
Bolsterturfs natuur
Plus 100 Gedichten
Een greep uit de Westeuropese poëzie
Klik
hier voor alfabetische lijst op auteursnamen

Onweer in het moeras
Naast het vlakke gladde meer
blauw en roze als een maansteen
staat het rechte bosch van riet,
elke halm een groene speer,
elke speer staat slank alleen
met een dun vernis van licht.
Licht en schaduw bewegen niet.
In de hemel hangen zware
violet gekleurde wolken.
Niets verraadt de gele schare
vogels, die het riet bevolken.
Dan splijt met een verblindend licht
de hemel open en slaat dicht
met een donderende slag ...
Als in een donkre smederij
spatten uit het rieten bosch
vonkenregens vogels los
een zwerm van duizend vurige vlerken
stuift geel omhoog in 't sombere zwerk en
een ziedend hoog gezang breekt vrij.
Mijn hart werd plotsling wit en heet,
't was of ik zelf werd omgesmeed.
Ik heb het angstig ondergaan
ik kwam er sterk en nieuw vandaan.
Maria Vasalis

Fuguette
Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister naar het zingen
Uit het innige hart der stille dingen,
En luister naar de stem der nacht die bidt –
Nu is mijn hart heel stil geworden: dit
Is het stil einde van het groote dringen.
De regens die tusschen ons beide hingen,
Claudien, zijn over en de nacht is wit.
Zachtheid, zachtheid is het woord van muziek:
Het is of je op een groenen heuvel toeft,
Een fabel leest, of ziet een mozaïek –
En ’t hart, ontvangend wat het hart behoeft,
Niet meer van pijn verbijsterd, niet meer ziek,
Vergeet – een glimlach lang – wat het bedroeft.
Martinus Nijhoff

Achter schermbloemhagen lag het landje
Achter schermbloemhagen lag het landje.
Ons avonturenparadijs! Van opgespoten zand
vormden we piramides tot de hemel, die gaaf
en telkens blauw, waakte over zijn Godenzonen.
We fluisterden geheime spreuken; sloten
verbonden, bezegeld met houtskool van
verboden vuur.
Maar op de korte duur verdrongen
draglines van gezond verstand ons
van 't Egyptisch zand en bouwden we
thuis met blokken na
wat we eens schreven in 't landschap
met tekens van een onbezorgde jeugd.
Karel Wasch

Het stille huisje
Dwalend over heide
en door lage bosjes,
denkend aan geen enkel nuttig ding,
fluitend zacht en blijde,
blij en vrij en losjes,
kwam ik plotseling
bij een huisje, doodstil en verlaten,
dat in schaduw van wat dennenbossen sliep,
waar het lang geleden
scheen en heel tevreden,
want alleen een geitje blaatte
en een koekoek riep.
In die dagen zocht ik
al maar naar een kamer,
'k had al veel gewogen en gewikt.
Hier is stilte, docht ik,
en niets is voornamer,
niets is meer geschikt.
En wijl zwijgend kijken toch niet baat en
wijl ik graag in stille dingen mij verdiep
tikte ik toen van buiten
even op de ruiten;
maar alleen het geitje blaatte
en de koekoek riep.
Ja, mijn ontevreden
tikken mocht niet baten,
't maakte zelfs de stilte dubbel diep;
't scheen sinds lang geleden
gans en al verlaten,
't was of alles sliep.
't Is maar beter stille dingen stil te laten
dacht ik, wijl ik dwalende weer verder liep,
en ik hoorde achter
mij maar nu wat zachter
hoe het geitje blaatte
en de koekoek riep.
Adriaan Roland Holst

A bird came down the walk
A bird came down the walk:
He did not know I saw;
He bit an angle-worm in halves
And ate the fellow, raw.
And then he drank a dew
From a convenient grass,
And then hopped sidewise to the wall
To let a beetle pass.
He glanced with rapid eyes
That hurried all abroad,--
They looked like frightened beads, I thought;
He stirred his velvet head
Like one in danger; cautious,
I offered him a crumb,
And he unrolled his feathers
And rowed him softer home
Than oars divide the ocean,
Too silver for a seam,
Or butterflies, off banks of noon,
Leap, splashless, as they swim.
Emily Dickinson

Mongooltien
Toen nao de angst het weten kwam,
en alle zunne met zich nam,
juust toen, geknakt en traonenbliend,
zag zij de glimlach van het kiend...
Die glimlach bràk deur alle smarte,
dwars deur de knelling um heur harte,
ze drukte 't an heur natte wangen;
toen pas hef ze heur kiend ontvangen.
En now 't, volwassen, op heur wacht
en as een kleuter daanst en lacht,
wet ze, trots zorgen en gemis,
dat juust dit kiend heur 't liefste is...
Gré S. Broekhuizen

De schietbeek
In 't breede lommer van de lage boomen
Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden:
Het streelt de blonde bloemen aan zijn zoomen,
En zingt een lied vol murmelende akkoorden.
Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer
betoomen
Maar waadde' door de golfjes, die bekoorden:
Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen,
En kussend fluisteren zij liefdewoorden.
Hoe fronsen zich die gladde rozenvoeten
In 't rimpelend kristal.... O, laat mij beiden,
Om met een voetkus mijn vorstin te groeten!...
En 'k liet het linnen van haar voeten drinken
Het water, weenend om het wreed verscheiden,
En zag haar oog van frissche blijheid blinken. -
Jacques Perk

'Paradise regained'
De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.
zwervende tusschen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van 't water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgloos zingt langs het eeuwige water
een held're, verruk-'lijk-meeslepende wijs:
'het schip van den wind ligt gereed voor de
reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar 't Paradijs.'
H. Marsman

Friendship's flowers
Life is a garden,
good friends are the flowers.
And time spent together,
life's happiest hours;
For friendship, like flowers,
blooms ever more fair
When carefully tended
by dear friends who care;
And life's lovely garden
would be sweeter by far
If all who passed through it
were as nice as you are.
Helen Steiner Rice

Vera Janacopoulos
Cantilene
Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen
de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen
o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen
violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen
Jan Engelman

De getrooste dood
De Dood, die onbekend en onbemind,
Zoo uit het oog, zoo uit het hart vandaan,
De weg vervolgt die hij vanouds moet gaan,
Weg waarop niets hem aan zijn offers bindt,
Vindt soms op stille ziekbedden, waaraan
De laatste hand hij leggen zal, een kind
Dat hem herkent en glimlachend bemint
En hem verzoent met heel zijn doodsbestaan.
Hij neemt het kind, en ’t kind hangt aan zijn
lippen.
Ziet dan de glimlach dralend ingeteekend
Rond de eigen lippen als hij verderschrijdt.
Zoo wordt zijn baan naar kinderen berekend:
Zachte oasen tusschen zand en klippen
Der menschelijke onverschilligheid.
Simon Vestdijk

Baadster
Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat
Nog van den amber der violen geurde.
Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde!
Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.
Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaas met douden veile omwonden.
Louis Couperus

Wild Asters
In the spring I asked the daisies
If his words were true,
And the clever little daisies
Always knew.
Now the fields are brown and barren,
Bitter autumn blows,
And of all the stupid asters
Not one knows.
Sara Teasdale

Wit hing en stil de dauw over de weiden
1
Wit hing en stil de dauw over de weiden. -
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,
Stond, hoog, in 't west wit licht boven de kim. -
Niets werk'lijks was er meer, niets dan wij beiden.
En op die heuvel, op die bank van ons,
Boven de dauw, zaten we als op een eiland;
En 't wit doorschijnend licht, het witte weiland
Leek stilte; en de stilte was als dons.
Boven de wereld zaten we; en we schrokken,
Als om ons in besliste vaart een tor
Een kromme draad trok van donker gesnor,
Wegbuigend in dempende nevelvlokken.
Jouw haar, rood in de schem'ring, aaide ik
glad:
Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,
En deed mijn handen en mijn lippen branden
Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.
2
Je haar was vochtig: toen je door de weiden,
Verlangend, mijn verlangen stillen kwam,
Had 't nevelvolk - nachtvlinders om een vlam -
Van 't roodstralende blond niet kunnen scheiden:
En kleine dropjes lagen, wit en koel,
Over je haar, net dunne zilv'ren koordjes:
'T rood lichtte erdoor, zoals door kleine woordjes
Heen licht 't vergeefs verborgen groot gevoel.
En 'k aaide 't met mijn handen en mijn lippen
Tot gouden spiegel, en mijn dromend oog
Zag een wit lichtplekje, als ik 't hoofd bewoog,
Net als een duif langs zonnig koornveld glippen.
En 't scheen, alsof in 't schimmig westen
hing
Een geest, die stil keek over vroegere aarde;
En 't scheen, ik was al oud, heel oud, en staarde
Terug naar dit - heiligste herinnering.
3
En 't scheen, ik was aan 't einde van mijn leven,
En jij was dood, mijn liefde, lang lang dood.
En 'k dacht: Dat zachte haar, hoe is 't zo rood
In schemering van dag en tijd gebleven?
En 't wit werd grijs; en 't grijs zonk naar
de kim. -
De werk'lijkheid hield op, toen, voor ons beiden:
Je ging. - Wegnev'len zag 'k je over de weiden,
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim.
Adwaita

