. 'Fijn hier,' zeg ik. 'Dit wandelen is zo mogelijk nog fijner dan kerstboompjes herplanten. Rust en stilte... Alleen wat wilde eendenkwaak en 't fluiten van wintertalingen... Vind jij 't hier ook zo fijn?' Bolsterturf, zondag 1 januari 2006
285 Het Sang, Lierop - Mierlo, Noord-Brabant Ik struin zomaar wat, zonder doel of overleg. In klein gebiedje kom je toch meestal ongeveer 't zelfde tegen. Wat over is van een in oktober 2002 door woeste storm gebroken eik staat, groen en hard, nog altijd overeind. Als ik - weer 'ns - de kapotte stam fotografeer, schrik ik opeens van de me te snelle tijd. Het is al meer dan drie jaar terug dat het zo schrikkelijk waaide hier in 't moeras. Het lijkt me toe alsof het pas gister stormde. Ja, de tijd gaat me te snel. Waar bijna op beekje uitmondende slootjes doodlopen op opgeworpen waterschapwalletje, plaatste Staatsbosbeheer in die slootjes wat watervalletjes, tevens dierenvalletjes. De waterstand in het moeras en op de onlandjes mag van sbb niet te hoog zijn, en ook niet te laag. Water en waterpeil dienen allerstriktst gereguleerd. De geleerde ambtenaren van sbb zullen gedacht hebben: we plaatsen gewoon een aantal vernuftig aan elkaar bevestigde waterepeilregulerende pvc-buizen, om zo volgens ons te hoog water via deze buizenconstructies af te kunnen voeren naar het beekje. Strikt sbb gereguleerde afvoer dus, dit afvoeren van water, tevens afvoeren van - zij dit laatste met wat vertraging - de in de ronde buizen verdronken dieren. Bolsterturf, maandag 2 januari 2006
286 Kwakkelwinter. Eergisteren sneeuwbuien. Gisteren volop dooi. Vannacht en vanmorgen vorst. Vanmiddag is het rond nul. We zijn met de fiets, Erpel en ik. We doen 'n klein rondje moeras, klein rondje maar in deze zowat windstille en rond het vriespunt derde januaridag. Er ligt ijs op de onlanden, de te kale onlanden die flink zijn toegetakeld door Staatsbosbeheer. Dat zat van 't zomer met grote machines rontelom te graven en te zagen en te wroeten. Er moesten weer flink wat bomen en struiken kapot gemaakt. Zonde van al dat wilgen- en elzenhout. En zo hebben vogels minder nestgelegenheid en reeën minder dekking. Ik maak me verder maar niet druk om sbb. Ik draai me liever om en glimlach als ik terug haal wat ik tegen m'n dochters zei, toen die klein waren en mee gingen op de fiets: 'Sssttt, de kabouters zijn naar bed, de trollen komen zo de nevel uit. We gaan vlug naar huis, want de zon gaat slapen in het eikenbos. Zeg maar truste... ' Bolsterturf, dinsdag 3 januari 2006
287 In vroeg middaguur naar moerasrand. Dat kon ik - na avond en nacht werken en voor streng verplicht gestelde namiddagse werkvergadering - nog net redden. 'k Vind ze zo mooi om naar te kijken, die blauwe duiven met hun witte nekringen en witte midvleugelbanden. Ja, is niet anders, 'n klein poosje maar mocht ik vandaag genieten van grote vluchten blauwe houtduiven. Bolsterturf, woensdag 4 januari 2006
288 Over selectief luisteren en een duivelsei Namiddagmoeras- en onlandtochtje. Terwijl Erpel rakt en naar muizen graaft, probeer ik - te voet op weg naar 't moeras - patroontjes te vinden in slordige sloot. Ik kan echter geen mooie door wind of rat of vogel geschreven figuurtjes vinden in het bruin-oerig rimpelijs, alsof dood kroos* en dito eikenblad. bij voorbeeld een mislukte Middellandse zee, eilandloos miniterraneetje in Brabants winteronlandslootje, tussen alsof dood rood kroos* wil ik echt geen kunstwerk noemen. De bevroren reewildhoefjes in wat van 't zomer aardappelakker was, vind ik er niet minder mooi om. Bijna loop ik aan rand van onlandwei in rauwe ruigte tegen een ree aan. Erpel gaat meteen achter de rikke aan, maar raakt haar meteen weer kwijt. Erpel kan niet goed kijken in ruigrietoerwoudjes. Ikzelf trouwens ook niet. Terwijl Ep in vergeefse poging om toch over de ruigte heen te kijken staat te dansen op z'n achterpootjes, zie ik toch nog net hoe mevrouw Reegeit dikke vijftig meter verder over een sloot springt. Dan ontdek ik ook het reeënpaadje. Vlug naar de sloot dus. Ep worstelt door het riet als ik hem roep. Die gaat na zowat iedere vergeefse achtervolging altijd even kijken waar een haas of ree nou precies vandaan kwam. Maar de sloot..., die is breed, heel breed en met laagje ijs bedekt. Toch waagt Ep de sprong, onverwacht, zomaar pardoes, hartstikke onbesuisd. Hij haalt het net niet. Zakt door het ijs. Direct nadat hij vlug tegen wal op is geklommen, begint hij te piepen, zachtjes te piepen. Zijn rechtervoorpoot houdt hij zielig omhoog. Ik kan hem niet bereiken. De sloot is me te breed, te diep ook. Maar Eps koppie gaat de ruigte in, zomaar opeens gaat hij zoeken. Naar muizen? Of naar wild? En dan rakt hij achter een groot haas aan. Ik schreeuw: 'Patsamme... Erpullllll... Affffffff... Affffffff... Teruggggg... Hierrrrr...' Hij luistert niet. Paar mins later is hij toch terug. Maar bij de sloot aarzelt hij, durft niet goed te springen. Ik wil ook niet dat hij springt, dus commandeer ik hem af: 'En nu luisteren, Ep. Affffffff... Affffffff.. En blijfff...' Als ik omgelopen ben, paar honderd meter maar en over dam met duikertje, ligt hij nog keurig af. De moeilijkheid met Erpel is dat hij luistert, maar selectief. Zijn pootje zie ik niks aan en dus spelen we even ruw op onlandwei. Uit het bijna puurwit duivelsei dat ik onder omgewaaide berkenstam vond (op 17 december jl.) , is geen kop op fiere steel omhoog geschoten. Toch is het ei niet bevroren of stuk. Het ligt, geworteld in moerashumus en goed verborgen onder laagje blad, te wachten op langer daglicht en minder kou. Als je aan het ei voelt, voelt het week en zacht. Op centimetertje of tien naast het ei