Hoog Hoger Hoogst
Ze klimmen tegen de hemel op
verzwaren de aarde met palen
en 't bouwen gaat door non-stop
voor de hoogste plaats in de annalen
Er openen steeds meer portalen
die toegang verlenen tot de top
Een ieder wil een titel behalen
Trots gegrift in betonnen kop
Een verheven schepper, zo'n architect
Hij heeft bij de Heer gestudeerd
hoe men 't land met rotsen bedekt
Net echt, zelfs de havik immigreert
Hem is 't eender wiens tempel 'm trekt
of wie hij met z'n broedsel vereert
Joke Kaviaar

De blauwe reiger
Aan slanke blanke beek, in de eenzaamheid der
weiden
Waar 't gras de late herfst met ijle tinten kleurt
Staat hij gedoken, stil, tot zich zijn vlerken spreiden
En hij zich statig, trots, in hoogere luchten beurt.
Breed drijft hij op het zeil der vleuglen, rond hem breiden
Zich de akkers en het woud steeds wijder, maar hij treurt.
En laat zich blind van smart in zwevend stijgen glijden,
Tot plots zijn felle kreet de stille luchten scheurt...
Maurits Uyldert

Het wonder van de kermis
Een blonde meid met gitzwarte oogen
Is nu het wonder van de foor.
Is het blond haar misschien een logen,
Haar armen zijn toch echt ivoor.
Het is een schiettent waar zij troont,
Zij hanteert vreemde karabijnen...
Zulk wonder werd nog nooit vertoond:
Weer strooit God parels voor de zwijnen.
En elke klant, die roerloos mikt,
Schiet regelmatig naast het doel.
Het is een avond, zwart en zwoel,
Voor alle drama's voorbeschikt.
De hand die uit haar hand ontvangt
De karabijn als gaaf van leven,
Hoe sterk de vuist den loop omprangt,
Moet van ontroering blijven beven.
Heeft er dan niemand ooit den moed
Het wapen op haar hart te richten,
En 't beeld der helsche vergezichten
Te dooven in haar donker bloed?
Helaas, zij glimlacht onverstoord,
Bevrijd van de gewone banden:
Reeds heeft haar lach den klant doorboord
Aleer hij 't geld legt in haar handen.
Jan van Nijlen

Vannacht
Vannacht twee kinderen gered.
Ze lagen onder dun, zwart ijs;
de één zag grijs, de ander blauw.
Ik heb ze op het gras gelegd,
dat hard onder mijn voeten brak,
hun lijfjes droog en warm gewreven
en ze mijn adem ingeblazen.
Daarna de ochtend ingekeken,
die lauw over het water lag,
een mouwloos T-shirt aangedaan,
wat grassen in een vaas geschikt,
twee kinderen uit hun slaap gevist.
Hester Knibbe

Bildlich gesprochen
Wär ich ein Baum ich wüchse
dir in die hohle Hand
und wärste du das Meer ich baute
dir weiße Burgen aus Sand.
Wärst du eine Blume ich grübe
dich mit allen Wurzeln aus
wär ich ein Feuer ich legte
in sanfte Asche dein Haus.
Wär ich eine Nixe ich saugte
dich auf den Grund hinab
und wärst du ein Stern ich knallte
dich vom Himmel ab.
Ulla Hahn

Het park
Wij kwamen uit het duister van den tuin
Voorbij den vijver en de leeuwenfontein.
Zij was zoo moe en lief, dat ik haar wilde dragen
Langs kamperfoelie en langs rozenhagen.
Bij de lantaren, voor de steenen bank,
Hielden wij stil en zwegen lang...
Wat heel den avond donker was gebleven,
Werd in dit heldre licht opnieuw gegeven
En anders: in het eerlijke gezicht
Lagen de oogen nu verzadigd dicht
En om den mond, den zelfbewuste, zachte,
Sliepen haar lichtste, veiligste gedachten.
Haar handen rustten droomend in haar schoot,
Waarover zorgeloos haar adem vloot,
En heel 't gezicht, waarover bladerschaduw speelde,
Glimlachte zacht, alsof mijn vingers het nog streelden.
Adriaan Morriën

Tijd
Tijd is de wisselwerking
tussen
gisteren en morgen.
De mens en zijn verlangen
zijn in de tijd gevangen
gekluisterd in
de wisseling
van toekomst en herinnering.
Verlangen is minuten
uren dagen
weken laten duren.
Nex van Aarssen

Voorbij
Zij was zoo jong en zoo bedorven.
Ze zei: ze had te lang gezworven.
Haar ogen waren al gestorven.
Zij was in het moeras ontstaan.
Zij was een blauwe gentiaan,
Geplukt, en welkend dichtgegaan.
Men heeft haar teeder weggedragen.
Ze was gelukkig zonder vragen
En dit geluk heeft haar verslagen.
Het was zoo vreemd, zij had geen pijn.
Haar harteklop was traag en klein.
Haar adem ruischte als een fontein.
Toen werd haar wezen zonneschijn.
Ze lag van hoofd tot voeten rein.
Wie denkt er nog aan haar bestaan?
Zij is voorbij en afgedaan.
Willem de Mérode

Het Schrijverke (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!"
Guido Gezelle

In Flanders Fields
In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders Fields.
Take up our quarrel with the foe:
To you from failings hand we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.
John McCrae

Februarizon
Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano's.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.
De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig
kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.
Paul Rodenko

Naar huis toe
Naar huis toe, 't golvend heipad af,
Gaat ze voor mijn blikken schuil;
Heuvel op, heuvel af, als een jongen in draf,
Onvermoeid langs hoogten en kuil...
Op de tweede glooiing staat zij stil
Met de handen hoog in de lucht
Alsof zij nog ééns iets zeggen wil
Voor dat zij verder vlucht...
Hajoe! juicht over de hei, hajoe!
En zij kust zich de rechterhand,
En zij zendt mij dien kus van haar lippen toe
Als mij nóg op de lippen brandt...
Ik zie, dat haar oogen gesloten zijn
Op het oogenblik, dat zij het doet,
En weer vlucht zij in een nieuw ravijn
Nieuwe hoogten te gemoet...
Hajoe! hajoe! juicht over de hei,
Maar zwakker dan de' eersten keer,
En ze kust haar handen nu allebei
Als gaf ze zich zoo voor goed aan mij;
Dan daalt ze... en komt niet weer.
Frans Bastiaanse

Jeugdherinneringen
Dit was mijn eerste visie op de tropen:
Een gladde plaat boven de schoorsteenmantel,
Waarop, om lange palm, laag bladgekantel,
Een tijger sloop, de ogen bloedbelopen.
Daarvoor, 'n Chinees in geel kleed op 'n
theebus,
Met plat gezicht, hangsnor en scheve ogen;
Op 't deksel stond een onoplosbre rebus:
Karakters van onmetelijk vermogen.
Daar staarde ik op en voelde mij rampzalig;
Chinees en palmboom deden mij wegdromen
Naar verre landen, meer dan Verne-boeken.
't Ouderlijk huis was soms zo duf en stug.
'k Wist niet dat ik heus wel in de Oost zou komen
En even hard mijn lot er zou vervloeken.
Jan Jacob Slauerhoff

En la forest de Longue Attente
En la forest de Longue Attente
Entrée suis en une sente
Dont oster je ne puis mon cueur,
Pour quoy je vis en grant langueur,
Par Fortune qui me tourmente.
Souvent Espoir chacun contente,
Excepté moy, povre dolente,
Qui nuit et jour suis en douleur
En la forest de Longue Attente.
Ay je dont tort, se je garmente*
Plus que nulle qui soit vivante ?
Par Dieu, nannil, veu mon malheur,
Car ainsi m'aid mon Createur
Qu'il n'est peine que je ne sente
En la forest de Longue Attente.
(*) je me lamente
Marie de Clèves

Landschap
Dit is het landschap waar ik mij verschuilen
kan als het leven mij naar 't leven staat.
Moerasgebied met grassen, poelen, kuilen,
waar donker water geen geheim verraadt.
Men hoort er 's avonds het gekras van uilen.
En hier en daar op 't onverwachtst daartussen
heldere plekken, waar dan bomen staan,
die met een groene mond de hemel kussen
en 's avonds dromen bij een lichte maan.
Dit is het landschap - ongerept gebied.
En ik voel, luist'rend naar het oeroud riet,
een rust van eeuwen al mijn onrust sussen.
J.W. Schulte Nordholt

Op school stonden ze...
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid, de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Eduard Hoornik

Afscheid
De stilte is een vlinder
die in een laatste klaproos brandt,
de horizont een rups,
de schemering een witte moerbeiboom.
Een vrouw op blote avondvoeten
vertelt van de cocons
die talrijk als seconden zijn.
Een vrouw met blote ochtendhanden
vertelt van de cocons
die groter dan het etmaal zijn.
De voorbijganger gaat voorbij
en kijkt niet links
en kijkt niet rechts
en kijkt niet om
en zegt dat er niets is
of voorvalt buiten het bereik
van een compleet verstand.
Nes Tergast

Die Liebe hat gelogen
Die Liebe hat gelogen,
Die Sorge lastet schwer,
Betrogen, ach, betrogen
Hat alles mich umher!
Es rinnen heiße Tropfen
Die Wange stets herab,
Laß ab, laß ab zu klopfen,
Laß ab, mein Herz, laß ab!
August Graf von Platen