ligt wat gelei, hoopje ongezond poepkleurig glibberrestantje: rottende kop van de eens zo fiere stinkzwam die ik op 14 november vorig jaar voor het eerst zag . Zo kijkend naar de drek die overbleef van een mooie zwam, besef ik weer eens dat alles in de natuur, alle leven, lelijk leven, mooi leven, kort leven, lang leven, àlle leven dus, doodgaat, verrot, verteert. Verbranden of in, bij voorbeeld, een maaikneuzer vermalen en koeienvoer worden kan natuurlijk ook. Hahaha, ik kan het niet laten. Ik moet gewoon even weer wat schrijven over datgene waar ik in m'n dagboekdag 269 me voornam niet meer te zullen schrijven. Fijn om te mogen doen: schrijven over de slimme grote stinkzwam en over 'n duvelei. Sjonge zeg, straks denkt u nog: da's pas een maffe homo sapiens, die Bolsterturf. Tegen donker worden Ep en ik flink uitgescholden door een roodborst. 't Brutaal ding zit in puinwegberm tussen meidoornstekels. Terwijl het Ep in de smiezen houdt, kan ik het mooi op de foto zetten. * Alsof dood kroos: geen dood kroos maar stuifmeel van de zwarte els op gezond groen kroos?Bolsterturf, donderdag 5 januari 2006
289 Warm oerig bruin Donk're winteravond. Somber grijs moeras. Oerig bruin slootjeswater tussen bos en akkerland. Flink oerig bruinnatuurlijke tint over laagste meter van hoge, groene eikenstammen. 't Valt op, zoveel warmbruine kleuren onder grauwe kouwe lucht. Ik weet niet waarom, maar warm oerig bruin maakt me blij. Erpel is altijd blij. Met vrolijk fanatieke smile zoekt hij naar knijn in dorre, bruingrauwe blader- en takkenwirwars, waarvoor aan noordkant wat laatste restjes dooisneeuw. Bolsterturf, vrijdag 6 januari 2006
290 Zich ergeren aan We rijden in jouw Agilaatje naar parkeerplaats naar geasfalteerde toegangsweg naar verboden vennen. Als we op de modderige parking uitstappen, zeg jij: 'Daar gaat zo'n groen autootje.' Ik kijk naar het met flinke vaart een zandpad inrijdend autootje en erger me: 'Sjonge zeg, wat rijdt die klojo hard. Zeker gebeld voor 'n spoedgeval... Misschien een mountainbiker verongelukt, of zo'n klote motorcrosser.' Vanmiddag dagdroom ik niet, trim ik niet en maak ik geen foto's, vanmiddag wil ik me ergeren aan mensen, wil ik met één oor naar jou luisteren en Erpel op wildwissels zetten. Jij vertelt van de kids en het baby'tje en de televisie en je boek en je vriendinnen en je werk en ik kijk goed uit m'n blauwe doppen terwijl het brave hondje speurt en graaft, vier keer wef-wef-weft en dan een sprintje trekt, alsmaar rakt en jakkert, één keer even zwemt. 'Domme hond, toch veel te koud nu!' Ja, vanmiddag mag Erpel volop rakken. Straks is het alweer lente en dan mag i het niet meer. In het anderhalf uurtje vertoeven tussen parkeerplaats, bleke bossen en verboden vennen achtervolgt Ep drie reeën, een konijn, een houtsnip, nog een ree en nog een houtsnip en dan ook nog een haas. Een duur geklede man en dito vrouw, hij in stemmig kerkzwart met grijze hoed op, zij met witte broekspijpjes onder te dikke kont en, op 't rood pafferig gezichtje en hoogblond halflang haar na, gehuld in bont of imitatiebont, kijken geërgerd als haas en hond hen voorbij stuiven over 't pad. Bolsterturf, zaterdag 7 januari 2006
291 Crossen in Gebergten en Herselse heide Gebergten en Herselse heide: een motorcrossbaanbos. Vanmorgen croste men er op motoren. Deze keer weer eens alleen maar buiten de officiële crossbaan. Alle bospaden en -paadjes voor lol en lulligheid goed kapot gecrosst. Bolsterturf, zondag 8 januari 2006
292 Thuisgekomen ben ik nog niet uitgedacht Vandaag struinen Erpel en ik drie en een half uur door mooie, zonnige, net vorstvrije, windstille winterdag. Vanaf de grote parkeerplaats lopen we naar de bleke bossen. Vervolgens bezoeken we de verboden vennen. Dan via een andere route weer terug naar de bleke bossen. Tegen vieren vind ik een geel geweitje. Nee, geen geweitje, een zwammetje. Het groeit op platgetreden paadje waarover van 't zomer Schotse hooglandkoeien sjokten, alsmaar op en neer sjokten langs vijf schrikdraden. Terwijl ik het paddootje fotografeer, stuit Erpel op een haas. Hij gaat er achter aan. Ik 'affffffffff' m'n hondje STOP. Het vroor de laatste nachten best hard, harder dan ik dacht. Op alle vennen ligt ijs. Alleen in het grootst verboden ven is één wak. Langs venoever van een kleiner ven scharrelen drie zwarte kraaien. Voordat Ep ze omver kan rennen, gaan ze op gevlerkte vleugels hoog. Ik vind het gek dat de zwartrokken zwijgend het luchtruim kiezen, dat ze niet mopperen of schelden. In het grootst verboden ven zitten op verst van walkant verwijderde wak(ijs)oever honderden wilde eenden. Die rusten daar op het koude, harde ijs. De meesten dommelen, zijn stil. Maar een paar converseren. Als Ep gaat rennen langs venoever zijn ze opeens allemaal goed wakker, mopperen ze met z'n allen wat verderop, waggelen ze van het open water weg. Terug naar de bleke bossen hangt een aureool over 't pad, maar als ik in de zonnestralenbundel sta voel ik me niet anders dan gewoonlijk. Terug lopend door de bleke bossen oefen ik met Ep. Dan mag hij niet verder dan een meter of twintig meter voor me uit lopen en moet hij van me op de paden blijven. Een hele opgave! Hoe vaak gaf ik het commando 'Teruggg!..'? Hoe vaak riep ik 'Korter!..'? Bolsterturf, maandag 9 januari 2006
293 De wind suizelt door aan dode tak nog vastzittend eikenblad en van achter hazen rakken krijg je dorst Erpel en ik scharrelen een middagje langs bos-, akker-, hei- en weikant. In kleine drie uur tijd leg ik zo'n tien kilometer af. Hoeveel km meer rakt Erpel gemiddeld per uur? Het drievoudige, vijfvoudige, zevenvoudige, tienvoudige van wat ik loop, struin, drentel? Ofschoon , hoewel, nee toch maar ofschoon (klote mooie oeroude voegwoorden) ik Erpel afrem - hij moet van me veel 'volgen aan de voet' - vindt hij binnen tijdsbestek van drie uur tijd drie keer een haas. Van achter hazen rakken krijg je dorst. Maar nergens water. Alles ijs. Daarom eet Erpel van restjes sneeuw in heidegreppeltje en akkervoren. Eigenlijk moet hij nu water hebben. Hij rakte echt veel. En 't is laat. De zon al bijna weg, bijna schemer. Ik krijg haast, ga ff joggen. Als ik tien mins later het ijslaagje van een ven kapot stamp, begint Ep onmiddellijk gulzig te drinken.En dan is het donkeravond. Weer ging de tijd te snel. Toch is ze mooi, nee, niet de tijd, de tijd brengt je naar de dood, nee, hij is mooi, zij is mooi, het hemellichaam is mooi, mooi om te zien, mooi om lang naar te kijken. Waar ik sta schijnt het over bevroren verboden vennen en kale bossen, uit grauwe lucht: de maan op weg naar 't laatste kwartier. Als gisteren zitten wilde eenden rontelom het - na nachtvorst weer kleiner geworden - wak in het grootst verboden ven. Als ik naar ze sta te kijken wieken er een paar op. Meer langnekken komen aan, willen wak-toe, maar die durven niet te landen. Man en hond maken, dat ze bang zijn om omlaag te komen en daarom rond blijven cirkelen. Dus zeg ik: 'Kom Ep, we gaan naar huis.' Bolsterturf, dinsdag 10 januari 2006
294 In dooiregenweer half uurtje moeras Dooiregenweer. Tegen twaalven vier graden. Vijf mins gefietst, dorp uit, moeras in. Fiets tussen riet verstopt. Kwartier 't stroompje gevolgd, door onland en door eikenbosje. Terug zelfde route in zelfde tijd. Bolsterturf, woensdag 11 januari 2006
295 Monodwaas moerasmonomaan In m'n keurig gerepareerde pindaatje rij ik in grijze vijf ° celsius winterdag door kleinschalig landschap. Aan stuurzijde zie ik op wat kraaien na vogellege weiden. Tussen het groen hier en daar een akkertje, akkertje blauw van duiven. In grote vluchten komen ze aangevlogen, die duiven. Van overal rontelom. Ze vreten zich dik aan wat keuterboeren zaaiden. Aan Erpels kant ligt het moeras, waar het naast monotoon fijn monodwaas vertoeven is. Nog maar eventjes Hans Andreus, denk ik, en ik ben moerasmonomaan. En dan parkeer ik waar een puinweggetje begint. Een minuut of zo zoek ik naar de maan, die er vandaag niet zichtbaar is. Ja, saai, eentonig, monotoon is dit moerasje zeker. Er zitten niet eens krokodillen in. Maar aan sloot van ruig onland ligt een dode blauwe reiger, de grote vlerken wijd. Zoals deze vogel erbij ligt, lijkt het alsof hij onderdeel van seconde voor zijn doodgaan nog òp wilde flappen, zijn mager lijf even nog beuren in hogere luchten. Erpel benadert de reiger heel behoedzaam, snuffelt voorzichtig aan de dood. Dan dringen we het moeras binnen. Ep en ik. Ep gaat een hortje sporen zoeken en muizen jagen. Ik probeer intussen om een ooit eens dieper uitgegraven poel geheimzinnig te vinden, wat me niet lukt. Ach, kan het mij echt schelen wie er in dit moer werd begraven of verdronken? Het is gewoon fijn zitten aan poeloever, op zo'n lang geleden omgezaagde, inmiddels voor tweederde goed verrotte boomstam. Ik geniet van ritselende, soms ook borrelende stilte. Rontelom mezenkwitter. Verder alles stil, alles rustig: nergens huizen, nergens auto's, nergens mensen. Hier kan ik alleen zijn, alleen met m'n hondje en met m'n gedachten. Hier ben ik echt alleen, ervaar ik alles wat ik zie alsmaar mooier, tot alle moois wègspat als 'k mijn eigen ongeschoren mensenkop tussen lucht en bomen in het donker moerig water vind. Waar 'k de pinda parkeerde maak ik 'n foto van wat paddenstoeltjes, blad, gras en een koeievla. Altijd weer mooi, zo'n rustiek stilleventje. Het geeft me een rustig blij gevoel, maar als ik me omdraai om voor vandaag afscheid te nemen van 't moeras, schrik ik. Voorbij onlandwei en rauwigheid staat aan moerasrand iemand naar me te kijken. Ik voel, dat ik recht in de ogen word gekeken. Maar dan zeg ik tegen mezelf: 'Onzin, je ziet helemaal geen ogen, de afstand is dik tweehonderd meter.' Bolsterturf, donderdag 12 januari 2006
296 Blauwe reiger en zwarte kraai 'k Had weinig tijd, want kreeg ruzie op het werk en moest thuisgekomen nog stofzuigen. Toch zag ik kans om een half uurtje naar moeras- en bosrand toe te gaan. Daar de dode reiger van gisteren opgeraapt van 't onland en die netjes over de sloot geworpen, houtwal in. Het is wat met die reigers. Ze schijnen niet te smaken. Zelfs vossen en kraaien wensen ze niet tot zich te nemen. Toch wel jammer, want vooral de vos gun ik een vogel. Deze dode reiger was geen trekvogel en heeft volgens verreweg de meeste nieuwsberichten daarom geen vogelgriep, zodat hij veilig kan worden opgegeten. Bolsterturf, vrijdag 13 januari 2006
297 Jij Jij. Zowel thuis als bij de caravan verwen je het vogelgrut. Ook deze winter trakteer je op lekkers als vetbolletjes, oud brood, krielkippenvoer en pindasnoertjes. Allerhande mezen en vinken en ook merels, lijsters, roodborstjes, goudhaantje, winterkoninkjes, mussen en heggemussen doen er zich aan tegoed. Soms zit er op of onder één van je voedertafeltjes een vogeltje waarvan we de naam niet (zeker) weten . Dan zijn we allebei te lui of te eigenwijs om naar de naam ervan te zoeken in een vogelboek. 'What's in a name?' 'Niks!' Tijdens zaterdagmiddagwandeling met je vond Erpel twee reeën, nog een ree en een haas. 'Sjonge zeg,' zei je, 'zit i al weer achter een haas. Leer hem dat nou toch 'ns af!' Antwoordde ik: 'Nou ja zeg! Moet toch kunnen? Is het Eps schuld dat hij goed kan rakken?' En toen stond je, jij bijna oma, in bleke bosrand te lachen om ons Eppie die altijd rakt en stroopt en ontiegelijk gelukkig is. Het enige wat ik vandaag met succes fotografeerde, is een kudde slome schapen in bosrandwei tegen zon in. De reeën en het haas gaven me geen kans, die renden te hard, waren te vlug al te ver weg. Bijna alle vogels die we zagen waren ook te ver. En 't knippen van jou met Ep en van de nooit 'ns stil hangende staartmeesjes in de hoge lorken mislukte grandioos. Ik werd teveel afgeleid door lief gekwebbel en de camera stond zomaar verkeerd op maanstand ingesteld. Bolsterturf, zaterdag 14 januari 2006