Oktober
Zachtjes bloeit de zomer leeg
de herfstwind laat de bladeren zingen
van het gezicht dat ik zo liefheb.
Steeds bleker smelt de zon.
Een laatste blik nog werpt zij
op de ogen door het haar omlijst.
Nog even en de mond verdwijnt
in schemer. Maar niet in leegte.
Niet in schaduw van de tijd.
Mijn hand raakt nu de aarde.
Het wintergras staat voor de deur.
Nog slechts heel traag wil ik bewegen.
Niet vruchteloos meer zwoegen
met een vergeefse frons van pijn.
Nooit meer verstarren in verwijt
aangeschoten door de kogels
van het onzegbare. Niet meer
zinloos sterven telkens weer.
Nooit meer die leegte van de nacht
als uit de hemel sterren vallen--
hou mij dan vast en noem mijn naam.
Laat ons groeien, langzaam aan.
Laat ons elkaar verkennen.
Op laatst lijkt niets meer vreemd
of onverwacht. Vinden wij ons
troebel bloed voorgoed gezuiverd.
Klinken wij op alles wat ons rest.
Op alles wat nog door het open
raam naar binnen waait.
Drinken wij op ons bestaan.
Henriette Faas

Funeral Blues
Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.
Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He is Dead.
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.
He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last forever: I was wrong.
The stars are not wanted now; put out every
one,
Pack up the moon and dismantle the sun,
Pour away the ocean and sweep up the woods;
For nothing now can ever come to any good.
W.H. Auden

De steen
gedicht ingezonden door Sjannie
Ik heb een steen verlegd in een rivier op
aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier hou je niet tegen.
Het water vindt er altijd een weg omheen.
Misschien eens gevuld van sneeuw en regen,
neemt de rivier mijn kiezel mee.
Om hem dan glad en rond gesleten,
te laten rusten in de luwte van de zee.
Ik heb een steen verlegd in een rivier op
aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,
ik leverde 't bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.
Ik heb een steen verlegd in een rivier op
aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,
ik leverde 't bewijs van mijn bestaan
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
het water nooit dezelfde weg zal gaan.
Bram Vermeulen

Ô de mon bien futur le frêle fondement
Ô de mon bien futur le frêle fondement !
Ô mes désirs semés en la déserte arène !
Ô que j'éprouve bien mon espérance vaine !
Ô combien mon tourment reçoit d'accroissement !
Ô douloureux regrets ! ô triste pensement
Qui avez mes deux yeux convertis en fontaine !
Ô trop soudain départ ! ô cause de la peine
Qui me fait lamenter inconsolablement !
Ô perte sans retour du fruit de mon attente !
Ô époux tant aimé qui me rendais contente ;
Que ta perte me donne un furieux remords !
Las ! puisque je ne puis demeurer veuve et
vive,
J'impètre du grand Dieu que bientôt je te suive,
Finissant mes ennuis par une douce mort.
Madeleine des Roches

Anna voor den spiegel
Zoo innig keek die vreemdeling
Mij gisteravond aan,
Zoo innig zacht
Dat ik van nacht
Gedurig weer moest luisteren
Hoe vreemd een hart kan slaan.
Nu komt daar voor het klikkend glas
Zoo'n dwaze droomster staan,
En vraagt waarom
Ik kijken kom,
En ziet mijn lippen fluisteren
En laat mij blozend gaan.
Willem Levinus Penning

Morgenland
steeds hogere huizen
allen van spiegelglas
binnen en buiten buizen
consciëntieus waterpas
met krachten bekorst
onzichtbare ketens
veel bloed op getallen gemorst
maar niet één lijk belast het geweten
zonder mij zal zij nooit meer
zo bekoorlijk zijn als ik haar droomde
de slordige aarde waarop ik woonde
gaat volmaakt geordend te loor
Anoniem

Gefunden
Ich ging im Walde
So für mich hin,
Und nichts zu suchen,
Das war mein Sinn.
Im Schatten sah ich
Ein Blümchen stehn,
Wie Sterne leuchtend,
Wie Äuglein schön.
Ich wollt es brechen,
Da sagt es fein:
Soll ich zum Welken
Gebrochen sein?
Ich grub's mit allen
Den Würzlein aus.
Zum Garten trug ich's
Am hübschen Haus.
Und pflanzt es wieder
Am stillen Ort;
Nun zweigt es immer
Und blüht so fort.
Johann Wolfgang von Goethe

Herfst
De bomen roesten in het zieke licht
langs somber in zichzelf gekeerde grachten.
In wilde, stormdoorvlaagde regennachten
vertoont de maan een bleek, behuild gezicht
boven de lege straten, smalle schachten
waar in een onverbiddelijk gericht
de zomer langzaam voor het najaar zwicht,
terwijl de huizen op het einde wachten.
Tegen de morgen is de strijd beslecht.
Een vage geur van heimelijk bederven
heeft aan de moede wind zich vastgehecht.
Tussen een handvol dunne zonnescherven
heeft zich de zomer moeizaam neergelegd
om eenzaam en onopgemerkt te sterven.
Hanny Michaelis

When I am dead
When I am dead, my dearest,
Sing no sad songs for me:
Plant thou no roses at my head,
Nor shady cypress tree:
Be the green grass above me
With showers and dewdrops wet;
And if thou wilt, remember,
And if thou wilt, forget.
I shall not see the shadows,
I shall not feel the rain;
I shall not hear the nightingale
Sing on, as if in pain;
And dreaming through the twilight
That doth not rise nor set,
Haply I may remember,
And haply may forget.
Christina Rossetti

Egoïsmus
Geef een meisje bruine lokken,
Lippen nimmer moe of bang
Om te kussen of te jokken
Heel het lieve leven lang;
Rozenblosjes, sneeuwen handen,
Hemelsche oogen, epen tanden,
Ranke leest en vluggen voet:
Armpjes om er in te vliegen,
Of een kindje op te wiegen,
En een blij gestemd gemoed.
Lieve Hemel, hoor mijn beden,
Geef haar zachtheid, stille trouw,
En die duizend kleinigheden,
Die zoo lief staan in een vrouw.
Kleine zonden, teedre nukken,
Die een gloeiend hart verrukken,
Liefdes dartle poëzij;
Geef haar wat zich de engel denken
En uw rijkste gunst kan schenken,
En dan – Hemel, geef haar mij!
P.A. de Génestet

She dwelt among the untrodden ways
She dwelt among the untrodden ways
Beside the springs of Dove,
Maid whom there were none to praise
And very few to love:
A violet by a mossy tone
Half hidden from the eye!
-- Fair as a star, when only one
Is shining in the sky.
She lived unknown, and few could know
When Lucy ceased to be;
But she is in her grave, and, oh,
The difference to me!
William Wordsworth

De waterlelie
Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.
Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...
Frederik
van Eeden

De gestorvene
Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan -
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.
Ida Gerhardt

Die Beiden
Sie trug den Becher in der Hand -
Ihr Kinn und Mund glich seinem Rand -,
So leicht und sicher war ihr Gang,
Kein Tropfen aus dem Becher sprang.
So leicht und fest war seine Hand:
Er ritt auf einem jungen Pferde,
Und mit nachlässiger Gebärde
Erzwang er, daß es zitternd stand.
Jedoch, wenn er aus ihrer Hand
Den leichten Becher nehmen sollte,
So war es beiden allzu schwer:
Denn beide bebten sie so sehr,
Daß keine Hand die andre fand
Und dunkler Wein am Boden rollte.
Hugo von Hofmannsthal

De maan is al boven de seringen
De maan is al
boven de seringen;
De stralen hellen de kruinen langs…
De nachtegaal houdt zich stil van zingen
Tot de hof verlucht staat van haar glans.
Tot de
donkere tuin als een ijle beker
Tintelt vol licht, dofgouden wijn,
En als slaapwandelaars onzeker
De rozen ontwaken in den schijn…
Ik weet niet
wat ik meer moet vreezen,
De nachtegaal met haar luide klacht,
Of de stille maan die droomt volrezen
Over de witte rozenpracht…
Laat doof en
blind mij – ik kan niet dragen
Den telkens valschen dageraad…
Wanneer zal eindlijk mijn zon weêr dagen,
Die alle schemerschoon verslaat?
P.C. Boutens

Madonna of the Evening Flowers
All day long I have been working
Now I am tired.
I call: "Where are you?"
But there is only the oak tree rustling in the wind.
The house is very quiet,
The sun shines in on your books,
On your scissors and thimble just put down,
But you are not there.
Suddenly I am lonely:
Where are you?
I go about searching.
Then I see you,
Standing under a spire of pale blue larkspur,
With a basket of roses on your arm.
You are cool, like silver,
And you smile.
I think the Canterbury bells are playing little tunes,
You tell me that the peonies need spraying,
That the columbines have overrun all bounds,
That the pyrus japonica should be cut back and rounded.
You tell me these things.
But I look at you, heart of silver,
White heart-flame of polished silver,
Burning beneath the blue steeples of the larkspur,
And I long to kneel instantly at your feet,
While all about us peal the loud, sweet Te Deums of the Canterbury bells.
Amy Lowell