298 Vandaag rijden ze de vorstlaag van de bospaden af Crossmotoren brullen langs bevroren moerasrand en door zonnig winterbos. De jonge mannen op de snelle machines hebben sportief (?) plezier. Elke zondag weer. Vandaag rijden ze de vorstlaag van de bospaden af. Ze hebben niets te duchten van politie en s.b.b. bekeurkneuzen. Die zijn druk doende op de hei, met het bekeuren van wandelaars met niet aan 't lijntje sjokkend hondje. Bolsterturf, zondag 15 januari 2006
299 Waar zijn de vossen gebleven?? In koude winternamiddag korte, vlugge wandeling met Ep door 't moeras gemaakt. Ik zag een ree, een zilverreiger, een stuk of wat blauwe reigers, een zwarte kraaienpaar en een van onlandwei wegspattend watersnipje. Ook nog wel wat exemplaartjes van kleine vogelsoorten.., maar waar zijn de vossen gebleven?? Bolsterturf, maandag 16 januari 2006
300 De landman gaat... Vandaag is een door me bijna vergeten hoek van 't moeras aan de beurt. Tweemaal gaat een zilverreiger hoog als Erpel en ik er rondscharrelen. De witte vogels mopperen wat als ze er vandoor gaan. Erpel vindt twee reeën, even later nog een ree en ook zit hij achter een haas aan. Als de laatste zich vastloopt op oerig bruine moerasplassen, schreeuw ik Ep af. Hij luistert meteen, wat me twee knakworstjes en een hortje ruw spelen kost. Wanneer Ep zich - kwartier later en wat verderop - in ruig moerasonland bevindt, komen twee reeën (dezelfde van daarnet?) de ruigte uit, het pad op. Maar ze zien me te gauw, duiken snel en sierlijk het moeras weer in. In poging om een van hen toch op foto te krijgen, betrap ik me erop daarbij zomaar onder een gevaarlijk over moeraspad hangende dode berk door te lopen. Gelukkig is het geen vrijdag, de dode berk geen ladder en zag 'k nog nooit een zwarte kat in het moeras. Dus maak ik van beide reeën mooi wazig digitale bruine vlekken. Dan zie ik wel erg groene moerasvegetatie. Dichterbij gekomen blijkt het te gaan om een zielig allene laurierstruik. 'Welke gek plant er nu een laurier midden in een moeras, Ep?' Ik krijg geen antwoord. Erpel is druk met muizendabben. Hij heeft geen oog, oor of neus voor bomen en struiken, zelfs niet voor heksenbezems in moerasrandberk. Nee, Eps interesse gaat weinig verder dan eten, de baas (willen) zijn, pootje lichten, speuren, rakken, spelen en, last but not least, teven en teefjes. Lopend langs moerasrand zie ik opeens een - mij van gezicht en woonstee bekende - lange jonge boer door zijn lege weilanden lopen. Hij heeft me dan al gezien, maar zwaait niet. Maar ja, geen wonder dat ik hem nu niet eerder zag. 'k Was elders in gedachten en hij is gekleed in groene overall. Bovendien is z'n gezicht bruiner dan dorre eikenblaren. Al glimlachend - en beseffend dat niemand m'n smile kan zien - valt me op, dat het weigras bijna net zo kaalgroen is als zijn overall. Wat een mimicry! Bolsterturf, dinsdag 17 januari 2006
301 Er rakte iets bonts door de hei Een prachtige, lenteachtige winterdag met zon uit licht bewolkte hemel. Nog maar net de pinda uit, vonden Erpel en ik een spruitjesvoederplaats in het bos. 'Ja Ep, lieve wandelaars trakteren haas, ree en konijn op spruitjes. Wij lusten geen spruitjes, hè?' 'Pfttt...' In de heerlijke winterdag scheen de zon op venijs. 't Leek wel Finland, toen ik tegen zon in er foto's van maakte. Mooier nog dan zonnestralen op venijs, vond ik de weerspiegeling van pijpestrootjes in kristalklaar onlandgreppelwater. Je ziet bodemmos in zulk water, maar duidelijker, helderder, klarer nog de weerspiegeling van dichtbije oevervegetatie. Ook met zon in je rug, zijn met dooiijs bedekte vennen mooi. Terwijl ik van vennen, ijs, zon, hei en bomen genoot, vond Erpel in pijpestrootjesvenoeverwoudjes een houtsnip, tot twee keer toe een sprongetje (= groepje) van drie ree♪n, een solitair vierde ree, nog een houtsnip en een haas. Hij mocht nergens achter rakken, maar kreeg voor het vinden wel beloning: twee keer een knakworstje en vier keer uitbundig spelen met het baasje. Wie wil er nu graag een vette fox? Net nadat ik een gifgroene dode boomstam fotografeerde, vond Erpel weer een ree. Het van Ep geschrokken dier rende me bijna omver. En toen baalde ik: 'k was weer te laat, weer te langzaam. Ik kreeg de rikke wel nog in de lens, maar op de foto is ze een onduidelijke bruine vlek achter haarscherpe berkenstam. 'Ach Ep, er komen nog meer dagen, toch? Vrij! Zoek! Kom op! Vooruit! De worstjes zijn op! Vrij! Rakken maar!' En toen rakte er een kwartier een hondje vrolijk bont door grauwe winterhei. Een haas en een houtsnip waren er, denk ik, niet blij mee. Terwijl ik met veldkijker in de aanslag stond en Erpel de halve hei afrakte, hoorde ik achter me in berkenopslag een klapekster lachen, maar - zo raar, zo vreemd - ik zag of hoorde geen enkele zwarte kraai, zelfs met de kijker kon ik geen zwartrokken vinden. Bolsterturf, woensdag 18 januari 2006
302 Ik ben sowieso en hoe dan ook domme barbaar Het is een droge, net niet druilerige winternamiddag. Na 't werk ga ik even nog met Erpel op stap, naar de zogenaamde Gebergten annex motorcrossbaanbos. Daar loop ik wat te prakkedenken over leven en dood, en ook over geld, werk, macht, economie, politiek en moraal en zo. Erpel deelt mijn gedachten, mijn zorgen niet. Die zoekt tot hij even door ree, haas, vos of konijn tot topspeed wordt verleid. Die leeft bij de dag, maakt zich niet druk over zoiets doms en kloterigs als bij voorbeeld de keuze tussen CO2-uitstoot en afval van kernenergie. Sjonge zeg, onze geleerden en machtigen der aarde kloten en lullen wat af - van lokaal tot en met internationaal niveau en tot ook zij, ieder op zijn of haar beurt, doodgaan. Het is tot moraal en wet verheven: de economie moet alsmaar groeien. Met kolen en/of olie en/of gas en/of wind- en/of zonne- en/of kernenergie dient de aarde heel langzaamaan naar de verdommenis geholpen. Heel-lang-zaam-aan, tot de een of andere op macht beluste gek heel het wrakke zootje laat ontploffen. Ik baal er ontieg'lijk van. Ik wil nu ff primitief en opstandig zijn, ff zijn als Erpel, nee, ik wil het ff helemaal eens zijn met wijlen filosoof, wiskundige en liefhebber van vrouwen en jonge jongens, ik wil ff voelen als de grote dichter Adwaita wanneer die dicht 'K voel mijn verleden, toen 'k, druipend van zweet De vroeg gestorven dichter Johan Andreas dèr Mouw koos de nickname Adwaita, wat zo veel of zo weinig betekent als tweeheidsloze. Adwaita was filosoof, wiskundige, classicus, sanskritist, Brahmanist en bewonderaar van Plato. En om dit laatste dus ook van platovriendschappen? Wijlen Adwaita's Plato-smaak is niet de mijne - ik ben sowieso en hoe dan ook domme barbaar en hou het voor ff en voor altijd op een lekker wijf Bolsterturf, donderdag 19 januari 2006
303 Maar een paar kruinen hebben een gouden kussen Tegen donkeravond word ik uit bed gebeld. 'k Heb me hopeloos verslapen. Ik zou maar twee uurtjes plat. Gauw kleren aangeschoten, naar buiten gerend, pinda gestart. Erpel hoef ik niet te roepen. Die lag bij me in bed. Bijna nooit hoef ik hem te roepen. Alleen maar als er een teefje of wild in de buurt is. Bolsterturf, vrijdag 20 januari 2006
304 Je zal maar hondje anno 2006 zijn. Mag je zowat NIX Zaterdagmiddagwandeling. Erpel wordt kort gehouden. Hij moet op de bospaden blijven. Oefening vergt correctie, dus roep ik veel en vaak: 'Erpel korterrr..!' 'Erpulll teruggg..!' 'Erpulll hierrr..!' 'Potverrr..! En NU teruggg..!!' De wilde eenden op het grootst verboden ven kwekken er niet minder vrolijk om. Als hij ze ziet, aarzelt Erpel. Hij heeft overmaat aan energie en de langnekken drijven dicht bij de verst verwijderde oever. Omrennen kan hij niet, want er is mijn 'Erpel korterrr!' en 'Erpulll teruggg!' en het water is winterkoud. Erpel doet verstandig, hij gaat geurvlaggetjes ruiken - ook zetten - langs de wandelpaden waar bazen en bazinnetjes met soms mooie hondenmeisjes voorbijgaan. Na goed gehoorzamen is het goed belonen. Na 0 keer jakkeren alsmede veel snuffen aan reeënprenten in bospadzand, aan hazenvoeten in 't zelfde zand en aan reuen- en tevenplas bezijden weer dezelfde paden, mag Erpel een kwartiertje naar muizen die hij niet mag bijten graven. Bolsterturf, zaterdag 21 januari 2006
305 Deden we weer als toen die eerste keer in zomerdag In Brabants dooiweer rijden we aan. Op de Veluwe is het nul graden. Naar Drente toe komen we in de negatieve getalletjes terecht: -1, -2, tot aan -3.5 net boven rijbaan gemeten. Na zo'n tweehonderdvijfig kilometer draai je je zwarte agila elegance de karrensporen van een Ermer landweggetje in. Dan mag ons Erpeltje ff rakken door boerenwei. Hij verjaagt een verwegge kraai en verwegge plevieren. Na genieten van oma's en opa's koffie, koekjes, koek, meer koekjes - knieperties en rollegies - en weer koffie met koek, gaan we wandelen door Schoonebeker dreven. Je parkeert je Agila bij een bordje pionierroute. Ik vind dat een lelijk bordje, echt niks aan, want te commercieel. Ook de duur verbouwde Middendorpse boerderijen kunnen me niet bekoren. Veel mooier vind ik de nauwelijks onderhouden, echt oude, soms zowat wrakke keuterboerenwoonsteden. En ik mis de olie zuigende jaknikkers van mijn jongensjaren. We wandelen richting veenrestanten. Al meteen verlaten we de gebaande paden. We gaan lopen over een graanstoppelveld, roggestoppel volgens ons, en dan wijst Erpeltje reewildwissels aan. De wissels gaan onder grofmazige veenrestantafrastering door, afrastering bedoeld om schapen binnen 't stuk afgezet veenreservaat te houden. 'Hebben alle Schoonebeker reeën eeltknieën?' vraag ik je. Je antwoordt niet, je glimlacht alleen maar. Je vindt het niet erg dat ik zo genieten kan van (praten over) onder-afrastering-door-kruipende-reeën en van een vijfstammig berkje. Maar dan glimlach, nee, lach ik op mijn beurt, omdat je zegt: 'Kijk, toch zijn ze snelverkeer, deze Schoonebeker reeën, want de wissel is gescheiden dubbelbaans.' Terwijl we staan te kijken over mijn moeders land, over het weidse Drentse veen- en dalgrondlandschap, stil staan te kijken naar de horizon, daar de witte afvalwolk van Klazienaveense puritfabriek - smog witter dan witte wolken - omhoog zien kringen, vindt Erpel vijf reelegers bij pompoenendump. Na de rotte pompoenen en de reerustplaatsen bewonderen we nog wat Schoonebeker afwateringetjes met bruin, helder veenwater, alsmede een nestkast aan een oude veenberk. We vinden alles mooi, maar veel meer dan de fraaie nestkast kunnen de oude berken ons bekoren. Langs oude Oud Schoonebeker veenwijk, over nostalgisch pad onder romantisch feeërieke eikentakkenzoom, wandelen we terug naar je agila, richting Middendorp. Het is als toen, meer dan dertig jaar geleden, alleen was toen de heide roze en waren toen de takken groen. Dezelfde eikentakken, ze hangen nog altijd over 't pad, ook over 't water, soms zelfs erin.