Werkster
Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren,
die voortbewegen op hun voet en hand.
Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
om deze voor de voeten te versieren
van dichters, predikanten, kruidenieren,
want er is onderscheid van rang en stand.
God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
gaande de gouden straten naar Zijn troon,
al slaande met de stoffer op het blik.
Symbolen worden tot cymbalen in de
ure des doods - en zie, haar lot ten hoon,
zijn daar de dominee, de bakker en de frik.
Gerrit Achterberg

J'aime ces doux oiseaux...
J'aime ces doux oiseaux, qui promènent dans
l'air
Leur vie et leur amour, et plus prompts que l'éclair,
Qui s'envolent ensemble !
J'aime la fleur des champs, que l'on cueille au matin,
Et que le soir, au bal, on pose sur son sein
Qui d'enivrement tremble !
J'aime les tourbillons des danses, des
plaisirs,
Les fêtes, la toilette, et les tendres désirs
Qui s'éveillent dans l'âme !
J'aime l'ange gardien qui dirige mes pas,
Qui me presse la main, et me donne tout bas
Pour les maux un dictame !
J'aime du triste saule, au soir muet du jour,
La tête chaude encor, pleine d'ombre et d'amour,
Qui se penche et qui pense !
J'aime la main de Dieu, laissant sur notre coeur
Tomber en souriant cette amoureuse fleur
Qu'on nomme l'espérance !
J'aime le doux orchestre, en larmes, gémissant
Qui verse sur mon âme un langoureux accent,
Une triste harmonie !
J'aime seule écouter le langage des cieux
Qui parlent à la terre, et l'emplissent de feux
De soleil et de vie.
J'aime aux bords de la mer, regardant le ciel
bleu,
Qui renferme en son sein la puissance de Dieu,
M'asseoir toute pensive !
J'aime à suivre parfois en des rêves dorés
Mon âme qui va perdre en des flots azurés
Sa pensée inactive !
J'aime l'effort secret du coeur, qui doucement
S'agite, la pensée au doux tressaillement,
Que l'on sent en soi-même !
Mieux que l'arbre, l'oiseau, la fleur qui plaît aux yeux,
Le saule tout en pleurs, l'espérance des Cieux...
J'aime celui qui m'aime.
Jules Verne

Ontmoeting
Ik heb een man ontmoet
ik weet niet of hij nog de waarheid zocht
ik was een wezel
hij een vreemdsoortig dier
hij tastte met zijn horens
of hij tasten wou
het was alsof hij even
uit zijn schelp wou breken
en ik de mijne wilde breken
ik was een labyrint
ik weet niet of ik nog de waarheid zocht
ik kon de ruimte met mijn armen
niet omsluiten
de rode vingers van de woorden
niet bedwingen
toch wilden ergens bloemen bloeien
de waarheid loog als altijd onbewust.
Cathy Mara

November
Het regent en het is november
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J. C. Bloem

Eendjes voeren
De laatste tijd had mams een manie
van maar naar het park te gaan.
Elke middag trok mijn mammie
mij mn warmste kleertjes aan.
Want, zei mammie, in de winter
geven wij de eendjes brood.
Anders gaan die lieve eendjes
allemaal van honger dood.
Onderweg liep zij steeds vlugger,
ik hield haar maar met moeite bij.
Ik kwam in het park buiten adem,
maar mama was opgelucht en blij.
Ze gaf mij het plastic zakje,
waar het eendebrood in zat.
En dan liep ik naar het wak toe,
terwijl mammie op het bankje zat.
Terwijl ik de eendjes brood moest voeren,
praatte zij met een meneer.
Die meneer was blijkbaar grappig
en hij was er telkens weer,
net als de zwaan en bij het voeren
stond dat beest altijd vooraan.
Vaak begon hij kwaad te blazen,
ook al had ik niks gedaan.
Eénmaal heeft de zwaan gebeten,
mn handje deed toen wel erg zeer.
Ik hoorde mams juist schaterlachen
om die grappige meneer.
Toen moest ik nog veel harder huilen,
maar mammie had geen oog voor mij.
Terwijl ik naar het bankje holde,
maakte mams haar handen vrij.
Die meneer heet nou Oom Stefan
en we wonen in zijn huis.
Soms voel ik me heel verdrietig,
maar we blijven 's middags thuis.
Zondagsmiddags komt mn pappie
die wil met mij naar het park toegaan.
En dan durf ik niet te zeggen,
dat ik bang ben voor de zwaan.
Hans Dorrestijn

Dors à mes pieds
Dors à mes pieds !... Rêve d'amour
Mon souffle, comme une caresse,
Glissera sur le pur contour
De ce beau front qu'avec paresse
Tu reposes sur mes genoux.
Dors à mes pieds, tout fait silence,
Hors la branche qui se balance,
Souple et frêle, au-dessus de nous;
Dors à mes pieds, tout fait silence.
Sous mes baisers clos tes yeux noirs,
Tes yeux où brillent tant de flammes,
Qu'on les croirait les deux miroirs
Où se reflètent nos deux âmes.
Dors à mes pieds !... Rêve d'amour;
Je suis jalouse de tes rêves,
Comme du temps que tu m'enlèves
Avec le monde chaque jour...
Je suis jalouse de tes rêves !...
Le soleil glisse à l'horizon.
Pas un souffle, pas un nuage...
Un rayon d'or, sur le gazon,
Reste comme un heureux présage !
Nos riches tapis ne sont pas
Aussi doux que ce lit de mousse
Où, folâtre, ta main repousse
Le brin d'herbe effleurant mon bras.
Dors sur l'herbe, les fleurs, la mousse...
Dors à mes pieds !... Rêve d'amour:
Mon souffle, comme une caresse,
Glissera sur le pur contour
De ce beau front qu'avec paresse
Tu reposes sur mes genoux.
Dors à mes pieds, tout fait silence,
Hors la branche qui se balance,
Souple et frêle, au-dessus de nous;
Dors à mes pieds, tout fait silence.
Mélanie Waldor

Een vogelaar
een vogelaar, zit altijd daar
waar vogels zijn en leven
de lenzen in z'n kijker klaar
te zien wat zij hem geven
de rust, emotie, pracht en praal
het wijdse van de lucht
een borstje rood, een merel vaal
de stad daarom ontvlucht
een vogelaar, zit altijd daar
zijn vlucht te doen ervaren
het turen blijft, hij is nooit klaar
een droom te doen bewaren
Riny Assink

Nauw
zichtbaar wiegen op een lichten zucht
Nauw
zichtbaar wiegen op een lichten zucht
de witte bloesems in de scheemring, — ziet,
hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
een enkele, al te late vogel vliedt.
En ver, daar
ginds, die zacht-gekleurde lucht
als perlemoer, waar iedere tint vervliet
in teêrheid… Rust — o, wonder-vreemd genucht!
want alles is bij dag zóó innig niet.
Alle geluid,
dat nog van verre sprak,
verstierf — de wind, de wolken, alles gaat
al zacht en zachter — alles wordt zoo stil…
En ik weet
niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
dat al zóó moe is, altijd luider slaat,
altijd maar luider en niet rusten wil.
Willem Kloos

De rustende jager
De dag drukt
zwijgend op het naakte raam.
Hier, binnen, staat een man. De achttien treden
die hij zojuist bedwong laten zijn benen
trillen. Hij is een held. Hij heeft gedaan
wat niemand
kan en is heel lang gegaan
waar geen man komt. Hij heeft: fauteuils bereden,
boeken geslacht; steen gegeten. Beneden
beukt zijn wild paard tegen de stoeprand aan.
Hij is een
held. Hij is een man. Alleen.
Hij kijkt naar buiten. (Zou er regen komen?
Zo ja, dan komt Diaan daar niet doorheen
en zal ze ook
mijn winterjas niet zomen.)
De dag drukt op het raam. Als dat verdween
zou heel de kamer vol gevaren stromen.
Petra
Kottman

In welche soll ich mich verlieben
In welche soll ich mich verlieben,
Da beide liebenswürdig sind?
Ein schönes Weib ist noch die Mutter,
Die Tochter ist ein schönes Kind.
Die weißen, unerfahrnen Glieder,
Sie sind so rührend anzusehn!
Doch reizend sind geniale Augen,
Die unsre Zärtlichkeit verstehn.
Es gleicht mein Herz dem grauen Freunde,
Der zwischen zwei Gebündel Heu
Nachsinnlich grübelt, welch von beiden
Das allerbeste Futter sei.
Heinrich Heine

Zoo teedere schade als de bloemen vreezen
Zoo teedere schade als de bloemen vreezen
Van zachten regen in de maand van Mei,
Zoo koel en teeder heeft uw sterven mij
Schade gedaan, die nimmer zal genezen.
Eens, toen wij na den nacht tezaam verrezen
Lagen de rozen vochtig en gebroken, ik en gij
Wisten dien langen nacht den regen, ik noch gij
Konden van teerheid immermeer genezen.
Gij hebt de witte en roode rozebladen
Gebeurd in uwe smalle hand, - zij vielen
vochtig en sidderend weer in 't diepe gras.
Hoe zal dan 't hart van even teedere schade
Genezen, nu om u de rozen vielen,
Nu uwe handen stil zijn, diep in 't gras.
J.W.F. Werumeus Buning

Zonder bagage
Ik heb een roofdierhart en roofdiermond,
verorber land na land, elk moment is
het moment voor de sprong.
Ik knoop tijd aan elkaar.
Hoe het komt?
De grens, klemvast, was een ver geheim.
Het was nacht, de maan was rood.
De hoge heuvel sleepte stenen aan
waar 't licht afdroop als
afscheidstranen. Het gevaar
verbond de wond.
We liepen.
De bergkam had
gaten in zijn tanden en het kind
vleugels op haar rug:
schooltasje, foto van de klas,
krabbel van de eerste liefde.
De mens is een bundel
verzwegen verhalen, klaar om
op te stijgen, uit te varen,
verstoppertje te spelen, alleen
tijdelijk in een haven.
Daar
zoek ik weleens tussen sleetse
koffers, reistassen en andere bagage
het schooltasje terug. De eerste
verte. Hoe ik dat doe?
Ik leg me op de grond en vouw me
op tot een pakketje. Verloren maar
vrij om te gaan als de maan
zich schurkt tegen de havenkade.
Jana Beranová

One day I wrote her name upon the
strand
One day I wrote her name upon the strand,
But came the waves and washed it away:
Again I wrote it with a second hand,
But came the tide, and made my pains his prey.
Vain man, said she, that doest in vain assay
A mortal thing so to immortalize,
For I myself shall like to this decay,
And eek my name be wiped out likewise.
Not so (quoth I), let baser things devise
To die in dust, but you shall live by fame:
My verse your virtues rare shall eternize,
And in the heavens write your glorious name.
Where whenas Death shall all the world subdue,
Our love shall live, and later life renew.
Edmund Spenser

Bui
Grimmig snellen rondgerolde wolken,
Eindeloos groote kluwens, aan door 't blauw;
Doodsche stilte... toch, ze naderen gauw,
Scherp weerspiegeld in de molenkolken.
Schelle fonkeling van millioenen dolken...
Dan de donder; - en, van regen lauw,
Schudt de wind den hechten molenbouw,
Loeit het rund, dat wegvlucht ongemolken.
Zuiver, als geslepen edelsteenen
In een rand van donker goud gevat,
Spiedt de klaproos door de halmen henen,
Glanst de koornbloem helder na het bad;
En het paard, met glimmend stijve beenen,
Scheert de klaver, koel en druipend nat.
Jacob Winkler Prins

Der Habicht
Es haust im finstern Walde
Ein Habicht, grimm und grau,
Er schont kein Tier der Halde,
Kein Vöglein auf der Au.
Und was er sinnt, ist Schrecken,
Und was er blickt, ist Wut,
Und was er ruft, ist Grauen,
Und was er treibt, ist Blut.
Habt ihm sein weib erschlagen,
Zerschossen stets die Brut,
Kennt nur noch wildes Jagen,
Und Rache peitscht sein Blut.
Doch nie war sein Geschlechte
So mörderisch wie Ihr!
Er jagt mit gleichem Rechte
Und schonender als Ihr!
Unbekannt

Als ik geen rood meer heb
Als ik geen rood meer heb
maak ik de bomen groen, de struiken,
het hele landschap wat ik schilder.
Dus ook het onkruid en het gras,
waarin je languit ligt te wachten roerloos
maar toch diep ontroerd, wanneer je later
het doek mag zien waar ik je rooie jurk
vervangen heb door zachte naaktheid,
waarvoor ik net als voor je glimlach
vooralsnog niet de kleur vond die je past.
Als ik geen rood meer heb,
heb ik nog altijd je lippen.
Paul Snoek

Shall I compare thee to a summer’s day?
Shall I compare thee to a summer’s day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer’s lease hath all too short a date:
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimm’d:
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature’s changing course untrimm’d;
But thy eternal summer shall not fade,
Nor lose possession of that fair thou ow’st,
Nor shall death brag thou wander’st in his shade,
When in eternal lines to time thou grow’st;
So long as men can breathe, or eyes can see,
So long lives this, and gives life to thee.
William Shakespeare

Aan Rika
Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die de trein
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.
En toch, zij duurde lang genoeg om mij,
Het eindloos levenspad met fletse lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.
Waarom hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!
En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?
Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?
Piet Paaltjens

Plastic reigers
De onbezonnen romantiek
die waart in dagen van weleer,
schiet zijn reigers tragisch dood
bij oogopslag en wederkeer.
De zee is boos en keert het tij
het beeld verstoort je
anders blijkt, zo anders wij
wij zijn elkanders tussendoortje.
En de jagers jagen, schieten klei
en de reigers vluchten wijd en zijd
besmeuren de herinnering
met dit hier thans en tussentijd.
Wat we zeiden, was zo waar
maar wat we zwegen was niet echt
bevlogen vogels vliegen over
doch plastic reigers vliegen slecht.
Marcel Berendsen

Vroegh in den dageraet
Vroegh in den dageraet, de schoone gaet ontbinden
Den Gouden blonden tros, Citroenich van coleur,
Gezeten inde Lucht, recht buyten d'achter deur,
Daer groene Wijngaert loof oyt louwen muer beminde.
Dan beven Amoureus de lieffelijckste Winden,
In 'tgheele zijdich hayr, en groeten met een geur
Haer Goddelijck aenschijn, op dat sy dese keur
Behielt, van dagelijcx haer daer te laten vinden.
Gheluckigh is de Kam, verguldt van Elpen been,
Die dese vlechten streelt, dit waerdich synd' alleen;
Gheluckiger het snoer, dat in haer dicke tuyten
Mijn Ziele mee verbint, en om 'thooft gaet besluyten,
Hoe wel ick 'tliever zie wilt golvich na syn jonst,
Het schoone van natuur passeert doch alle const.
Gerbrand Bredero

Hortus conclusus
Vrouwen als braakliggende tuintjes. Orgastische groei
van ranonkel en distel. De vlier verkracht de perzik,
de hitsige brandnetel dringt onbeschaamd het schuurtje
binnen waar droge uien hangen uit een stil verleden.
Hier hoort een tuinman die de dood de rug toekeert
en leert hoe je de tijd stilt met het lover van de liefde,
het vruchtgebruik in eer hersteld. Zo proeft hij
most, lest droom en lust volmondig. Zoals hij
schoffelt en wiedt, zo onderhoudt hij de liefde.
Lut de Block

Herfstelijk
De uitgevlamde bomen gloeien na
in avondnevels, die ze langzaam doden.
Ik wandel eenzaam door verkommerd lover
mijn schuldbedrukte heimwee achterna.
Vervreemd zie ik de boeren 't ritueel
van zaden werpen toegewijd voltooien
en meisjes diepgebogen knollen rooien
op velden voor de troosteloze Peel.
Ik ben geïsoleerd in dit verband
van namelozen in hun trouw aan 't leven.
Weemoedig peins ik, zonder streven,
en zwerf absurd door mijn geboorteland.
Ik zoek de vrede van mijn vóórbestaan
en in de plantenbedden van moerassen,
met boomskeletten in de grijze plassen
zou ik verzinken willen en vergaan.
Frans Babylon

Frühling im Dom
Wunderschönes Frühlingswetter
Glitzert durch die bunten Scheiben,
Goldne Sonnenstäubchen tanzen
Lustig um den Hochaltar.
Auf der Kanzel spricht der Pater
Donnernd gegen Lust und Unzucht,
Auf dem breiten, keuschen Schmerbauch
Hüpft ein goldner Lichtreflex.
Und um seine rote Nase
Flattert ein Zitronenfalter,
Fliegt zu einem schönen Mädchen,
Das mit scheuem Herzen horcht.
Nachgefolgt dem gelben Falter
Sind des Paters strenge Augen,
Treffen schließlich auch das liebe,
Süße Mädchenangesicht.
Plötzlich stockt der Pater Thomas,
Er, der große Kanzelredner,
Er, der große Reuebringer,
Wird verwirrt, er stockt und schweigt.
Über einem Strebepfeiler
Sitzt ein feister Marmorengel,
Dieser grinst mit kleinen Augen
Lustig Pater Thomas an.
Hermann Löns

Marie-Jeanne
Wéér in 2a te zitten was wel fijn
als ik rechts achterom keek naar dat liefje,
Maar zij keek steeds terug zo van wat blief je,
of helemaal niet. Wel de harde lijn.
Met Sinterklaas gaf ik mijn hartendiefje
een hart van suikergoed en marsepein.
Zij deed de stille gever hartepijn,
want gaf hem via Joan het volgend briefje.
Daar stond geschreven: 'Jan, ik heb gemerkt
dat je me aardig vindt. Ik vind jou niet
aardig. Zwijg daar dus over, Marie-Jeanne.'
De doffe dreun heeft twee jaar doorgewerkt.
Nu kan ik lachen en ik zing een lied;
toen wou ik huilen maar ik had geen tranen.
Jan Kal

One Perfect Rose
A single flow'r he sent me, since we met.
All tenderly his messenger he chose;
Deep-hearted, pure, with scented dew still wet -
One perfect rose.
I knew the language of the floweret;
'My fragile leaves,' it said, 'his heart enclose.'
Love long has taken for his amulet
One perfect rose.
Why is it no one ever sent me yet
One perfect limousine, do you suppose?
Ah no, it's always just my luck to get
One perfect rose.
Dorothy Parker