We klepten en we keken naar het veen, naar Erpeltje en naar elkaar. En toen even de zon ging schijnen uit winters lieve lucht, waanden we ons weer jong, lachte je opeens heel hard om mijn vertellen uit van Oude Mensen, de Dingen die Voorbijgaan, om mijn zo mooi vinden van dit boek dat ik al voor de zesde of zevende keer lees, voelden we ons weer zeventien en tweeëntwintig en deden we weer als toen we die eerste keer in zomerdag langs deze wieke liepen, deden we ontiegelijk maf. Bolsterturf, zondag 22 januari 2006
306 Tweetruienweer Een prachtige, droog zonnige, frisse winterdag vandaag. Wel oostenwind, maar nauwelijks vorst. Minus een half noodzaakt niet tot overjas. Nee, helemaal geen dag om een jas aan te doen als je naar buiten gaat. In een jas loopt het moeilijk, beweegt het moeilijk. Tenminste, dat vind ik. Dan liever twee truien aan naar de hei, nee, hemd en overhemd en zwarte trui en groene trui. De groene als overtrui, en om kont en benen een bruine broek. Als ik vanuit sparrenbosje over boerenwei gluur, hobbelt - op paar honderd meter - door de kijkerglazen een bunzing bosrand toe. Lang geleden dat ik een bunzing zag. Ik ging er al haast van uit dat de bonte Brabantse mustela putorius was uitgestorven. Bolsterturf, maandag 23 januari 2006
307 Nergens kom je niet je soortgenoten tegen om 12.30 uur +1° C. aan tuinschutting Ik zit in mijn computerhok. Ik voel me gevangen tussen boek, windows media player en monitor met fotovogels van beroemde natuurfotografen. Ik weet niet wat ik wil: aandachtig lezen, goed luisteren of gapen naar flamingo's die vliegen naar verre Afrikaanse horizonten. Eigenlijk wil ik maar één ding: ik wil eruit, naar buiten gaan, lopen naar heidehorizon die 'k vanuit huis niet kan zien. Wel zie ik door mijn raam zonnig lichtblauwe kwakkelwinterhemel met daarin wazig witte wolkjes en witter straaljagerstrepen. En op de schutting zit een dik merelwijf en koolmeesjes hangen in buurvrouws vetbollen. Als een V-vlucht kollen voorbij komt wieken, moèt ik onmiddellijk naar buiten, leg ik Louis Couperus weg. Ook klik ik dan Ann Breen en slide show weg. 0m 16.15 uur +2° C. aan tuinschutting k ben weer terug van de hei. Daar naar horizonten gezocht, maar die niet gevonden. Nee, echt niet, ik vond niet wat 'k vinden wou. Waar mijn heide van vandaag ophoudt, waren onder meer flats, huizen en boerderijen in de weg. En overal rijden tegenwoordig auto's, luxe auto's en vrachtauto's, kleine auto's en grote auto's dus, allemaal auto's met minstens éne mens erin. Ja, het is niet anders: nergens kom je niet je - al dan niet ingeblikte - soortgenoten tegen. Maar geeft niet, want ik genoot van en met Erpel en ik zag en hoorde veel vogels, meesjes en goudhaantjes en vlaamse gaaien vooral; en ook had ik plezier van heel dun ijs op greppels, slootjes, sloten en vennen - heel even was ik bang dat Erpel zou verzuipen toen die een groot ven opliep - en ik zit alweer fijn een heel uur voor m'n computersysteem dat me te vaak weghield uit de hei. Ach, met blote voeten tegen centrale-verwarming-radiator aan is het goed zeuren. En nu ga ik fijn weer slide show kijken, luisteren naar Ann Breen Bolsterturf, dinsdag 24 januari 2006
308 Wortelkleurig veevoer? Wat een kwakkelweer toch weer deze winter! Zowat elke dag hebben we weer ander weer. Ach, ik zeur. Elke winter weer wil ik balen van het weer, wat me ook dit jaar weer niet lukt. Zodra ik buiten ben, in bos, moeras en hei, vind ik gewoon elk winterweer weer fijn weer. Om elf uur 's morgens sneeuwt het, beetje lichte, droge dwarrelsneeuw. Een kolommetje blauw thermometerkwik verklapt me, dat het dan min 1 is in de achtertuin. Warm genoeg om met jas aan er op uit te trekken. Een boer hoogde zijn mesthoopje op graanstoppel wat op, met wortelkleurige smurrie. Bedorven veevoer? (Wanneer ik in Google internet zoekmachine zowel rood veevoer als oranje veevoer ingeef, vind ik toch niks over veevoer. Wel word ik verwezen naar websites met van alles en nog wat over oranje en rood waarnaar ik niet naar op zoek ben. Zo word ik bij voorbeeld geleid naar webpagina's met onbenulligheden als 'Rood is de kleur van liefde, maar soms ook van gevaar.' Alsof rood niet ook de kleur is van, bij voorbeeld, een ree in zomerdag, ongesteldheid en het rode kruis.) Als Erpel en ik tevoorschijn komen uit het moeras, over sloot onland op springen, gaan drie reigers hoog. Twee blauwe vogels en een witte. De blauwe flappen zwijgend weg, maar de witte, 'n zilverreiger, levert commentaar. 'Waarom scheldt de witte en zwijgen de blauwe, Ep?' 'Pfttt.' Bolsterturf, woensdag 25 januari 2006
309 Dakduif, langstaartmees, tuinmus en tuinlijster 's Morgens half tien fotografeer ik vanuit de keuken een heggemus en vanuit de bijkeuken een lijster. En ook vanuit de achterdeur nog een houtduif op dakrand. Dan waait er buiten een harde, koude winterwind. Dankzij maximaal zoomen blijken naderhand de heggemus en de duif tamelijk goed gelukt; de lijster is wazig op de foto, maar of dat laatste nou aan door vrouwlief slecht gewassen ruiten ligt? Om half twee gaan Erpel en ik naar het motorcrossbaanbos. Ik parkeer waar Winkelstraat Gebergten gaat heten. In het bos raak ik Erpel kwijt. Ik hoor en zie hem opeens nergens meer. Hij blijft weg, reageert niet op fluiten en roepen. Als ik na een minuut of vijf het pad terug loop, zie ik hem eten aan wat me op het eerste gezicht een konijn lijkt. Dat kan niet. Dat mag niet. Ep mag NIETS opeten van wat hij vindt in 't veld. Dichterbij gekomen blikt het te gaan om een haas. Ep vond dat haas. Hij doodde het niet, want het beestje voelt koud aan. Maar het is niet stijf, dus nog maar tamelijk kort dood. Het betreft een echt heel erg kleine haas, een haasje van niks. Het zal, schat ik, laat in de zomer geboren zijn. Er zit een groot gat in het lijfje. Ik verdenk een havik van hazenjacht, want hele repen vel zijn losgescheurd. Als ik Erpel het haasje af wil nemen, gromt hij. In plaats van los te laten, pakt hij het vol in zijn bekkie en gromt en grauwt. Sja, wat te doen? Ik gebied Ep nogmaals 'Los..! Los..! Laat losss..!' Als hij nog altijd niet luistert, pak ik hem in zijn nek, met beide handen, en hou hem met gestrekte armen voor mijn borst en buik. Valt niet mee om hem lang zo te houden, want Ep weegt negentien kilo. Net voor mijn handen te moe worden laat hij los. Dan gooi ik Ep over mijn rechterschouder en loop ik zo met hem van 't haasje weg. Na een preek, wat moppers en 'n paar zit- en afoefeningetjes mag hij weer vrij. Grote groepen staartmeesjes rumoeren in het bos. Met de camera krijg ik ze niet gevangen. Het ding reageert te langzaam en de meesjes zijn te vlug. Bolsterturf, donderdag 26 januari 2006