Opa
Opa keek vaak in onze tuin
naar die zeven sprietjes gras,
en daar zag opa dan een koe
die er helemaal niet was.
En later, in het ziekenhuis,
kon hij verwonderd vragen
waarom ze toch de buitenmuur
uit zijn kamer hadden geslagen.
Voor opa was het doodgaan
dus niet zoiets als nacht:
het was de steeds grotere ruimte
die hij voor zichzelf had bedacht.
Willem Wilmink

She walks in Beauty
SHE walks in beauty, like the night
Of cloudless climes and starry skies;
And all that 's best of dark and bright
Meet in her aspect and her eyes:
Thus mellow'd to that tender light
Which heaven to gaudy day denies.
One shade the more, one ray the less,
Had half impair'd the nameless grace
Which waves in every raven tress,
Or softly lightens o'er her face;
Where thoughts serenely sweet express
How pure, how dear their dwelling-place.
And on that cheek, and o'er that brow,
So soft, so calm, yet eloquent,
The smiles that win, the tints that glow,
But tell of days in goodness spent,
A mind at peace with all below,
A heart whose love is innocent!
George Gordon Byron, Lord Byron

Onland
ze loopt weer naar het station
ze was mij niet verleerd
gleed haar schaduw niet onbevangen
langs het plafond?
de kamer deinde vanmorgen
in de branding wiegde geurend hout
zomer was het; het is zomers,
de akkers staan onder water,
kijk: ik heb geen oevers meer
volgt het water vanzelf de voren, zoals
een spoor van plafond naar station haar
weg- en weer terugbrengt, of
maken vissen het water turbulent
om voren uit te wissen?
Herman Russchenberg

Der Panther
Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.
Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein großer Wille steht.
Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf — dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille —
und hört im Herzen auf zu sein.
Rainer Maria Rilke

Ek staan op 'n moerse rots by Paternoster
ek staan op 'n moerse rots langs die see by
Paternoster
die see slat slingers in die lug
liggroen skuim
onverskrokke kyk ek elke donnerse brander
in sy gut voor hy breek
die rots sidder onder my sole
my bo-beenspiere bult
my bekken smyt die aangeleerde gelate knak uit haar uit
se moer ek is rots ek is klip ek is duin
helder sing my tiete 'n koperklepgeluid
my hande pak Moordbaai en Bekbaai
my arms skeur ekstaties bo my kop:
ek is
ek is
die here hoor my
'n vry fokken vrou
Antjie Krog
(Zuid-Afrikaans = Nederlands?)

Liggen in de zon
Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.
Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.
Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.
Hans Andreus

Petit sonnet sauce Coppée
Entre les deux bocaux, ces phares du codex,
Près d'un ver solitaire accordéoniforme,
Long comme un jour sans pain, long comme Hugues Delorme,
Le Potard a surgi, solennel pontifex.
De ses doigts fuselés tachés d'iodoforme,
Pieusement entre son pouce et son index,
Il saisit dans la montre un clysopompe énorme
Et le remplit jusques au bord d' "aqua simplex".
Narquois observateur, aussitôt je devine
Qu'une femme, là-bas, au fond de l'officine,
Rougissante, retrousse un coin de son jupon
Et découvre l'envers de son minois fripon
Pour l'offrir au baiser pointu de la canule,
Et je n'ai pas trouvé cela si ridicule.
Dominique Bonnaud

De akker
Ik zal die zondagmiddag met mijn vader
op wandel door het land niet licht vergeten
al is het vijftig jaar en méér geleden,
zo dicht bij hem als bijna nooit meer later.
Wij kwamen bij een akkerstuk, door bossen
die aan vier kanten stonden, ingesloten, –
door varens een verwoestend spoor gestoten
dan verend verder over vedermossen.
Wij vonden er een hof. Het hoge koren
met ritselingen rijpgestookt van boven
stond in de palle juli onbewogen
tegen mijn open ogen en mijn oren.
Ik zág niets anders, hóórde niets dan droge
verdorde zoemgeluiden van insecten
onzichtbaar kevertjes en rode plekken
papavers door veel bijen aangevlogen.
Een wereld die bestond en aan den lijve
ervaarbaar vaderlijk, een nieuwe aarde
met ademing en aanvangen van klaarte
waarin ik wilde blijven en verblijven.
Anton van Wilderode

Je onbedekt huis
Haast van hout zoals hij daar
in de verte mijn voetstap, zijn
startschot afwacht. Boven op de dijk.
Omgeklapt trekt hij bliksemschichten
over het veld, zwiept hij zich
veilig naar zijn draaikolk van gras.
Haas ik wil je niet jagen, ik wil
je onbedekte huis met je delen, ik
wil lezen wat je schreef op de akker.
Ik wil je grijsgouden vacht voelen
maar bedrog en vernieling persen
zich tussen hand en haas, telkens.
Anna Enquist

Annunciatie
Ik hoorde uw voetstap naadren op het pad,
Ik wachtte, en zag u na een korte pooze.
- Hoe geurden 't dennenboschje en de rozen! -
Toen gij mijn open woning binnentradt.
Gij waart dien avond, toen gij tot mij kwaamt,
O Dood, niet overmoedig, niet vermetel,
En toen gij plaats naamt in mijn zachten zetel,
Gelijk een knaap zoo schuchter en beschaamd.
"Ik kom misschien wat laat en ongelegen?
Maar God heeft mij gezonden met een last."
Ik sprak: "Wie tot mij komt van Zijnetwege
Is mij ten allen tijde een lieve gast."
Ik bood u spijze, ik dronk met u den wijn.
Toen spraakt gij vragend, en uw oogen zagen
De mijne niet, naar de uwe opgeslagen,
Maar staarden peinzend in den avondschijn:
"Ik weet, dat ge u een woning hebt gebouwd,
Die gij zoo juist van plan waart te betrekken?
Dat gij de taak, door God u toevertrouwd
Ten laatste aan uzelve zoudt ontdekken,
Als gij uw eigen leven leven zoudt?" ...
Maar met een glimlach sprak ik snel en stil:
"Kwaamt gij, o Dood, mij van mijn plannen spreken?
Spreek en verkondig mij des Meesters wil."
Toen stondt gij op, toen gaaft gij mij het teeken,
Waarmede gij de uwen wijdt, o Dood. -
Ik deed u even later uitgeleide,
Ik zag u duister in het avondrood
Verdwijnen in de duisternis der heide.
En keerde huiswaarts langs het kiezelpad,
Ik sprak niet "goede Dood", ik sprak niet "booze",
En 'k had het leven nooit zoo lief gehad.
Jacqueline Elisabeth van der Waals

A Poison Tree
I was angry with my friend:
I told my wrath, my wrath did end.
I was angry with my foe:
I told it not, my wrath did grow.
And I watered it in fears,
Night and morning with my tears;
And I sunned it with smiles,
And with soft deceitful wiles.
And it grew both day and night,
Till it bore an apple bright.
And my foe beheld it shine.
And he knew that it was mine,
And into my garden stole
When the night had veiled the pole;
In the morning glad I see
My foe outstretched beneath the tree.
William Blake

Mijn moeder is mijn naam vergeten
Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?
Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.
Voor wie ik liefheb, wil ik heten.
Neeltje Maria Min

Mei
(Begin boek 1)
Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht,
In een oud stadje, langs de watergracht --
In huis was 't donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels van mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zoo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In 't boschje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald' over de bruggen, op den wal
Van 't water, langzaam gaande, overal
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
Van eigen blijheid om de avondrust.
En menig moe man, die zijn avondmaal
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,
Talmde een pooze wijl de jongen floot.
Herman Gorter

De Noordzee
De Noordzee doet zijn gore golven dreunen
En laat ze op 't strand in lange lijnen breken.
Zijn voorjaarswater marmren groene streken
En schuim en zwart waaronder schelpen kreunen.
Zie van 't balkon mij naar de einder leunen
Met ogen die sinds lang zo wijd niet keken:
Een droom in 't hart is me eer ik 't wist ontweken
En 't oog wil buiten me op iets komends steunen.
Hoe ben ik altijd weer vervuld, verlaten:
Vervuld van liefde, en hoop en schoon geloven;
Verlaten als mijn dromen mij begeven.
Maar dan komt, o Natuur, langs alle straten,
Uw kracht, uw groei, uw dreiging, uw beloven -
Hoe klopt mijn hart van nieuw, van eeuwig leven.
Albert Verwey

Jezus die door de wereld ging
Jezus, die door de wereld ging,
was in een landstad aangekomen
en had zijn ongemerkten weg
over het marktplein heen genomen
En zag een hond stroef als een wolf,
plat op de stenen, onbewogen,
wiens leven heengeweken was,
wiens Jozef uit de put getogen.
En om het kreng verrot en vocht
stonden de mensen stil en keken
en waren bits: een gierenzwerm,
die op een aas is neergestreken.
En een: de walg van dit gezicht
benevelt en verwart het hoofd
met troebelingen als een kaars
roetwalmend door de wind gedoofd.
Een ander: van dit gistend vod
en vuil het enigste gewin
is duisternissen voor het oog
en schrik en afschuw voor de zin.
Zo zong een ieder daar zijn lied
maar allen in denzelfden toon
en overstelpten met verwijt
en spraken bitterheid en hoon.
Jezus zag naar het liggend dier
en sprak en zeide enkel dit
en was beschamend rondom:
de tanden zijn als paarlen wit.
J.H. Leopold

De moerbeitoppen ruisten
"De moerbeitoppen ruisten;"
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;
Sprak tot mij in de stille,
De stille nacht;
Gedachten die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.
Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.
De morgen die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.
Nicolaas Beets

Misbruik
Ziet men aan de dorenstruiken
’t Geurig roosje niet ontluiken,
Lentes uitgezochte roem?
Ook de distel, ook de netel,
Heeft haar plaats om Floraas zetel,
Ieder braamsteng draagt haar bloem.
Ach, in alles is genieten;
Slechts het misbruik schept verdrieten.
Waarom grijpt ge woest in ’t rond?
Laat uw ogen dankbaar weiden
Waar de schoonheên zich verspreiden;
’t Is niet al voor hand of mond.
Ieder zintuig heeft zijn waarde;
Ieder heeft zijn deel op aarde:
Riek het bloempje; smaak de vrucht;
Zie Natuur haar kleed schakeren;
Hoor het boskoor kwinkeleren;
Voel de zoele kus der lucht!
Waan niet, als een God der Goden!
Alles onder uw geboden;
Dienstbaar aan uw grilligheden!
Stervling, stel uw zwelgzucht palen;
Waar Gods weldaân op u dalen,
Wees met wat Hij schenkt tevreden.
Willem Bilderdijk

Minne
Het zoetste van de minne is haar storm;
Haar diepste afgrond is haar schoonste vorm;
In haar verdwalen komt ze omtrent;
Wie om haar hongert eet succulent;
Haar wantrouwen is zekerheid;
Haar pijnlijkste wond is gezondheid;
Om haar wegkwijnen is langer leven;
Haar verbergen is vinden en beven;
Om haar wegteren is gezond;
Haar verhelen doet alles kond;
Wat zij achterhoudt zijn haar giften;
Woordeloos zijn haar mooiste gedichten;
Haar gevangenis houdt open deur;
Haar hardste slagen zijn haar zoet labeur;
Haar plundertocht beurt buit en dromen;
Haar weggaan is steeds dichter komen;
Haar diepste stilte is haar hoogste klank;
Haar grootste verbolgenheid is haar liefste dank;
Haar ergste bedreiging is volledige trouw;
Haar droefheid is loutering van alle rouw;
Haar rijkdom zijn al haar gebreken.
Men kan nog meer over minne spreken:
Haar hoogste trouw doet laag zinken;
Haar hoogste wezen doet wreed verdrinken;
Haar grote rijkdom verbeurt have en goed;
Haar bevoorrechten geven blijk van tegenspoed;
Haar troost maakt de wonden groot;
Wie met haar omgaat sterft menige dood;
Haar voeden is honger; haar kennen is dolen;
Verleiding is de wijsheid van haar scholen;
Haar strelingen zijn woeste stormen;
Haar manieren kennen geen normen;
Als ze zich toont dan wil ze verhelen;
Als ze iets schenkt dan wil ze weer stelen;
Haar beloften worden niet bewaarheid;
Haar tooi is volledige naaktheid;
Haar waarheid is een en al bedriegen;
Haar erewoord komt velen voor als liegen;
Daar kunnen velen en ook ik
van getuigen op ieder ogenblik:
Dikwijls heeft de minne ons geleid
En ons daarbij deerlijk misleid,
In de waan dat we haar bezaten;
Sinds ze voor het eerst de spot met me dreef
En ik eindelijk hoogte van haar kreeg,
heb ik haar niet alles meer toegelaten;
Haar eeuwig dreigen en haar beloven,
daarmee word ik nooit meer bedrogen.
Het laat me koud of ze goed of slecht is;
Ik wil voor haar zijn al wat ze zelf is.
Hadewych

De genezing
Zij stond voor den grooten spiegel
En lachte haar beeltnis aan;
Zij had haar zijden kleedsel,
En haar parelsnoer aangedaan.
Zij waande zich genezen;
Haar wang was weder rood;
Zoo helder glansden hare oogen,
Zij vreesde niet meer den dood.
Och, jong verkwijnend harte,
Dat zich zoo gaarne bedroog:
't Was koorts, die gloeide op haar' wangen,
't Was de dood, die blonk in haar oog!
Rosalie Loveling

Het buitenmeisje
Zij vroegen of ze tevreden was,
In de stad tevreden en daar?
Het jonge meisje knikte ja,
Ze waren zo goed voor haar!
Zij knikte ja, zij zweeg en ging
In de kelderkeuken staan,
En zag omhoog door 't vensterraam
Op straat de voeten gaan.
Toen dacht zij aan het groene veld,
En aan haar ouders hut:
Daarover waait hoog de populier,
En de vlierboom staat aan den put.
Het geitje op 't grasplein, ginds de verre
kerk,
En de lucht oneindig blauw, -
Haar moeder haspelt aan 't open raam,
En haar vader zit op 't getouw.
De wiedsters in 't veld en de leeuwrik omhoog,
- O lag zij bij hen in het vlas! -
En zat zij te peinzen, toen vroegen zij haar,
Of zij tevreden was?
Zij waren zo goed en zo vriendlijk met haar,
Zij kon niet zeggen: "Neen."
Maar 's avonds als zij slapen ging,
Toen weende zij alleen.
Virginie Loveling

Vondelingskens
'k Vond z'in Vlaanderen, waar geen hand
Zegent d'idealen...;
Waar men, als een vreemde, bant
D'eigen zoete tale.
'k Vond ze, waar geen zachte stem
Door mn zuchten streelde...;
'k Vond ze ver, heel ver van hem,
Ver van alle weelde.
In 't vertellen van wat wind...,
't Rits'len van de hagen...,
In de kijkers van een kind...,
't Scheem'ren van de dagen...
'k Vond z'in 't eigen stil gedacht...,
In wat bloemen-zegen...;
'k Vond ze, spelend langs de gracht
Van verlaten wegen...
Zoudt ge weelde vragen toch
Van die schaam'le dingskens...?
't Zijn geen rijke kind'ren..., och,
't Zijn maar vondelingskens...
Alice Nahon

Het koningsgraf
Met een gezicht uit zuiver goud geslagen,
Zoals herinnering mij heeft gebeeld
Naar al de nachten dat wij samen lagen
En lach en traan hebben gedeeld,
En mond aan mond en oog in oog verzonken
De adem en het licht hebben gemengd,
En van die volle liefdesbeker dronken
Ons aan elkanders hart hebben verzengd;-
Naar die herinnering, in goud gedreven,
Lig ik onder het masker van mijn dood
Te zuchten en onzichtbaar voort te leven
In hunkring naar de diepten van uw schoot,
En 'k tast het duister van mijn koningsgraf
Met lichteloze gouden blikken af.
Bertus Aafjes

Sonnet
Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen,
Want waar mijn ogen langs de wanden dwalen
Schemert uw lach daarheen. Ontelbre malen
Hoor ik in 't klokgetik uw voeten treên.
En langzaam nadert gij, zo ver, zo kleen...
'k Zie dat een brede neevlenkring met valen
Lichtlozen sluier u omhult; dan dalen
Zachtjes uw lichte schreden naar mij heen.
Uw adem vaart mij aan! gij zijt verschenen,
Ik zie uw ogen in mijn ogen gaan;
'k Hoor in de wind, die langs mijn ruiten henen
En door de schouwe klaagt, uw woorden aan,
Zó vrees'lijk droef en teer, dat 'k u zie staan,
Met bukkend hoofd, om in mijn arm te wenen.
Lodewijk van Deyssel

De avond valt
de avond valt en alle kleuren doven
ik luister naar het tanend licht
en naar het woordenloos verhaal
van wind en water en van late vogels
nog raar gehoord in deze streken
ik verzaakte aan de rechten van de jager
op het aangeschoten rillend wild
de wateren zullen niet meer splijten
mijn dwingende stem een stotterend gestamel
maar verwondering blijft ongebroken
en blijdschap om eenvoudige dingen doorvoeld
nu is het wachten op wat niet meer komen zal
gekoesterd de nagelaten tekens van vervulling
ik dacht laat dit nooit overgaan
maar de avond valt en alle kleuren doven
Jan Gloudemans

Schaak
De winter grendelt deur op deur,
elk water grijnst, in zichzelf bevroren.
Jij verschuift pion en paard en toren,
gijzelt mij op één kleur.
Nu vrieslicht boven het schaakbord zwijgt
kruis jij de velden met je loper.
Trilt soms je lip, vloeien je dijen open?
- jij klemt mij vast binnen de tijd.
Grauw ligt ijs tussen kaden geprangd,
ik kan het kraken van de stilte horen.
Jij schuift je koningin naar voren
en sluit als terloops de tang.
Ooit was er de zon, bron van licht:
de winter slaat grendel op grendel dicht.
Wilfried Adams