310 Moerasbobbeltjesijs en opa's soortement secondenlijm Vijf mins met de pinda maar. Net genoeg tijd voor ff luisteren naar een liedje van Ann Breen. Toch wel mooi, die moderne audio techniek in m'n pindaatje. Dan tien mins te voet, het moeras in, met oostwind in de rug. Erpel en ik gaan over puinpad en langs sloot met ingevroren alsof dood rood kroos*. Op de sloot waag ik me niet. 'k Zie wakjes in het ijs. En 't was maar kwakkelwinter tot gisteren. Toch waren vorst en wind op hun manier wel erg druk. Samen maakten ze ribbeltjesijs. Vandaag is er alleen nog maar de vorst. Zo zonder harde, kille klote wind is het best lekker in het moeras. Afgevallen blad kraakt onder mijn schoenen; onder Erpels voetjes kraakt het minder, ritselt het meer. Het oppervlak van poelen, greppels en sloten is ribbelig. Echt raar ijs rontelom. Overal is het korrelig, bobbelig, rimpelig, ribbelig. Soms lijkt het wel of heksen kikkerdril hebben ingevroren. Wind en ijzel maakten rilletjes en putjes in het ijs. Ook minibobbeltjes erop. In de kern van zo'n bobbeltje is het bevroren water donkerblauw, pikzwart soms. De onregelmatigheidjes maken, dat ik niet fijn slibberen kan. Schoenzolen glijden niet soepel over bobbeltjes. Toch vind ik 't fijn: een aanloopje nemen en dan slibberen over de ondiepe poelen. Wat is er mooier dan kind te mogen zijn? Toch ben ik beetje bang. Ik vertrouw dit ijs niet zo. Ik hou Ep dicht bij me en weg van de sloten en diepere poelen. Hij kan heel onvoorzichtig en roekeloos doen. En het vroor dus nog maar een paar nachten. Overdag nauwelijks nog. En overal rontelom wachten geduldig wakken met koud moerig water. En dan zak ik door ijslaagje waar Ep wel over kon. Het water komt tot halfweg mijn knieën. Geeft niet. In de pinda liggen droge sokken en laarzen. Maar zo heb ik geen aardigheid meer aan slibberen. Met natte voeten slibbert het niet fijn. Over moerashumuslaag loop ik pindawaarts. Ook de bodem is lang niet overal bevroren. In lijzijde van dikke eikenbomen bij voorbeeld, is de bodem zomerzacht. Daar graaft Ep naar muizen. Da's een hobby van hem: muizendabben. Gedurende het omwegje naar droge sokken, pakt hij in de vluggigheid toch bijna drie muizen. De muizen overleven, omdat Ep weet dat hij van me niet mag doden. Het is een dilemma. Foxen zijn geschapen om muizen te vangen, te doden, te vermoorden en ze, net als vossen ook doen, op te vreten. Toch mag Ep niet in levende wezens bijten. En in het blad onder de omgewaaide dubbelberk mag hij niet graven, want daar leeft misschien nog het duivelsei . 'Kom op Ep. We laten het ei gerust. Doorlopen nu!' Met droge sokken in droge laarzen breng ik een bezoek aan het paleis van opa imker. In de volle, al beetje warme winterzon ziet alles er blij en vrolijk fleurig uit. Bijenkasten, imkerkleding, touw, rol grauw pleepapier, potjes, emmers en jerrycans, dat alles staat of ligt in vrolijke zonneschijn. Zo lijkt het hier in 't moeras al beetje lente. Ik vraag me af: hoeveel bijen slapen er in de groene kistjes? Wat zit er in de glazen potjes? Hoeveel koninginnen heeft opa imker? Ik kan het niet laten en inspecteer de inhoud van de potjes. Er zit een stroperige, kleurloze vloeistof in. In de blanke stroop drijven vliegjes en mieren. Wat is dit voor vloeistof? Was het water, zouden alle potjes ijs bevatten en gebarsten zijn, want ze zijn gevuld tot aan het dekseltje. Water is het dus niet. Maar wat dan wel? De wat stroperige vloeistof loopt er uit als ik een potjes schuin hou. Kleverige witte plak komt op mijn handen en vingertoppen terecht. Goeie lijm is het. 't Spul plakt als secondenlijm. Ik loop naar opa's schapengoot, trap het gootijs kapot en was mijn handen. Tevergeefs. Het koude water heeft geen vat op de witte plak. Met plakvingers - de meeste plak kan ik kwijt op mijn broekspijpen, wat maakt dat ik de camera weer durf vast te pakken - en genietend van lawaaiig etende (lang)staart- en pimpelmeesjes loop ik voor de tweede keer naar de pinda terug. Ook zie ik nog een roodborstjes en wat winterkoninkjes. Die laatsten komen soms heel dicht bij, om dan vlug weg te kruipen in ruigte van sloot of onlandwal. Zo mooi om deze nietige verenbolletjes bezig te zien. Ach, niet zo erg dat m'n vingers plakken, al deze vogeltjes zijn fotogeniek, maar zitten of hangen nooit 'ns stil. Bolsterturf, vrijdag 27 januari 2006
311 Op ondiep heideven schaatsten een kind of vijftien en enkele ouders Het was prachtig zonnig winterweer. Bij nauw'lijks wind net ietsje onder nul. Op ondiep heideven schaatsten een kind of vijftien en enkele ouders . Een schaatser of twintig is niet veel voor een groot ven. Toch was het fijn en gezellig, dit schaatsen op heideijs. Zelfs Erpel vond dat. Terwijl iedereen fijn schaatste, zat hij tussen de oeverpijpestrootjes twee konijnen achterna. Niemand die dat laatste zag, niemand behalve jij en ik. Maar waarom die jongen zijn handen voor zijn ogen hield toen ik je fotografeerde, is me een raadsel. Tussen ons schaatsen door ging ik met Erpel de omgeving verkennen. In bosrand, richting jakkerbaan, vond ik een miniven en ook een listig gecamoufleerd reeafknalkeetje. Erpel op zijn beurt vond een haas die hij even achterna wefwefte. Echt een omgevinkje om 'ns wat meer aandacht aan te gaan besteden. Bolsterturf, zaterdag 28 januari 2006