Avonduur
de avond hangt zijn grauwe tapijten
verdronken in een eindeloos alfabet
van regen
zwart glimmende kevers
zoeken een uitweg
uit de dronken stad
de schemerverte vlamt in ambergloed
van oude likeuren
alleen de schaarse bomen
heffen hun naakte armen nog
als priesters zonder god
dit wordt mijn uur
het late heilige uur
dat ik mijn naam mag horen
in de lawaaien van de winden
Adriaan de Roover

September
Het koren
gepikdorst
de luchten
wat slordig geveegd
de hazen verbaasd
met trillende oren
hun graanschuur
hun schuilplaats verloren
steeds groter 't verlangen
om zomers te houden
de groeiende aren
door mijn handen geglipt
de nachten steeds kouder
heimwee zo fel
naar velden
geel van tarwe en zon
schoonheid voorbij
die zoëven begon
Rein-Hilde Verbruggen

Nocturne
De maan leunt over de wolken
en ik aan de vensterbank;
in een aandacht, stil en onpeilbaar,
vergeet zij de donkere aarde
en ik de donkere wijn
voor het hemelsch, onsterfelijk vergezicht,
waarin op de zwartblauwe weide
onzichtbare engelen spelen
tusschen de heldere sterren.
Halbo C. Kool

Herfstnacht in de Tuilerieën
Alle banken hebben hun gelieven
aan de moede scheemring toevertrouwd.
En zij huiveren diep in eigen hout
sinds de minnenden zich stil verhieven.
Nacht en regen. Soms een roep door 't woud
van een duif en het onhoorbaar klieven
van het duister, dat zich slapend houdt
om de laatste liefde te gerieven.
Verder niets. De nacht en ik alleen,
eenzaam wandelend aan de rand der tijden,
zó verheugd en zó bedroefd meteen
om mijn voeten die een afscheid schrijden...
En de zachte regens om mij heen
of iemand ingehouden schreide...
Gerard den Brabander

Liefde en zonde
Toen zag ik Liefde en Zonde, hand in hand,
Met roode rozen in het gouden haar.
Zij wenkten mij met vriendlijk handgebaar:
- ‘Kom met ons mede naar 't Beloofde Land!’
Ik trilde stil van weelde en zoet gevaar.
En Liefde gaf me een passiebloem tot pand
En Zonde bond mij met een rozenband
De lokken saam en 'k volgde... ik weet niet waar.
Doch, toen ik omzag naar den verren weg
Die, achter mij, verzonk in duisternis,
Toen zag ik Schaamte en Wroeging, hand in hand.
En, droef, school Schaamte in witte sluiers
weg,
En, bleek als eene die gestorven is,
Toog Wroeging mede naar 't Beloofde Land.
Helène Swarth

Circe
Daarnevens bromt het woelig bal. Hier, in de
gangen,
hier zingt en brast men woest. Een weiflend gaslicht daalt
met spookrig weemlen op der drinkers paarse wangen
en speelt in 't gulden nat dat in de bekers kraalt.
Daar rijst zij op, de forsche en zwierge leest
omvangen
door rood fluweel, waarin het blank der borsten praalt,
het wezen door een nimb' van helsche pracht omstraald,
den wulpschgeplooiden mond vol bandelooze zangen.
Eens gaf een vrouw aan 't menschdom 't leven.
Slechts de dood
huist in haar flanken. O! een afgrond is haar schoot,
een afgrond die verzwelgt goud, liefde, heil en leven.
Daar reist de Circe op, wijl in haar oog een
vonk
der helle gloeit en, in een spotlach, 't glas geheven,
roept zij, met heesche stem: "Der Liefde deze dronk!"
Prosper van Langendonck

Tableaux Vivants
ik heb een venster geplant
in het midden van een weide
een glazen wand
van links naar rechts
met gratis zicht op groen
en als ik me soms eenzaam voel
of argeloos gelukkig
zoek mij dan niet
maar tref mij hier
voor mijn Brabantse schilderij
waar de seizoenen nog bruusk stilstaan
en uitbundig weer verdwijnen
voor een klas van madeliefjes
die wild uitzwermt
en steels een paardebloem
omarmt
zo zie ik mijzelf versneeuwen
in een krans van witte kroost
vanmorgen stond er plots een koe
voor mijn raam
ik heb haar laten staan
misschien was ze wel verwonderd
over wat ze zag
Ann Langeraet

Bolsterturfs parodie op Tableaux Vivants
La mort d'une Chevrette
"strofe à la Langeraet"
"strofe à la Langeraet"
"strofe à la Langeraet"
"strofe à la Langeraet"
vanmorgen stond er plots een rikke
voor mijn raam
ze mocht niet blijven staan
misschien was ze wel verwonderd
eventjes maar
om de jager die haar doodschoot
Bolsterturf

Sehnsucht nach dem Tode
Hinunter in der Erde Schooß,
Weg aus des Lichtes Reichen,
Der Schmerzen Wuth und wilder Stoß
Ist froher Abfahrt Zeichen.
Wir kommen in dem engen Kahn
Geschwind am Himmelsufer an.
Gelobt sey uns die ewge Nacht,
Gelobt der ewge Schlummer.
Wohl hat der Tag uns warm gemacht,
Und welk der lange Kummer.
Die Lust der Fremde ging uns aus,
Zum Vater wollen wir nach Haus.
Was sollen wir auf dieser Welt
Mit unsrer Lieb' und Treue.
Das Alte wird hintangestellt,
Was soll uns dann das Neue.
O! einsam steht und tiefbetrübt,
Wer heiß und fromm die Vorzeit liebt.
Die Vorzeit wo die Sinne licht
In hohen Flammen brannten,
Des Vaters Hand und Angesicht
Die Menschen noch erkannten.
Und hohen Sinns, einfältiglich
Noch mancher seinem Urbild glich.
Die Vorzeit, wo noch blüthenreich
Uralte Stämme prangten,
Und Kinder für das Himmelreich
nach Quaal und Tod verlangten.
Und wenn auch Lust und Leben sprach,
Doch manches Herz für Liebe brach.
Die Vorzeit, wo in Jugendglut
Gott selbst sich kundgegeben
Und frühem Tod in Liebesmuth
Geweiht sein süßes Leben.
Und Angst und Schmerz nicht von sich trieb,
Damit er uns nur theuer blieb.
Mit banger Sehnsucht sehn wir sie
In dunkle Nacht gehüllet,
In dieser Zeitlichkeit wird nie
Der heiße Durst gestillet.
Wir müssen nach der Heymath gehn,
Um diese heilge Zeit zu sehn.
Was hält noch unsre Rückkehr auf,
Die Liebsten ruhn schon lange.
Ihr Grab schließt unsern Lebenslauf,
Nun wird uns weh und bange.
Zu suchen haben wir nichts mehr -
Das Herz ist satt - die Welt ist leer.
Unendlich und geheimnißvoll
Durchströmt uns süßer Schauer -
Mir däucht, aus tiefen Fernen scholl
Ein Echo unsrer Trauer.
Die Lieben sehnen sich wohl auch
Und sandten uns der Sehnsucht Hauch.
Hinunter zu der süßen Braut,
Zu Jesus, dem Geliebten -
Getrost, die Abenddämmrung graut
Den Liebenden, Betrübten.
Ein Traum bricht unsre Banden los
Und senkt uns in des Vaters Schooß.
Novalis

EEN POOLS MEISJE STAANDE OP EEN STOEL
voor dr. Hans Joseph Maria Globke,
dertien jaar medewerker van Hitler,
veertien jaar medewerker van Adenauer.
Stel u voor een meisje uit Polen:
zij is naakt en zij staat op een stoel,
daar staat zij al bijna een uur.
En die stoel staat voor de appelplaats
en op de appelplaats aangetreden
staan de gevangenen van Neuengamme.
Voor het front van de stinkende
voor de hel opgeschreven mannen
uit alle delen van Europa
loopt een krachtiggevoede officier
op en neer als een god
met glimmend gepoetste laarzen.
Nou stel u dus voor: één keer dat hij langs
de stoel komt mikt hij een knipoog
naar het meisje dat naakt op de stoel staat
en het ongelooflijke gebeurt:
het meisje, de polsen gebonden op de rug,
spuugt de officier in zijn gezicht!
En deze, razend, trapt de kruk
onder het kind weg en het koord spant:
zij hangt, en duizenden zien haar sterven.
En nu komt het. Deze officier is vandaag
rechter in Bielefeld, Würzburg,
Aken, Mannheim of Münster.
“Dit is infaam”, roept hier iemand,
“die ss-officier was een ander! Die heeft
nu in Bremen een net restaurant.
De rechtsgeleerde die jij bedoelt
heeft alleen de wetjes gemaakt
of de vonnissen getekend!”
“Verontschuldig dan mijn fout; maar
dan spuwde ook het meisje op de stoel
de verkeerde Duitse meneer in zijn gezicht.”
J.B. Charles

Sorry beste lezer,
ik wiste hier veel gedichten:
bloedhond Brein
van Brein anti-piracy.nl wat mag en wat niet mag of zo.asp loopt los, en ik weet
van een gedicht vaak niet of de dichter ervan dicht of dichtte
uit louter roeping en om gelezen te worden, of dat de dichter dicht of
dichtte om zoveel als maar mogelijk geld voor zichzelf en/of de erfgenamen en de firma Brein te
verdienen.
Bolsterturf

Achtergrondfoto:
Borsten in zachtblauw truitje