312 En dan zijn we weer helemaal bijgepraat Dit is een winterdag met helblauwe hemel, volop zon en zwakke wind uit noordoost. Zowat 't zelfde weer als gisteren. Wel is het vandaag ietsje warmer: om elf uur in tuinschuttingschaduw -2; om twaalf uur -1½ in zelfde schaduw. Jij en ik besluiten om rontelom het moeras te gaan wandelen en daarbij de waterloopjes te volgen. Nergens langs moerasrand ziet het ijs van sloten en greppels er betrouwbaar uit. We durven er niet op, op dit slootijs niet. Er is weinig vliegverkeer. Hier en daar fladdert een vogeltje dor riet of braamstruik in. Zo nu en dan gaan reigers voor ons op de wieken, uit een beekbocht maar liefst drie zilver- en twee blauwe reigers tegelijk. Voorbij brede en diepe sloot vol rood kroos en klote ijs met wakken , zit een koppeltje nijlganzen knus bijeen. Als die twee ons zien, gaan hun lange nekken hoog. Ik fotografeer ze van afstand, want durf de sloot niet over. Ep wel. Wanneer die een aanloop neemt en springt, nemen de ganzen een aanloopje en gaan ze op de wieken. Mopperend draaien gent en gans een rondje - fijn hoog. Dan vliegen ze weg, naar 't oosten toe. Buiten blauwe duiven, blauwe en witte reigers en bonte nijlganzen - maffe exoten in Nederlandse winter - zien we zwarte kraaien, roeken, merels, roodborstjes, buizerd, torenvalk, vinken en mezen. Alles en iedereen in 't moeras is stil, nee, bijna iedereen, alleen jij niet, jij babbelt, tot we worden begroet door groepje vlaamse gaaien. Na meer babbelen thuisgekomen, is het om half vijf +4 in nog altijd zelfde tuinschuttingschaduw. Bolsterturf, zondag 29 januari 2006
31 3Bewolkte dooidag waarin niks biezonders waargenomen Bewolkte dooidag. Tussen 16.30 uur en 17.30 uur ff met Erpel en fiets naar het moeras. Een jachtopzichtertje in groen terreinautootje tegengekomen op puinpad. Dus me geërgerd en niks biezonders waargenomen. Bolsterturf, maandag 30 januari 2006
314 Van schaatsen en twee katten Niks is veranderlijker dan kwakkelweer. Na bewolkte dooidag vandaag zonnige dooidag. Er lopen - gelijk bijna altijd - paartjes wandelaars over het verharde pad rond het grootst verboden ven. Erpel en ik houden niet zo van gebaande wegen. Hij en ik betreden liever de ijslaagjes van verboden vennen. Er staat net geen water op het ijs. Wel is dit ijs erg zacht. Helemaal geen lekker schaatsijs zo. Toch verwonder ik me, dat er helemaal niemand aan 't schaatsen is. Dat was in mijn jeugd wel anders. Mijn makkers en ik schaatsten vaak totdat één van ons door 't ijs zakte en bijna verzoop. Maar er werd dit jaar toch wel al geschaatst op deze verboden vennen, van 't weekend, en misschien gisteren nog: op een paar vennen staan krassen van schaatsijzers duidelijk zichtbaar in het dooiijs; en ook de afdrukken van fietsbanden. 'Ja Ep, de jongens van tegenwoordig zijn me te braaf. Die spijbelen niet om te gaan schaatsten.' Ep is deze mededeling geen 'pfttt' waard. Hij kijkt naar de lucht en schijnt mij niet gehoord te hebben. En dan luister ook ik naar ganzen in hoge lucht, vergeet ik jongens en vvt schaatspret. Honderden ganzen trekken in slordige V-vormen op 't oosten aan. Zo nu en dan vliegt een gans helemaal alleen. Meestal roept zo'n enkeling. Waarom roept hij? Naar wie precies? Van ver weg zie ik wat roods in een wei. Dichterbij gekomen blijkt het rood een jonge kat te zijn. Katertje hoogstwaarschijnlijk, want zijn niet alle rode katten katers? Ik gebied Erpel 'Afff en blijfff!' en loop de wei in. Als het katje me ziet komen vlucht het, over rotte rog heen bosrand in. Het valt me op, dat het beestje er niet richting boerderijen vandoor gaat. Als het katje uit zicht is, haal ik na paar mins wachten Erpel. Die ligt dan nog braaf af. Ik lijn hem aan, loop rustig met hem terug en zet hem op het kattenspoor. Keurig werkt hij het spoor uit, maar het katje wacht niet op ons. Het klimt in een grove den. Erpel kijkt van kat naar mij en van mij naar kat, waarbij hij kwispelt. Ja, Erpel is alle katten vriend . Als ik hem vrij geef, begint hij blij te blaffen, omdat hij dus van katten houdt. Ik prijs Ep en praat dan ff met het katertje: 'Je hebt geluk, jonge vriend. Was Ep jachthond en ik jager zou je nu doodgehageld worden.' Na dik drie uren rakken krijgt Erpel dorst, begint hij over venijs te likken. Daarom ga ik ff springen op het ijs van betreffend vennetje, springen dicht bij de oever, op plek waar de zon heel de middag scheen op 't ijs waardoor dat los dooide van de oever. Telkens als ik spring, vloeit er uit grillig oeverspleetje beetje water op het ijs. Ep lebbert het dankbaar en geduldig op. Bijna bij de pinda valt mijn oog op domme tekst op gemeentelijk dode bomen bordje . Sjonge nog an toe, denk ik, stelletje mallotige bestuurders, wat heb je aan een bos met 'n paar dikke dode bomen als er helemaal geen levende dikke bomen meer in staan? Bijna thuis ligt een zwartwitte kater die op mijn weg naar de bossen al doodgereden in de berm lag er nog. Hij was een grote, sterke kater. Ik kon zijn kater zijn ruiken, toen ik drie uur en een kwartier eerder bij zijn lichaam stopte en het portier opende om na te gaan of hij wel echt dood was. Een echte kater dus. Als ik hem weer zie liggen, languit gestrekt, vergeet ik het dode bomen bordje. Dan ga ik ff weer denken aan het rode katertje dat ik achter moest laten in die grove den in de bleke bossen. Verdomme, wat is de wereld, het leven toch vaak een klotezooi. Bolsterturf, dinsdag 31 januari 2006
index januari 2006
|